Iets groots dat liefde is (XI): Met Christus op weg naar de Volheid van de Liefde

“De weg is in één enkel woord samen te vatten: beminnen, (…), een groot hart hebben, de zorgen voelen van degenen om ons heen, weten te vergeven en te begrijpen: ons, met Jezus Christus, voor alle zielen opofferen” (heilige Jozefmaria).

Opus Dei - Iets groots dat liefde is (XI): Met Christus op weg naar de Volheid van de Liefde

Jezus die “de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe” (Joh 13,1). Zo introduceert Johannes in zijn Evangelie het ongehoorde gebaar dat Jezus maakte voor het paasmaal, toen iedereen al aan tafel zat: “Hij stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen” (Joh 13,4-5).

Jezus wast de voeten van de apostelen. Zwakke mannen, gekozen om het fundament van de Kerk te zijn. Ze hebben allemaal angst gevoeld tijdens de storm op het meer, hebben getwijfeld aan het vermogen van de Meester om een grote menigte te voeden, hebben heftig geruzied over wie de belangrijkste in het Koninkrijk zou zijn. Ze zijn ook begonnen te ervaren dat het volgen van Hem lijden met zich meebrengt: ze zijn niet, zoals veel anderen, weggegaan na de verkondiging van het Brood des Levens in de synagoge van Kafarnaüm, ze hebben Hem vergezeld op zijn lange reizen door het land van Israël en ze weten, omdat ze het om zich heen merken, dat er mensen zijn die Hem dood wensen.

Petrus observeert vol verbazing wat er gebeurt. Hij kan het niet begrijpen, en hij komt in opstand. "’Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?’ Jezus antwoordt: ‘wat ik doe, begrijpt ge nu nog niet, maar later zult ge het inzien.’ Toen zei Petrus tot Hem: ‘Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!’” (Joh 13,5-8). Het radicale karakter van Simons antwoord is verrassend. Het wil geen afwijzing zijn: het is de liefde voor de Heer die hem ertoe beweegt te weigeren. En toch laat de Heer hem zien dat hij zich vergist: “Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn” (Joh 13,8).

Later zul je het begrijpen

Vanaf zijn eerste ontmoeting met de Meester had de heilige Petrus een weg van innerlijke groei afgelegd, waardoor hij geleidelijk aan was gaan begrijpen wie Jezus, de Zoon van de levende God is. Maar het Lijden van de Heer komt dichterbij, en Petrus heeft nog een lange weg voor de boeg. In de zaal van het Laatste Avondmaal speelt zich een scène in twee bedrijven af, de voetwassing en de instelling van de Eucharistie, waardoor Petrus zal beginnen te ontdekken tot welk uiterste de Liefde van God gaat en in hoeverre deze Liefde een beroep doet op hem persoonlijk. Op dit moment is het gebod om de naaste te beminnen als zichzelf voor hem nog slechts een verklaring, iets wat nog niet in zijn hart is doorgedrongen met de diepte die Jezus verlangt. En dus komt hij in opstand. Hij accepteert niet dat de wil van God, voor zijn Meester en voor hem, een leven van liefde en nederige dienstbaarheid jegens ieder mens is.

God houdt rekening met onze beperkingen, en daarom is hij niet verbaasd en wordt Hij niet moe als Hij ziet dat wij onze roeping niet beleven zoals deze bedoeld is.

Deze ervaring van Petrus kan in ons leven vaak voorkomen. Ook wij vinden het moeilijk te begrijpen; we hebben tijd nodig om de meest elementaire waarheden te begrijpen. In ons hart zijn grote verlangens naar liefde vermengd met minder nobele bedoelingen; vaak verlamt de angst ons en hebben we de mond vol van woorden die niet vergezeld gaan van daden. We houden van de Heer; we beseffen dat de goddelijke roeping ons kostbaarste juweel is: zozeer zelfs dat we alles hebben verkocht om het te kopen. Maar het verstrijken van de jaren, andere omstandigheden, bepaalde onaangename situaties of de vermoeidheid van ons dagelijks werk kunnen onze weg minder duidelijk maken.

