Isidoro Zorzano: de kunst om een gezin te stichten wanneer alles instort

Isidoro Zorzano werd geboren op 13 september 1902 en werd in 2016 eerbiedwaardig verklaard. Hij was ingenieur, een vriend van de heilige Jozefmaria en een van de eerste leden van het Opus Dei. Midden in de burgeroorlog, terwijl hij zich in veiligheid had kunnen brengen, bleef hij in Madrid om zijn naasten niet in de steek te laten. Zijn verhaal herinnert ons eraan dat moeilijkheden, wanneer ze samen met God worden doorstaan, een gezin niet uit elkaar drijven: ze zorgen ervoor dat het sterker wordt.

We stellen ons heiligen vaak voor als helden die tot ongeëvenaarde daden in staat zijn. Het levensverhaal van Isidoro Zorzano wijst in een andere, meer herkenbare richting: die van een heiligheid die zich uit in de zorg voor anderen, dag na dag, in alledaagse gebaren – tot en met het offer van het eigen leven.

Isidoro was geen held. Hij was een vriendelijke en vrijgevige ingenieur, gepassioneerd door zijn werk zonder er bijzonder in uit te blinken, met een vastberaden wil en een bijna kinderlijk enthousiasme voor bergtochten. Van kindsbeen af bezat hij een eenvoudig en standvastig geloof, dat hij nooit heeft losgelaten [1]. Toen het faillissement van de bank waarin de familie haar vermogen had belegd samenviel met de vroegtijdige dood van zijn vader en zijn oudste broer, nam hij de zorg voor zijn moeder en zijn zus op zich [2]. Hij was, kortom, een gewone man, met de zorgen die iedereen kent.

Isidoro werd in 1902 in Buenos Aires geboren als zoon van Spaanse migranten en keerde als kind met zijn familie naar Spanje terug. Hij had samen met Jozefmaria Escriva op school gezeten, en op 24 augustus 1930 was hij een van de eersten die zich ertoe had verbonden zijn christelijke roeping midden in de wereld te beleven volgens de geest van het Opus Dei, dat zijn vriend kort daarvoor had gesticht [3]. Hij werkte bij de Andalusische Spoorwegen in Malaga en kwam slechts af en toe in Madrid. De doodsbedreigingen die hij in Malaga ontving vanwege zijn overtuigd katholieke levenshouding, bespoedigden zijn verhuizing naar de hoofdstad [4]. Toen op 18 juli 1936 de oorlog uitbrak, was Isidoro 34 jaar oud en woonde hij er iet meer dan een maand.

Hij had in veiligheid kunnen blijven. Het huis waar hij met zijn moeder en zus woonde, stond onder bescherming van de Argentijnse ambassade. De eerste twee maanden bleef hij binnen: vanuit Malaga waren zijn naam en signalement doorgegeven aan de milities in Madrid. Maar eind september, met een ander kapsel, een zonnebril en slechts zeer onvolledige papieren, stapte hij weer de straat op, voor iets wat hem belangrijker leek dan zijn eigen veiligheid [5].

Jozefmaria Escrivá — door zijn naasten ‘de Vader’ genoemd — liep als priester levensgevaar, en hetzelfde gold voor degene die hem onderdak zou verlenen [6]. Na verschillende keren van adres te zijn veranderd, slaagde hij erin zijn toevlucht te zoeken in de psychiatrische kliniek van dokter Suils [7]. Daar bereikt het heimelijke werk van Isidoro zijn hoogtepunt: hij zorgt voor brood en wijn, zodat de Vader de mis kan vieren, en ontvangt na afloop de geconsacreerde hosties om de communie te brengen aan de andere leden van het Werk, aan zijn familieleden en aan andere bekenden [8].

Zo wordt de Eucharistie de geheime rode draad van zijn verplaatsingen. Wat hij door de stad draagt, samen met de brieven en de levensmiddelen, is bovenal Christus. Voor sommigen — gevangenen of mensen die geïsoleerd in een ambassade verbleven — kon die Communie wekenlang hun belangrijkste band met de sacramenten zijn. 

Aan die jongeren, die verspreid waren en zich in zeer uiteenlopende situaties bevonden [9], moest niet alleen nieuws worden overgebracht, maar ook, zoals hij zei, ‘het hart van de Vader’.

Eén voorval geeft een goed beeld van wie hij was. Vicente Rodríguez Casado had zijn toevlucht gezocht in de ambassade van Noorwegen en was volledig van de buitenwereld afgesloten. Het was riskant om daarheen te gaan: de milities hielden de omgeving in de gaten. Hoewel Vicente hem vroeg om niet zo vaak langs te komen, glimlachte Isidoro en antwoordde: “God laat zich niet overtreffen in vrijgevigheid.” Voor Isidoro was het volkomen vanzelfsprekend om hem de warmte van de familie te brengen. Pas later kwam Vicente erachter dat die bezoeken werden geregistreerd en dat Isidoro bij binnenkomst werd gefouilleerd [10].

Vluchten of blijven?

