Iets groots dat liefde is (IV): Hoe ontdekken we onze roeping?

Er zijn evenveel roepingsverhalen als er mannen en vrouwen zijn. Dit artikel wijst op de meest voorkomende tekenen die kunnen helpen om tot de overtuiging te komen over onze eigen roeping.

Opus Dei - Iets groots dat liefde is (IV): Hoe ontdekken we onze roeping?

De zon is ondergegaan in Judea. Nikodemus komt naar Jezus toe, op zoek naar antwoorden op de onrust in zijn hart. Terwijl hun gezichten worden verlicht door de flikkerende lamp, opent zijn gesprek met Jezus voor hem een nieuwe en mysterieuze wereld. De antwoorden van de Nazarener op zijn vragen doen hem versteld staan. Jezus vertelt hem: “De wind waait waar hij wil en je hoort het geluid ervan, maar je weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat; zo is het bij ieder die uit de Geest geboren is” (Joh 3,8). De roeping, elke roeping, is een mysterie en het ontdekken ervan is een geschenk van de Geest.

Het boek Spreuken zegt: ”Drie dingen zijn mij al te wonderbaarlijk; vier dingen begrijp ik niet: de weg van een arend door de lucht, de weg van een slang over de rots, de weg van een schip dwars door de zee en de weg van een man naar een jong meisje” (Spr 30, 18-19). Sterker nog, wie kan zonder Gods hulp de werking van de genade in een ziel ontcijferen, het doel ervan identificeren en de betekenis en de bestemming van een leven ontdekken? Wie zou, zonder zich te laten leiden door de gaven van de Heilige Geest, in staat zijn te weten waar deze goddelijke adem in de ziel “vandaan komt en waar hij naartoe gaat” deze goddelijke adem, die vaak hoorbaar is in de vorm van verlangens, onzekerheden, vermoedens en beloften? Dat is iets wat ons volledig overstijgt. Daarom is het eerste wat we nodig hebben om een glimp op te vangen van onze persoonlijke roeping: nederigheid; op onze knieën vallen voor het onuitsprekelijke, ons hart openstellen voor de werking van de Heilige Geest, die altijd in staat is ons te verrassen.

Kardinaal Ratzinger: “Hoeveel wegen naar God zijn er? Er zijn evenveel wegen als er mensen zijn.”

Om onze eigen roeping te ontdekken, of iemand anders daarbij te helpen, is het dus onmogelijk om “kant-en-klare formules, starre methoden of regels aan te bieden”.[1] Dat zou hetzelfde zijn als te proberen "rails te leggen op de altijd unieke weg van de Heilige Geest"[2] die waait waar hij wil. Kardinaal Ratzinger werd ooit gevraagd: “Hoeveel wegen naar God zijn er?” Met ontwapenende eenvoud antwoordde hij: “Er zijn evenveel wegen als er mensen zijn”.[3] Er zijn evenveel geschiedenissen van roepingen als er mannen en vrouwen zijn. Hieronder zullen we, om te helpen ze te herkennen, enkele van de meest voorkomende tekenen op die weg laten zien om een overtuiging over de eigen roeping te bereiken.

Een rusteloos hart

Nikodemus voelt onrust in zijn hart. Hij heeft Jezus horen prediken en is ontroerd door zijn woorden. Toch hebben sommige van zijn leerstellingen hem geschokt. Hij heeft zijn wonderen met verbazing aanschouwd, ja, maar hij is verontrust door het gezag waarmee Jezus de kooplieden uit de tempel verjaagt die Hij ‘het huis van mijn Vader’ noemt (vgl. Joh 2,16). Wie durft er zo te spreken? Van de andere kant kan hij nauwelijks een geheime hoop onderdrukken: zou dit de Messias kunnen zijn? Maar hij zit nog vol onzekerheden en twijfels. Hij kan het niet opbrengen om Jezus openlijk te volgen, hoewel hij antwoorden zoekt. En daarom gaat hij 's nachts naar Hem toe: “Rabbi, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is.” (Joh3,2). Zijn hart is onrustig.

Hetzelfde gebeurt met andere personages in het Evangelie, zoals die jongeman die op een dag naar Jezus kwam en Hem vroeg: “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” (Mt 19,16). Hij is niet tevreden met zijn leven. Zijn hart is onrustig. Hij voelt dat hij tot meer in staat is. Jezus zegt dat hij gelijk heeft dat hij zoekende is: ‘Eén ding ontbreekt u ...’ (Mc 10,21). We kunnen hier ook denken aan de apostelen Andreas en Johannes. Als Jezus ziet dat zij Hem volgen, vraagt Hij: ‘Wat verlangt Gij?’ (Joh 1,38). Al deze mensen waren ‘zoekenden’. Zij wachtten op een wonderbaarlijke wending in hun leven die het tot een avontuur zou maken. Hun hart was open en hongerig naar meer, vol dromen en verlangens. Rusteloos.