Bovendien kan het gebeuren dat iemand niet die mate van menselijke en geestelijke rijpheid heeft bereikt die het mogelijk maakt om de roeping als een weg van liefde te beleven. Onze naastenliefde kan lijden onder een van die vertekeningen die ons persoonlijk mysterie verkleinen: het sentimentalisme, waardoor we meer op de kortstondige waarneming van dingen reageren dan op een diepe relatie met God en met de anderen; het voluntarisme, waardoor we vergeten dat het christelijk leven er in grote mate in bestaat God toe te staan ons lief te hebben en anderen door ons lief te hebben; het perfectionisme, waarbij we geneigd zijn de menselijke tekortkomingen te zien als feiten die buiten het plan van God vallen.

Maar juist omdat God met onze beperkingen rekening houdt is Hij niet verbaasd en wordt Hij het niet moe als Hij ziet dat wij onze roeping ingewikkeld maken of vervormen. Hij heeft ons, net als Petrus, geroepen terwijl we zondaars zijn en Hij dringt aan: “Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn”. Simon Petrus is ontwapend: “Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd” (Joh 13,8-9). Jezus weet dat het de liefde is die Petrus ontroert, en daarom antwoordt Hij hem net zo radicaal. Het hart van de apostel reageert met de onstuimigheid die hem kenmerkt: “niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd”. Het zijn woorden die heel snel werden gezegd. Maar was Petrus zich er wel van bewust wat ze betekenden? Wat er die avond gebeurde, lijkt erop te wijzen dat hij dat niet was. Hij zou het later, beetje bij beetje, begrijpen: door het lijden van de Passie, de vreugde van de Verrijzenis en de werking van de Heilige Geest. Zijn dialoog met Jezus leert ons in ieder geval dat de eerste stap om op weg te gaan naar de volheid van de Liefde is, de genegenheid en tederheid van Jezus voor iedereen van ons te ontdekken; en te weten dat wij, als wij onze ellende corrigeren, meer op Hem zullen gaan lijken.

Stap voor stap dichter bij de vrijheid

Jezus volgen betekent leren liefhebben zoals Hij. Het is een reis die bergopwaarts gaat, die moeite kost, maar tegelijkertijd is het een reis naar de vrijheid. "Hoe vrijer we zijn, hoe meer we kunnen liefhebben. En de liefde is veeleisend: ‘Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij’ (1 Kor 13,7).” [1] Toen de heilige Jozefmaria nog een jonge priester was, beschreef hij deze route van het opklimmen tot een trouwe vrijheid als volgt: "Graden: in de wil van God berusten, zich schikken naar de wil van God, de wil van God willen, de wil van God liefhebben”.[2]

De berusting is de laagste trede van de vrijheid. Het is de minst edelmoedige houding van de vier en ze kan gemakkelijk ontaarden in geestelijke lauwheid. Ze zou kunnen worden omschreven als uithoudingsvermogen zonder groei: verdragen omwille van de berusting; want het is ‘wat ik nou eenmaal heb gekregen’. Het is waar dat de sterkte, die een kardinale deugd is, leidt tot uithoudingsvermogen, tot strijden; en in feite doet dit de vrijheid groeien, omdat men het goede waarvoor men strijdt, begrijpt en verlangt. Maar wie berust, merkt geen enkel goed op, of neemt het zo vaag waar dat het geen vreugde opwekt. Het kan ons soms, en zelfs een tijdlang, moeite kosten om deze houding te overwinnen; maar wanneer de berusting een definitieve houding is geworden, sluipt geleidelijk aan de droefheid binnen.

Het volgen van Christus is een weg die bergopwaarts gaat, die moeite kost, maar tegelijkertijd een weg is die naar de vrijheid leidt.