Rond januari 1937 werd duidelijk dat de oorlog lang zou duren en dat het niet volstond om ondergedoken in Madrid te overleven. Escriva wilde niet alleen zichzelf in veiligheid brengen, maar ook al zijn ‘geestelijke zonen’ — zoals hij de eerste leden van het Werk noemde. Daarom begon hij via diplomatieke kanalen de evacuatie naar de andere zone voor te bereiden [11]. Dankzij José María González Barredo vonden verscheidene van hen onderdak in het consulaat van Honduras, in afwachting van een vertrek dat men op korte termijn verwachtte [12].

Dan breekt voor Isidoro de beslissende proef aan. Eind maart biedt de Argentijnse ambassade hem de mogelijkheid om samen met zijn gezin Madrid te verlaten. Aangezien hij de evacuatie van de mensen in het consulaat [13] al als een uitgemaakte zaak beschouwde, had hij kunnen vertrekken en zich later, buiten gevaar, bij zijn vader kunnen voegen. Hij overlegde dit met Escriva, die hem volledige vrijheid liet, en besloot te blijven.

Waarom? Omdat er nog velen in Madrid achterbleven: José María Hernández Garnica in de gevangenis, Vicente in de ambassade van Noorwegen, Miguel Bañón en Manuel Sainz de los Terreros ieder op zichzelf, en ook Dolores en Carmen, de moeder en de zus van Escriva, evenals de gezinnen van hen allen. Isidoro zag ervan af zichzelf in veiligheid te brengen om hen niet alleen achter te laten. Hij aanvaardde de honger en de angst van een belegerde stad en zette daarmee wellicht zelfs zijn leven op het spel [14]. Bovendien zou de evacuatie maanden vertraging oplopen, en zijn zorg strekte zich ook uit tot de vluchtelingen in het consulaat.

Van binnen groeien

Vanaf dat moment was Isidoro een belangrijke schakel die de verspreide familie bij elkaar hield. Elke ochtend haalde hij de post op bij het consulaat en deed hij boodschappen: hij zorgde voor kleding, eten, medicijnen en een woordenboek. Omdat ze geen horloge hadden, gaf hij hun het zijne. Hij verstuurde de brieven die hij ontving buiten Madrid en nam de brieven in ontvangst die uit Levante en Daimiel kwamen: Francisco Botella en Lola Fisac was immers gevraagd om steeds naar zijn adres te schrijven, om niemand in gevaar te brengen [15].

De middagen hadden een heel andere sfeer. Isidoro begroette iedereen, reikte de Communie uit, bad met hen en nam de lopende plannen door. Vanaf eind maart begon hij bij hem thuis bijeenkomsten te organiseren met Manuel Sainz de los Terreros, José María Albareda — die in september 1937 om toelating tot het Werk zou vragen — en een vriend van deze laatste, Tomás Alvira. In april nam hij zich voor hen elke dag te zien, omdat ze, zoals hij noteerde, «steeds meer de noodzaak van deze verbondenheid voelen».

Hij besteedde bijzondere aandacht aan één ding: wanneer de aantekeningen van de meditaties van de Vader in het consulaat arriveerden, besprak hij die met Sainz de los Terreros en Albareda. Soms dienden die gesprekken hun ook als gebed. Daarna nam hij de aantekeningen mee naar Miguel Bañón en aan Vicente legde hij ze mondeling uit, op zijn locatie was het niet verstandig om papieren bij zich te hebben. Terwijl de oorlog hen scheidde, ging het gebedsleven van hand tot hand.

In zijn dagboek legde hij vast wat deze ontmoetingen hem brachten. Hij noteerde dat hun gesprekken altijd draaiden om het Werk, tot op het punt dat ze nauwelijks nog over de oorlogssituatie spraken. Bijna zonder het te beseffen, mediteerden ze meer dan een uur lang over het kwaad om hen heen, «zoals de eerste leerlingen zouden hebben gedaan toen zij zo vervolgd werden». Het Werk, zo besloot hij, zorgde ervoor dat zij «de ware naastenliefde begrepen en de christelijke broederlijkheid beleefden» [16].

Het einde van de oorlog en het overlijden van Isidoro

In december 1937 slaagde Escriva er eindelijk in om, vergezeld van een kleine groep, de Pyreneeën over te steken naar de andere kant. Het viel hem niet gemakkelijk te aanvaarden dat hij zonder al zijn kinderen moest vertrekken [17]. Isidoro bleef achter, zoals hij negen maanden eerder had besloten [18], en zette zich in het bijzonder in voor de gezinnen.

Hij zorgde voor Santiago, het jongste broertje van de Vader — aan wie Escriva had gevraagd om naar zijn moeder en zus terug te keren in plaats van de gevaarlijke grensovertocht te wagen [19] — alsof het zijn eigen kind was: hij schreef hem in op een middelbare school en gaf hem taallessen. Hij bleef tot het einde toe bij de vader van Álvaro del Portillo, die het consulaat niet zonder gevaar kon verlaten. En toen de vader van de familie Fernández Vallespín stierf, was hij er onmiddellijk bij. Later, toen diens dochter ziek werd, merkte hij dat de behandeling niet de juiste was en zocht hij een andere arts voor haar [20].