Een jongeman vroeg eens aan de heilige Jozefmaria hoe je de roeping tot het Werk kon merken. Hij antwoordde: "Het is geen kwestie van gevoel, mijn zoon, hoewel je het merkt wanneer God roept. Je hart is niet rustig, onvoldaan ... Je bent niet gelukkig met jezelf."[4] Vaak begint in het proces van het zoeken naar je eigen roeping alles met die onrust in je hart.

Een liefdevolle aanwezigheid

Maar wat is die rusteloosheid precies? Waar komt ze vandaan? Bij de scene van de jongeman die onze Heer opzoekt, zegt de heilige Marcus dat Jezus hem liefdevol aankeek (Mc 10,21). Hij doet hetzelfde met ons. Op de een of andere manier voelen we in onze ziel de ‘aanwezigheid’ van een bijzondere liefde die ons uitkiest voor een unieke zending. God is aanwezig in ons hart en zoekt de ‘ontmoeting’, gemeenschap. Dit doel moet echter nog worden bereikt, en dat is de reden voor onze rusteloosheid.

De roep trekt ons aan en stoot ons af; hij spoort ons aan ons over te geven aan de goddelijke liefde, terwijl het risico onze vrijheid te verliezen ons beangstigt

Deze liefdevolle aanwezigheid van God in de ziel kan zich op verschillende manieren manifesteren: de honger naar meer intimiteit met Hem; het verlangen om door je eigen leven Gods dorst naar zielen te bevredigen; het verlangen om de Kerk, Gods familie in de wereld, op te bouwen; het verlangen naar een leven waarin onze talenten werkelijk vrucht dragen; de droom om zoveel leed overal te verzachten; het bewustzijn van de vele ontvangen gaven: "Waarom heb ik zoveel ontvangen en anderen zo weinig?”

Gods roeping kan ook geopenbaard worden door schijnbare toevalligheden die ons hart beroeren en er een afdruk achterlaten. Bij het nadenken over zijn eigen leven zei de heilige Jozefmaria: "Onze-Lieve-Heer heeft mij ondanks mijzelf voorbereid en schijnbaar onschuldige dingen gebruikt om die goddelijke rusteloosheid in mijn ziel te blazen. Zo begreep ik heel goed dat de liefde, zo menselijk en zo goddelijk, die de heilige Theresia van het Kindje Jezus ontroerde toen ze bladerend door een boek plotseling een afbeelding van één van de gewonde handen van de Verlosser tegenkwam. Zulke dingen overkwamen mij ook: dingen die mij ontroerden."[5]

Deze liefdevolle aanwezigheid wordt soms ook ontdekt door mensen of door manieren om het evangelie te beleven en die een blijvende goddelijke indruk in onze ziel achterlaten. Want, hoewel het soms een onverwachte gebeurtenis of ontmoeting is die ons leven verandert, krijgt onze roeping meestal vorm door de manier waarop we ons leven tot nu toe hebben geleefd. Tot slot kunnen woorden uit de Heilige Schrift ons hart verwonden en een liefdevolle geur achterlaten die ons hele leven lang blijft hangen. Dat is wat er gebeurd is met de heilige moeder Teresa van Calcutta bijvoorbeeld, met een van de woorden van Jezus aan het kruis: ‘Ik heb dorst’ (Joh 19,28); of met de heilige Franciscus Xaverius, voor wie deze vraag doorslaggevend was: “Wat voor nut heeft het voor de mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven?” (Mt 16,26).

Maar het meest kenmerkend voor deze onrust in het hart is misschien wel dat die gekenmerkt wordt door wat we een ‘onaangename sympathie’ zouden kunnen noemen. Zoals de heilige Paulus VI heeft gezegd, komt Gods roeping tot ons als "een stem die tegelijk verontrustend en geruststellend is, een zachtaardige en dwingende stem, een vervelende en toch liefdevolle stem".[6] De roep trekt ons aan en stoot ons af; hij spoort ons aan ons over te geven aan de goddelijke liefde, terwijl het risico onze vrijheid te verliezen ons beangstigt. "We verzetten ons ertegen om 'ja' te zeggen tegen God; we willen en tegelijkertijd willen we ook niet.”[7]

