Hem kennen en jezelf kennen (VI): Zijn taal is rijker dan de onze

God spreekt zachtjes en voortdurend. In de Heilige Schrift – in het bijzonder in de evangelies – en ook in ons innerlijk, rechtstreeks tot ons hart.

Opus Dei - Hem kennen en jezelf kennen (VI): Zijn taal is rijker dan de onzeFoto: Benjamin Davies, op unsplash.com.

God spreekt tot ons. Voortdurend. Hij spreekt met woorden en ook met daden. Zijn taal is veel rijker dan de onze. Hij is in staat om geheime bronnen in ons binnenste aan te boren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de mensen of gebeurtenissen om ons heen. God spreekt tot ons in de Schrift, in de liturgie, door het leergezag van de Kerk... Omdat Hij altijd met liefde naar ons kijkt, zoekt Hij in elke gebeurtenis de dialoog met ons door ons steeds op te roepen heilig te worden. Om die mysterieuze taal van God te kunnen horen proberen we altijd ons gebed te beginnen met een acte van geloof.

Vanuit ons hart

God spreekt door op onze vermogens in te werken, die Hij van binnenuit kan bewegen: onze intelligentie door middel van ingevingen; ons hart door middel van gevoelens; onze wil door middel van voornemens. Daarom kunnen we, zoals de heilige Jozefmaria ons heeft geleerd, aan het einde van ons gebed zeggen: “Ik dank U, mijn God, voor de goede voornemens, gevoelens en ingevingen die U mij in deze tijd van gebed hebt gegeven.”

We kunnen weten of iets van God komt, als het ons ertoe brengt meer van Hem en onze naasten te houden

Maar als we dit feit overwegen, kan er twijfel opkomen: hoe kan ik weten dat Hij het is die tot mij spreekt? Hoe kan ik weten dat die voornemens, gevoelens en ingevingen niet gewoon mijn eigen ideeën, verlangens en gevoelens zijn? Het antwoord is niet gemakkelijk. Bidden is een kunst die in de loop van de tijd en met hulp van de geestelijke begeleiding wordt geleerd. Maar we kunnen wel zeggen dat alles wat ons ertoe brengt Hem en de anderen meer lief te hebben, zijn wil te vervullen – ook als dat opoffering en edelmoedigheid met zich meebrengt –, van God komt. De mensen die de gewoonte hebben om te bidden kunnen zeggen: “In mijn gebed denk ik aan dezelfde dingen waar ik overdag aan denk, maar met een verschil: ik eindig altijd met in mijn hart een ‘maar niet mijn wil geschiede, maar de Uwe’; en dat lukt niet altijd op andere momenten.”

God spreekt vaak rechtstreeks tot ons hart, waarvan Hij de taal kent als geen ander. Hij doet dat door diepe verlangens die Hij zelf erin legt. Daarom betekent het luisteren naar God vaak, ons eigen hart te onderzoeken en de moed te hebben Hem onze verlangens te laten zien, met de bedoeling te onderscheiden wat ons ertoe brengt Zijn wil te vervullen en wat niet. Wat verlang ik echt? Waarom? Waar komen deze verlangens vandaan? Waar leiden ze me naar toe? Ben ik mezelf aan het bedriegen, door te doen alsof ze niet bestaan en ze te negeren? Tegenover deze vragen, die normaal zijn voor wie een leven van gebed wil leiden, beveelt paus Franciscus aan: “Om je niet te vergissen, is het nodig (…) je af te vragen: ken ik mezelf, afgezien van mijn uiterlijk en mijn gevoelens? Weet ik wat mijn hart vreugde schenkt en wat het droevig stemt?”[1]

Behalve dat God direct tot ons hart en onze intelligentie spreekt, doet Hij dat ook tot onze inwendige zintuigen: Hij spreekt tot onze verbeelding door een scène of een beeld op te roepen; Hij spreekt tot ons geheugen door een herinnering of een paar woorden die een antwoord op ons gebed of een teken van wat Hij wil kunnen zijn. Zo gebeurde het bijvoorbeeld met de heilige Jozefmaria op 8 september 1931. Hij was aan het bidden in de kerk van het Patronaat van de Zieken, zonder veel zin – zoals hijzelf ons zegt – terwijl zijn verbeelding haar eigen gang ging, “toen ik besefte dat ik zonder het te willen enkele woorden in het Latijn herhaalde, die ik nooit had opgemerkt en die ik niet in mijn geheugen had willen opslaan: zelfs nu zal ik ze, om ze te onthouden, moeten lezen op het papiertje, dat ik altijd in mijn zak heb om op te schrijven wat God wil. (…) (instinctief, uit gewoonte, noteerde ik meteen daar in de kerk de zin, zonder er belang aan te hechten): de woorden van de Schrift die ik op mijn lippen ontdekte waren: et fui tecum in omnibus ubicumque ambulasti, firmans regnum tuum in aeternum (Ik ben overal waar jij gaat met jou, om jouw rijk voor altijd te vestigen). (2 Re 7,9)