Zich naar de wil van God schikken drukt een hogere graad uit: je conformeert je aan de realiteit. Je ermee conformeren moet niet verward worden met de instelling van een middelmatige persoon die geen dromen en projecten koestert en nergens warm voor loopt. Het is eerder de realistische houding van iemand die weet dat elk nobel verlangen God behaagt. Wie zich op deze manier schikt, leert beetje bij beetje in de goddelijke logica mee te gaan, en overtuigd te zijn dat alles voor hen die God liefhebben ten goede komt (vgl. Rom. 8,28). De heilige Jozefmaria heeft deze instelling tegenover het plan van God soms met een bijbels beeld uitgedrukt: “Heer, help mij trouw en volgzaam te zijn (…), als klei in de handen van de pottenbakker. Dan zal niet ik het zijn die leeft, maar U, mijn Geliefde, zult in mij leven en werken”.[3]

We kunnen nu al zien hoe dit proces van instemming met Gods wil geroepen is om een hogere vlucht te nemen, op het moment dat we Gods wil beginnen te willen: "in mij zul Je leven en werken, mijn Geliefde". De omstandigheden en de mensen die we niet hebben gekozen, gaan we liefhebben om hunzelf, omdat ze goed zijn: we besluiten ze te ‘kiezen’. "Mijn God, ik kies alles,"[4] zei de heilige Theresia van Lisieux. Zij realiseerde zich, met de heilige Paulus, dat "noch de dood, noch het leven, noch engelen, noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus, onze Heer" (Rom 8,38-39). Zo ontdekken we, te midden van de onvolkomenheid van de dingen, dat ‘heilige iets’ dat verborgen ligt in de situaties [5]; het beeld van God wordt in de anderen voor ons zichtbaarder.

Doordrenkt met het bloed van Christus

De laatste trede in deze persoonlijke groei zet de liefde op de eerste plaats. Zo gaan we, zoals de heilige Johannes ons leert, binnen in de kern van de christelijke openbaring: "zo hebben we de liefde leren kennen die God voor ons heeft" (1 Joh. 4,16). Na de voetwassing van zijn apostelen legt de Heer hen uit waarom Hij dat heeft gedaan: "Ik heb u een voorbeeld gegeven" (Joh. 13,15). Ze zijn nu klaar om te luisteren naar het nieuwe Gebod: "Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij elkaar liefhebben" (Joh. 13,34). Ze zijn nu klaar om te luisteren naar het nieuwe Gebod: “Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben” (Joh 13,34). Het gaat erom te leren liefhebben met de grootste liefde, tot we zoals Hij ons eigen leven geven: “Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf” (Joh 10,17-18). Het is eigen aan de christelijke liefde om zichzelf te geven, om zichzelf te vergeten, de realiteit die God de Vader voor ieder van ons heeft gewild met volle inzet te beleven. Dat is de wil van God beminnen: een vreugdevolle en creatieve bevestiging die ons er vanuit ons diepste ik toe aanzet onszelf te vergeten; een beslissing die, paradoxaal genoeg, de enige manier is om onszelf werkelijk te vinden: "Wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden" (Mt 16,25).

Deze liefde bestaat echter niet uit "een soort extreme morele inspanning (...), een hogere graad van humanisme".[6] De nieuwheid van het nieuwe Gebod “kan alleen komen uit het geschenk van de gemeenschap met Christus, van het leven in Hem”.[7] Daarom geeft de Heer zijn apostelen tegelijk met het nieuwe Gebod het Sacrament van de Liefde. Vanaf dat moment staat de Eucharistieviering centraal in het christelijk leven: deze is geen theoretische waarheid, maar een levensbehoefte.[8] “De hand van Christus heeft ons uit een korenveld geplukt: de zaaier knijpt die handvol graankorrels fijn in zijn doorboorde hand, ze worden met zijn bloed doordrenkt. Dan strooit de Heer het graan met een brede armzwaai uit, opdat het door te sterven tot leven zal komen en door in de grond weg te zakken zich tot gouden aren kan vermenigvuldigen.[9] We zijn in staat om de overgave te beleven omdat we leven gedrenkt in het bloed van Christus, waardoor we aan onszelf kunnen sterven om overvloedige vruchten van vreugde en vrede om ons heen te verspreiden. Onze deelname aan het Offer van Jezus en onze aanbidding van zijn werkelijke aanwezigheid in de Eucharistie leiden ons rechtstreeks tot de liefde voor onze naasten. Daarom, “wie niet trouw is aan de goddelijke opdracht om zich aan anderen te geven en hen te helpen Christus te leren kennen, zal moeilijk kunnen begrijpen wat het eucharistisch Brood is”. En omgekeerd: “Als we de heilige Eucharistie willen waarderen en liefhebben moeten we de weg van Jezus volgen: tarwe zijn, sterven, met nieuwe kracht weer opstaan en overvloedig vrucht dragen: honderdvoudig!”[10]