Het verbinden van de losse stippen in ons gebed

Zijn onrust zet Nikodemus ertoe aan naar Jezus te gaan. De beminnelijke figuur van onze Heer is zijn hart al binnengekomen; hij is al begonnen Hem lief te hebben, maar hij moet met Hem spreken. In de dialoog die volgt, opent de Meester nieuwe horizonten voor hem: “Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan” en Hij nodigt hem uit tot een nieuw leven, tot een nieuw begin; om geboren te worden "uit het water en de Geest" (Joh 3,5). Nikodemus begrijpt de woorden van onze Heer niet en vraagt in alle eenvoud: “Hoe kan dat geschieden?” (Joh 3,9) In deze ontmoeting van aangezicht tot aangezicht begint hij te beseffen wie hij voor Jezus is en wie Jezus voor hem zou moeten zijn.

Om de rusteloosheid van het hart een relevante betekenis te geven in het onderscheiden van iemands roeping, moet deze worden ‘gelezen’, gewaardeerd en geïnterpreteerd in het gebed, in de dialoog met God: "Waarom gebeurt dit nu, Heer? Wat probeert U mij te vertellen? Waarom heeft mijn hart deze wensen en verlangens? Waarom ben ík hier zo ontredderd door en zijn de mensen om mij heen níet geraakt? Waarom houdt U zo veel van mij? Hoe kan ik het beste gebruik maken van de geschenken die U mij gegeven hebt?" Alleen met deze gewoonte om te bidden kunnen we een glimp opvangen van de liefdevolle zorg van God – zijn Voorzienigheid –, in de gebeurtenissen in ons leven, in de mensen die we hebben ontmoet, en zelfs in de manier waarop ons karakter is gevormd, met onze interesses en aanleg. Het is alsof God op ons levenspad ‘stippen heeft getekend’, die nu pas, door ze te verenigen in het gebed, de vorm van een herkenbaar beeld aannemen.

Het eerste en fundamentele punt is om in het gebed dichter bij Jezus te komen en met zijn ogen naar je eigen leven te leren kijken.

Benedictus XVI heeft het zó uitgelegd: “Het geheim van de roeping ligt in de relatie met God, in het gebed dat zich juist in de innerlijke stilte ontwikkelt, in het vermogen om te horen dat God dichtbij is. En dat geldt zowel vóór de beslissing, dat wil zeggen op het moment van de beslissing en aan het begin van de weg, als erna, als je trouw wilt zijn en wilt volharden op de weg.”[8] Dus voor iemand die zich afvraagt wat zijn roeping is, is het eerste en belangrijkste, in het gebed dicht bij Jezus te komen en je leven te leren zien door zijn ogen. Misschien zal je dan ervaren wat er gebeurd is met de blinde wiens ogen Jezus met speeksel gezalfd heeft. Aanvankelijk is zijn blik wazig, en de mensen lijken op wandelende bomen. Maar hij laat onze Heer begaan en ziet uiteindelijk alles helder (vgl. Mc 8,22-25).

De ‘ontsteker’, de ‘trigger’

Twee jaar na die nachtelijke ontmoeting met Jezus vindt er een gebeurtenis plaats die Nikodemus zal dwingen een definitief standpunt in te nemen en zich openlijk als een leerling van onze Heer bekend te maken. Op aandringen van de hogepriesters en farizeeën, kruisigt Pilatus Jezus van Nazareth. Jozef van Arimathea krijgt toestemming om zijn lichaam af te nemen en te begraven. De heilige Johannes vertelt: "Nikodemus, die Hem vroeger 's nachts bezocht had, kwam ook…"(Joh 19,39) Het Kruis van Onze-Lieve-Heer, zijn leerlingen die Hem in de steek hebben gelaten en misschien het voorbeeld van de trouw van Jozef van Arimathea, dagen Nikodemus persoonlijk uit en dwingen hem een beslissing te nemen: "Anderen doen dit; en ik, wat ga ík voor Jezus doen?”

Een detonator is een klein gevoelig explosief, meestal geactiveerd door een zekering of elektrische vonk, dat het krachtigere en minder gevoelige hoofdexplosief tot ontploffing brengt. Bij het zoeken naar de roeping is er vaak een gebeurtenis die fungeert als een ‘ontsteker’ of trigger voor alle onrust in ons hart, er een precieze betekenis aan geeft en de weg wijst met de impuls om die te volgen. Deze gebeurtenis kan van zeer verschillende aard zijn en de emotionele lading kan in grootte verschillen. Het belangrijkste is dat die gebeurtenis, net als de rusteloosheid in het hart, moet worden ‘gelezen’ en geïnterpreteerd in het gebed.