Dat alles eiste zijn tol. Op dat moment woog hij 48 kilo [21]. We weten niet hoeveel hij aan het einde van de oorlog woog, na maanden van nieuwe ontberingen, hoewel we mogen aannemen dat het nog minder was [22]. Op de dag dat Escriva naar Madrid terugkeerde, 1 maart 1939, ging Isidoro hem ophalen. Daarna moest hij onmiddellijk het bed houden om bij te komen. Op 1 mei keerde hij terug naar zijn werk bij de spoorwegen. Eind 1940 traden de eerste symptomen op van de ziekte die hem in 1943, op 15 juli het leven zou kosten: de ziekte van Hodgkin, die tegenwoordig wel te behandelen is.

Hij had zijn taak tot het uiterste doorgevoerd: bijna negenhonderd dagen lang had hij degenen die in Madrid waren achtergebleven gesteund. Hij was niet de enige die trouw bleef — anderen hielden stand zo goed als ze konden, in de gevangenis of ondergedoken, allemaal gesteund door Escriva —, maar Isidoro was voorbestemd voor een bijzondere rol. Geïnspireerd door het krachtige vaderlijke voorbeeld dat hij in de Vader zag, zette hij zich elke dag in voor mannen die hij pas vier jaar kende en voor hun gezinnen.

Die overgave had zijn tol geëist. Hij had zich in veiligheid kunnen brengen, maar bleef achter en gaf zich volledig. Dankzij zijn voortdurende aanwezigheid konden die mannen met eigen ogen ervaren dat ze werkelijk een familie waren.

Dat is de nalatenschap van Isidoro Zorzano: een trouw die bestond uit kleine gebaren, waarin velen, zonder grote woorden, iets van het vaderschap van God herkenden.


[1] T. A. McDonough, Ordinary life, extraordinary living, Scepter Publishers, Nueva York 2024, pags. 10-11 (hierna: OLEL).

[2] Zie OLEL, pag. 10.

[3] In juni 1936 telde het Opus Dei zesentwintig leden, en Isidoro was de oudste: vgl. J. L. González Gullón, Escondidos, Rialp, Madrid 2018, blz. 11 e.v. (hierna: ESC). Er waren eenentwintig mannen en vijf vrouwen. Na hem volgden qua anciënniteit vijf beroepsmensen die tussen 1932 en 1934 waren toegetreden (Juan Jiménez Vargas,José María González Barredo, Manuel Sainz de los Terreros, Ricardo Fernández Vallespín en Miguel Bañón) en vijftien universiteitsstudenten tussen de 16 en 23 jaar.

[4] Zie OLEL, pag. 59.

[5] Zie OLEL, pags. 93-94.

[6]Tijdens de oorlog werden 6.806 priesters en religieuzen vermoord: vgl. A. Montero Moreno, Historia de la persecución religiosa en España. 1936-1939, BAC, Madrid 1999, pags. 760-763; geciteerd in ESC, pag. 38.

[7] De Vader werd op 7 oktober 1936 opgenomen in de kliniek van dokter Suils: Zie ESC, pag. 73.

[8] Zie OLEL, pag. 96.

[9] Zie ESC, pags. 102-113.

[10] Zie OLEL, pag. 99.

[11] Zie ESC, pags. 132-133.

[12] Tussen 13 maart en 7 april 1937 vonden Álvaro del Portillo, Jozefmaria Escriva, zijn broer Santiago, Eduardo Alastrué en Juan Jiménez Vargas onderdak in het consulaat van Honduras: zie ESC, blz. 159 e.v. Men verwachtte dat de evacuatie tussen 8 en 10 april zou plaatsvinden: zie ESC, blz. 235.

[13] Op 29 maart schreef Isidoro in zijn dagboek: “Wat de evacuatie betreft: die is voltooid.” (ESC, pág. 235).

[14] Zie OLEL, pag. 130. Vanaf de zomer van 1938 moesten ook buitenlandse burgers hun verblijf in Madrid kunnen verantwoorden.

[15] Zie ESC, pags. 245-246.

[16] Zie ESC, pag. 245s.

[17] Juan Jiménez Vargas, José María Albareda, Manuel Sainz de los Terreros, Miguel Fisac, Tomás Alvira, Francisco Botella en Pedro Casciaro staken samen met hem de Pyreneeën over: zie ESC, pags. 311-313.

[18] Zie OLEL, pag. 118.

[19] Hoewel hij samen met hem zijn toevlucht had gezocht in het consulaat van Honduras, had Escriva besloten dat Santiago naar huis moest terugkeren, naar zijn moeder en zus, en dat hij de gevaarlijke poging om de grens over te steken niet moest ondernemen.

[20] Zie OLEL, pag. 122.

[21] Zie OLEL, pag. 116.

[22] Zie OLEL, pag. 126.


Verwijzingen naar Isidoro op de website:

https://opusdei.org/nl-be/isidoro-zorzano/

https://opusdei.org/nl/article/gebed-isidoro/

https://opusdei.org/nl/article/documentatie-isidoro/

https://opusdei.org/nl/article/biografie-isidoro/

https://opusdei.org/nl/article/gunsten-isidoro/