Eucharistische samenhang

Het is eigen aan de liefde zichzelf weg te schenken, zich hartstochtelijk over te geven aan het plan dat God voor iedereen heeft gewild

“Jezus wandelt onder ons zoals Hij in Galilea deed. Hij gaat door onze straten, houdt stil en kijkt ons in de ogen, zonder haast. Zijn oproep is aantrekkelijk, fascinerend”.[11] Wanneer iemand besluit om aan zijn zijde te lopen, om in gemeenschap met Hem te leven, wordt diens leven verlicht en krijgt het geleidelijk aan een ware ‘eucharistische samenhang’[12]: de liefde en de nabijheid die we van Hem ontvangen stellen ons in staat onszelf aan anderen te geven zoals Hij zichzelf heeft gegeven. Zo ontdekken en verwijderen we beetje bij beetje de hindernissen die de groei van de liefde van Christus in ons hart belemmeren: de neiging om een minimale inspanning te leveren in de vervulling van onze plichten; de angst om te overdrijven in de liefde en dienstbaarheid jegens anderen; het gebrek aan begrip voor de beperkingen van de mensen; de arrogantie die van anderen eist dat zij onze goede daden erkennen, waardoor de oprechtheid van onze intentie vervaagt.

De heilige Jozefmaria sprak altijd met ontroering over het vreugdevolle leven van degenen die zich aan Christus geven en trouw volharden in het volgen van hun roeping. “Liefhebben is een groot hart hebben, de zorgen delen van de mensen om ons heen, kunnen vergeven, begrip tonen: zich samen met Jezus opofferen voor alle zielen.”[13] We weten dat dit iets is wat onze krachten te boven gaat. Daarom moeten we onze Heer vaak vragen ons een hart te geven dat gelijk is aan dat van Hem. “Door zó lief te hebben, met het hart van Christus zullen we leren dienen en zullen we de waarheid duidelijk en met liefde verdedigen. (…) Alleen als het leven van Christus zich in ons herhaalt, kunnen wij het aan anderen doorgeven. Alleen door de dood van de graankorrel te ervaren, zullen we in het binnenste van de aarde kunnen werken, haar van binnenuit kunnen omvormen, haar vruchtbaar kunnen maken.”[14] Dit is de weg van de trouw die, omdat het een weg van Liefde is, ook een weg van geluk is.

Paul Muller

Vertaling januari 2020

[1] F. Ocáriz, Brief, 9-1-2018, nr. 5.

[2] H. Jozefmaria, De Weg, nr. 774.

[3] H. Jozefmaria, De Smidse, nr. 875. Vgl. Jer 18,6: “Als leem in de hand van de pottenbakker, zijt gij in mijn hand”.

[4] H. Theresia van Lisieux, Geschiedenis van een ziel, hfdst. 1.

[5] Vgl. H. Jozefmaria, Gesprekken, nr. 114.

[6] J. Ratzinger-paus Benedictus XVI, Jezus van Nazareth. Vanaf de intocht in Jerusalem tot de Verrijzenis.

[7] Ibid.

[8] Vgl. H. Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 154.

[9] Ibid., nr. 3.

[10] Ibid., nr. 158.

[11] paus Franciscus, apost. Exhort. Christus vivit (25-3-2019), nr. 277.

[12] Vgl. Paus Benedictus XVI, apost. Exhort. Sacramentum caritatis (22-2-2007), nr. 83.

[13] Christus komt langs, nr. 158.

[14] Ibid.