De trigger kan een goddelijke beweging in de ziel zijn, of een onverwachte ontmoeting met het bovennatuurlijke, zoals gebeurde met paus Franciscus toen hij bijna 17 was. Het was september en hij stond op het punt enkele vrienden te ontmoeten om uit te gaan en zich te vermaken. Hij besloot eerst even in zijn parochiekerk binnen te gaan. Daar zag hij een hem onbekende priester, raakte onder de indruk van diens gebedshouding, en besloot bij hem te biechten. "In die biecht is mij iets vreemds overkomen. Ik weet niet wat het was, maar het veranderde mijn leven; ik zou zeggen dat ik ‘overrompeld’ werd.” Zo herinnerde hij het zich na een halve eeuw. En hij interpreteerde het zo: “Het was een verrassing, de verbijstering van een ontmoeting; ik realiseerde me dat er op mij werd gewacht. Vanaf dat moment is God voor mij degene die 'het eerst handelt'. We zoeken Hem, maar Hij zoekt ons eerst. We willen Hem vinden, maar Hij vindt ons het eerst".[9]

Soms is de trigger het voorbeeld van de overgave van een goede vriend: "Mijn vriend heeft zichzelf aan God gegeven; wat doe ík?" Of het kan een hartelijke uitnodiging zijn om een vriend op een bepaalde weg te vergezellen: ‘Kom dan kijken,’ zoals Filippus Natanael bemoedigde (Joh 1,46). Of het kan zelfs een schijnbaar onbeduidende gebeurtenis zijn, maar wel een gebeurtenis die een betekenis heeft voor een rusteloos hart. God weet zelfs gebruik van heel kleine dingen te maken om onze ziel te beroeren. Zoals gebeurde met de heilige Jozefmaria toen, na een hevige sneeuwval, de Liefde van God hem kwam zoeken.

In plaats van een plotselinge ‘ontploffing’ gaat dit proces echter vaak gepaard met een langzame rijping van het geloof en de liefde door het gebed. Beetje bij beetje, bijna zonder het te beseffen, bereikt een mens, met het licht van God, de morele zekerheid over zijn of haar roeping en neemt hij of zij een beslissing, met de impuls van de genade. De zalige John Henry Newman beschrijft meesterlijk het proces van zijn eigen bekering: “Zekerheid is ogenblikkelijk, die wordt op een bepaald moment gegeven; maar twijfel is een proces; ik was nog niet helemaal zeker. Zekerheid is een reflexieve werking; je weet dat je het weet. Ik geloof dat ik dat niet had, tot vlak voor mijn opname in de katholieke Kerk ... Maar wie kan het exacte moment bepalen waarop het idee dat je hebt, net als de gewichten van een weegschaal, begint te verschuiven? En wat eerst waarschijnlijker was in een positieve twijfel omslaat?”[10] Het geleidelijke proces van rijping in het besluit om zich te geven, dat beetje bij beetje en zonder een plotselinge ‘schok’ plaatsvindt, is in de praktijk meestal veel zekerder dan wat wordt uitgelokt door de briljante flits van een extern teken dat ons gemakkelijk kan verblinden en verwarren.

Hoe dan ook, wanneer we dit ‘keerpunt’ in ons leven beleven, beginnen we niet alleen onze weg duidelijk te zien, maar wordt ook onze wil bewogen om deze in te slaan. Zoals de heilige Jozefmaria schreef: "Als u mij zou vragen hoe de goddelijke roeping wordt ervaren, hoe men zich daarvan bewust wordt, zou ik zeggen dat het een nieuwe kijk op het leven is. Het is alsof er een nieuw licht in ons schijnt, een mysterieuze impuls.”[11] De roeping bestaat uit licht en impuls. Licht in onze geest, verlicht door het geloof, om ons leven te ‘lezen’; impulsen in ons hart, met de liefde van God in het achterhoofd, om de uitnodiging van onze Heer te willen volgen, ook al is het met de ‘pijnlijke oproep’ die vaak de zorgen van God markeert. Daarom moet ieder mens niet alleen vragen om "licht om zijn weg te zien, maar ook om de kracht om zich te willen verenigen met de goddelijke wil.”[12]

De hulp van de geestelijke begeleiding

We weten niet of Nikodemus, voor of na het bezoeken van Jezus, andere leerlingen om advies heeft gevraagd. Misschien was het Jozef van Arimathea zelf die hem aanmoedigde om Jezus openlijk te volgen, zonder de andere Farizeeën te vrezen. Zo zou hij hem naar zijn definitieve ontmoeting met Jezus hebben geleid. Dat is wat de geestelijke begeleiding of leiding inhoudt: het kunnen vertrouwen op de raad van iemand die met ons meeloopt; iemand die probeert te leven in harmonie met God, die ons goed kent en het beste voor ons wil.