Ik gebruikte mijn intelligentie om de zin te begrijpen en herhaalde die langzaam. En daarna, gisteravond, vandaag, bij het herlezen van deze woorden (want, herhaal ik, ik herinner me ze niet allemaal tegelijk, alsof God vastbesloten was te bevestigen dat ze van Hem kwamen), heb ik goed begrepen dat Christus Jezus me, om ons te troosten, te verstaan gaf dat ‘het Werk van God overal met Hem zal zijn, om het Rijk van Jezus Christus voor altijd te vestigen’”.[2]

Om tot ons te spreken kan God zich ook bedienen van de aantekeningen die we in een reeks van bezinningsdagen of in een vormingsactiviteit maken, vooral als we ze in het gebed opnieuw lezen om te proberen de betekenis ervan te begrijpen. Daar zullen we misschien een rode draad of herhalingen kunnen ontdekken die ons op het spoor zetten van wat de Heer ons wil zeggen.

Een onophoudelijk gefluister

Het is waar dat de Heer soms duidelijk en op een bovennatuurlijke manier spreekt, maar dat is meestal niet het geval. Gewoonlijk spreekt God zachtjes en daardoor merken we soms niet de kleine geschenken – voornemens, gevoelens, ingevingen – die Hij ons in een oprecht gebed aanbiedt. Het kan met ons gaan als met de Syrische legeroverste Naäman die, toen de profeet Elisa hem aanspoorde om zeven keer in de rivier te baden om van zijn lepra te genezen, klaagde: “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van Jahwe zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen” (2 Kon 5,11). Naäman ging naar de God van Israël, maar hij verwachtte iets opvallends, zelfs opzienbarends. Gelukkig brachten zijn dienaren hem tot nadenken: “Gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had u het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt dat u zich maar hoeft te wassen om weer rein te worden?” (2 Kon5,13). De legeroverste ging terug om de raadgeving, die ogenschijnlijk te alledaags was, in praktijk te brengen en op deze manier ondervond hij de reddende kracht van God. Het is goed om in het gebed die kleine lichtjes m.b.t. wat we al weten te waarderen, de Heilige Geest die ons inspireert tot dat van altijd, de onopvallende gevoelens, de gemakkelijke voornemens, zonder ze te minachten omdat ze heel gewoon, prozaïsch zijn, want dat alles kan van God komen.

Om de stem van de Heer in ons gebed te herkennen moeten we in onszelf keren en vaak ook stil zijn

Kardinaal Ratzinger heeft op een vraag over het gebed als volgt geantwoord: “In het algemeen spreekt God niet luidkeels. Maar Hij doet het wel steeds weer. Het komt er natuurlijk ook op aan dat de ontvanger, om het maar zo te noemen, op de zender staat afgesteld. In onze tijd hebben we door onze huidige manier van leven en denken zoveel stoorzenders dat we het signaal niet kunnen horen. (…) Hij spreekt natuurlijk niet luidkeels, maar Hij spreekt door tekens en voorvallen in ons leven, door medemensen. Enige oplettendheid hoort daar bepaald bij en ook dat men zich niet helemaal in beslag laat nemen door allerlei oppervlakkige zaken”.[3] Dit vermogen tot oplettendheid heeft veel te maken met de innerlijke – soms ook uiterlijke – ingetogenheid en het is iets waarin we ons moeten trainen. Om God op te kunnen merken moeten we voor momenten zorgen waarop we een pauze inlassen in onze dagelijkse beslommeringen en de kracht van de eenzaamheid met Hem niet uit de weg gaan. We hebben stilte nodig.

De waarheid is dat God op duizend manieren tot ons spreekt. Het kan gebeuren dat we zo gewend zijn aan zijn gaven dat we die niet meer opmerken, dat we Hem niet herkennen, zoals in de vaderstad van Jezus het geval was: “Is Hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jacobus, Jozef, Simon en Judas? Wonen zijn zusters niet allen bij ons?” (Mt 13,55-56). We moeten de Heilige Geest vragen onze pupillen te verwijden, onze oren te openen, ons hart te zuiveren en ons geweten te verlichten, opdat we zijn onophoudelijke gefluister, dat onvergankelijke gedruis in ons binnenste kunnen herkennen.