Het is waar dat de roeping altijd iets is tussen God en mij. Niemand kan voor mij mijn roeping zien. Niemand kan voor mij beslissen. God richt zich tot míj, nodigt míj uit en geeft míj de vrijheid om te antwoorden en Zijn genade om deze weg te volgen. Toch is het in dit proces van onderscheiden en beslissen een grote hulp om te kunnen vertrouwen op een deskundige gids; onder andere om te bevestigen dat ik de vereiste objectieve kwaliteiten bezit om deze weg in te slaan en om de oprechtheid van mijn intentie te verzekeren bij het nemen van de beslissing om mezelf aan God te geven. Van de andere kant, zoals de Catechismus leert, kan een goede geestelijk leidsman een leraar van het gebed worden[13]: iemand die ons helpt om in ons gebed de verlangens van ons hart en de gebeurtenissen in ons leven te lezen, te laten rijpen en te interpreteren. Ook in deze zin kunnen we geholpen worden om onze eigen roeping te verduidelijken. Tenslotte is het iemand die ons misschien op een dag zal kunnen vertellen, zoals de heilige Johannes aan de heilige Petrus, toen hij in de verte die mens zag die vanaf de oever tot hen sprak: ‘Het is de Heer!’ (Joh 21,7).

Heilige Jozefmaria: “He merk je de goddelijke roep? Het is een nieuwe visie op het leven alsof er een licht wordt aangestoken.”

In ieder geval is dit onderscheidingsvermogen in grote mate een persoonlijke weg, en dat geldt ook voor de uiteindelijke beslissing. God zelf laat ons vrij. Zelfs na de ‘trigger’. Als de eerste stap eenmaal is gezet, duikt daarom de twijfel gemakkelijk weer op. God houdt nooit op ons te vergezellen, maar Hij blijft op een zekere afstand. Het is waar dat Hij alles gedaan heeft en zal blijven doen, maar nu wil Hij dat we de laatste stap zetten in volle vrijheid, met de vrijheid van liefde. Hij wil geen slaven, maar kinderen. En daarom blijft Hij op een discrete afstand, zonder zich aan ons geweten op te dringen, bijna zouden we kunnen zeggen als ‘waarnemer’. Hij houdt ons in de gaten en wacht geduldig en nederig op onze beslissing.

"Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen” (Lc 1, 31). Op het moment van stilte dat volgde op de aankondiging van de aartsengel Gabriel, leek de hele wereld zijn adem in te houden. De goddelijke boodschap was afgeleverd. De stem van God was al jaren in het hart van de Maagd te horen. Maar nu zweeg God. En Hij wachtte. Alles hing af van het vrije antwoord van dat jonge meisje in Nazareth. En Maria zei: "Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” (Lc 1,38) Jaren later, aan de voet van het kruis, zal Maria uit de handen van Nikodemus het levenloze lichaam van haar Zoon ontvangen. Wat een indruk zou het op deze jonge leerling achterlaten om te zien dat de Moeder van Jezus, te midden van zo'n immens verdriet, de wegen van God liefdevol weer aanvaardt: "Mij geschiede naar uw woord". Hoe kan men niet alles geven voor een liefde die zo groot is?

José Brage


[1] Heilige Jozefmaria, Brief van 6 -5-1945, nr. 42.

[2] Ibid.

[3] Joseph Ratzinger, Het Zout van de aarde, Ignatius Press, 1997, blz. 34.

[4] Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, Crónica, 1974, deel I, blz. 529.

[5] Heilige Jozefmaria, Meditatie, 14-2-1964. Aangehaald in Andrés Vásquez de Prada, Stichter van Opus Dei, deel. 1, blz. 67.

[6] Heilige Paulus VI, Homilie, 14-10-1968.

[7] Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, Crónica, 1972, blz. 460.

[8] Benedictus XVI, Ontmoeting met de jongeren in Sulmona, 4-7-2010.

[9] S. Rubin en F. Ambrogetti, De jezuïet: Gesprekken met Jorge Bergoglio, (Buenos Aires: Vergara, 2010), blz. 45.

[10] Zalige John Henry Newman, Apología pro vita sua, Macmillan, 1931, blz. 233.

[11] Heilige Jozefmaria, Brief, 9-1-1932.

[12] Fernando Ocáriz, Licht om te zien, kracht om te willen. Verkrijgbaar op opusdei.org

[13] Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2690.