God heeft het eerst tot ons gesproken

Wanneer Jezus de leerlingen van Johannes de Doper antwoordt door de tekens die Hij doet op te noemen – “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd” (Mt 11,5) – kondigt Hij de vervulling aan van de oude profetieën over de Messias in de Heilige Schrift. God heeft reeds tot ons gesproken en spreekt tot ieder van ons op een voortreffelijke manier, door middel van de Heilige Schrift: “In de heilige boeken treedt de Vader die in de hemel is liefdevol zijn kinderen tegemoet en spreekt met hen”.[4] Daarom “moet het gebed gepaard gaan met het lezen van de Heilige Schrift, zodat er een dialoog tussen God en de mens kan plaatsvinden; want ‘tot Hem spreken wij wanneer wij bidden, en naar Hem luisteren wij wanneer wij de goddelijke woorden lezen’ (heilige Ambrosius)”.[5] De woorden van de Bijbel zijn niet alleen door God geïnspireerd, maar ze inspireren ons ook over God. Op een bijzondere manier horen we God in de evangelies, die de woorden en daden van onze Heer Jezus Christus weergeven. Zo benadrukt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën het: “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon” (Heb 1,1-2). De heilige Augustinus beschouwde het evangelie als “de mond van Christus: Hij is gezeten in de hemel, maar Hij houdt niet op met spreken op aarde”.[6] Daarom leeft ons gebed van de overweging van het evangelie; door Gods woorden te lezen, te overwegen, te herlezen, ze in ons geheugen te griffen, spreekt God tot ons hart.

De voortdurende overweging van het Evangelie helpt veel om die woorden die God tot ieder van ons richt te ontdekken

De heilige Jozefmaria heeft, in navolging van de traditie van de Kerk, voortdurend aanbevolen door de overweging van de evangelies naar God te luisteren: “Ik raad u aan [in uw gebed] in zo'n passage uit het evangelie op te treden: een personage meer. Vorm u eerst een beeld van het tafereel of het geheim dat u zal helpen uw gedachten te verzamelen en te mediteren. Laat daarna uw verstand zijn werk doen bij het beschouwen van een aspect van het leven van de Meester: zijn vertederd Hart, zijn nederigheid, zijn zuiverheid, zijn onderworpenheid aan de Wil van de Vader. Zeg Hem daarna, wat u gewoonlijk op dat terrein overkomt, wat er bij u gebeurt, wat er aan de hand is. Blijf opletten. Hij probeert u misschien ergens op te wijzen. Zo komen ook die inwendige roerselen, die ontdekkingen en vermaningen naar boven”.[7] Onze inspanning komt tot uiting in concrete daden: ons het tafereel voorstellen, een rol spelen in de passages, een eigenschap van de Meester overwegen, Hem vertellen wat ons gebeurt… en daarop kan dit antwoord van God volgen: ons op het een of ander wijzen, innerlijke bewegingen in onze ziel opwekken, ons van iets bewust maken. Zo wordt de dialoog met Hem gevoerd. Een andere keer ook heeft de heilige Jozefmaria ons aangemoedigd Jezus Christus te beschouwen en na te volgen met deze woorden: “Speel een personage in dat goddelijke toneelstuk, en doe iets. Beschouw de wonderen van Christus, hoor het komen en gaan van de menigte die Hem omringt, wissel woorden van vriendschap uit met de eerste Twaalf... Kijk de Heer in de ogen en word verliefd op Hem, zodat je een andere Christus kunt worden”.[8] Het overwegen, luisteren, woorden van vriendschap uitwisselen, kijken … zijn handelingen die vereisen dat we onze vermogens en zintuigen, onze verbeelding en intelligentie inzetten en laten werken. Want ieder van ons is daar aanwezig, op elke bladzijde van het evangelie. Elke scène, elke daad van Jezus geeft betekenis aan mijn leven en werpt er licht op. Zijn woorden zijn tot mij gericht en zijn de grondslag van mijn bestaan.

José Brage


[1] Paus Franciscus, apostolische exhortatie Christus vivit, 25-3-2019, nr. 285.

[2] Heilige Jozefmaria, Intieme aantekeningen, nr. 273; in Andrés Vázquez de Prada, The Founder of Opus Dei, deel 1.

[3] Joseph Ratzinger, Zout der aarde, uitgever ten Have, Leuven, blz. 32-33.

[4] Tweede Vaticaans Concilie, dogmatische constitutie Dei Verbum, nr. 21. Vgl. CKK, nr. 2700.

[5] Ibid., nr. 25. Vgl. CKK, nr. 2653.

[6] Heilige Augustinus, Preek 85, 1.

[7] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 253.

[8] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een meditatie, 12-10-1947.