Hem kennen en jezelf kennen (V): Hoe God tot ons spreekt

De taal van het gebed is mysterieus: we kunnen het niet beheersen, maar beetje bij beetje ervaren we dat het ons hart verandert.

Opus Dei - Hem kennen en jezelf kennen (V): Hoe God tot ons spreekt

De taal van het gebed is mysterieus: we hebben er geen controle over, maar we merken beetje bij beetje dat ons hart erdoor veranderd wordt.

Het gebied van Perea, ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië. Op de top van een berg die zich 1100 meter boven de Dode Zee verheft staat het imposante fort van Massada. Daar heeft Herodes Antipas Johannes de Doper gevangengezet (vgl. Mc 6,17).[1] De kerker, koud en vochtig, is in de rots uitgehakt. Alles is donker. Er heerst stilte. Johannes wordt gekweld door een gedachte: de tijd gaat voorbij en Jezus openbaart zich niet met de duidelijkheid die hij verwachtte. Hij heeft bericht gekregen over de werken van Jezus (vgl. Mt 11,2), maar Hij lijkt niet over zichzelf te spreken als de Messias. En als men Hem er direct naar vraagt, zwijgt Hij. Is het mogelijk dat Johannes zich heeft vergist? Maar hij had het toch duidelijk gezien! Hij heeft de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en op Hem blijven rusten! (vgl. Joh 1,32-43). Dus, onzeker, stuurt hij een paar leerlingen om de Meester te vragen: “Zijt Gij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?” (Mt 11,3).

Jezus antwoordt op een onverwachte manier. In plaats van een direct antwoord te geven, richt Hij de aandacht op zijn werken: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd” (Mt 11,5). Een enigszins onduidelijk antwoord, maar een dat duidelijk genoeg is voor degenen die de tekens kennen die de oude profetieën van de Heilige Schrift hadden aangekondigd als kenmerkend voor de Messias en zijn Koninkrijk: “Uw doden zullen herleven, hun gestorven lichamen weer opstaan” (Jes. 26,19). Of “dan worden de ogen van de blinden ontsloten en de oren van de doven geopend” (Jes 35,5). Daarom, om Johannes aan te moedigen te vertrouwen, eindigt de Heer met: “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” (Mt 11,6).

In deze scène kunnen we de situatie herkennen van iemand die, net als Johannes, gelooft dat hij God in het gebed niet hoort. Het is dán dat Jezus ons uitnodigt om ons perspectief te veranderen, het zoeken naar menselijke zekerheden los te laten en dat mysterieuze spel te beoefenen waarin de Heer spreekt door zijn werken en door de Heilige Schrift. In die laatste woorden – “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” – ontdekken we een oproep om met geloof te volharden in het gebed, al antwoordt God ons soms niet zoals wij verwachten.

Gebaren die de stilte kunnen doorbreken

WEES OP JE HOEDE VOOR DE VERLEIDING OM TE DENKEN: ALS GOD MIJ NIET ANTWOORDT, WAAROM ZOU ik DAN BIDDEN?

Wie begint met de gewoonte om gebed te doen, moet vaak de schijnbare stilte van God onder ogen zien: “Ik praat met Hem, ik vertel Hem mijn dingen, ik vraag Hem wat ik moet doen, maar Hij geeft geen antwoord, Hij zegt niets tegen mij”. Dit is de oude klacht van Job: “Roep ik om hulp, Gij antwoordt niet al ziet Gij mij goed staan” (Jb 30,20). Het is dan gemakkelijk om van streek te raken: “Ik heb altijd horen zeggen dat bidden een dialoog is, maar tegen mij zegt God niets. Waarom? Als, zoals ze zeggen, God tot andere mensen spreekt... waarom dan niet tot mij? Wat doe ik verkeerd?”. De twijfels van iemand die bidt kunnen op sommige momenten een bekoring tegen de hoop worden: “Als God mij niet antwoordt, waarom zou ik dan bidden?” Of zelfs, als die stilte wordt opgevat als afwezigheid, een bekoring tegen het geloof: “Als God niet tot mij spreekt, dan is Hij er dus niet”.

Wat valt hierop te zeggen? Ten eerste, dat het ontkennen van het bestaan van God vanwege zijn schijnbaar stilzwijgen niet logisch is. God kan, om welke reden dan ook, kiezen om te zwijgen en dat voegt niets toe aan zijn bestaan of niet-bestaan, of aan zijn liefde voor ons. Het geloof in God – en in zijn goedheid – staat boven alles. In ieder geval kan het een gelegenheid zijn om met de psalmist vol geloof en vertrouwen te smeken: “God, hul Uzelf niet in zwijgen, blijf niet doof, God, niet onbewogen!” (Ps 83,2).

We hoeven ook niet te twijfelen aan ons vermogen om naar God te luisteren. Er zijn bronnen in het binnenste van de mens die hem, met de hulp van de genade, in staat stellen om de taal van God te horen, al is dat vermogen ook nóg zo verduisterd door de erfzonde en door onze eigen zonden. Het eerste hoofdstuk van de Catechismus van de Katholieke Kerk begint precies met deze uitspraak: “De mens is bekwaam door God aangesproken te worden”. De heilige Johannes Paulus II heeft dat zo verklaard: “De mens is, zoals de traditie van het christelijk denken zegt capax Dei: in staat God te kennen en hij kan God die zichzelf aan de mens schenkt aannemen. Geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God is hij daadwerkelijk in staat een persoonlijke relatie met Hem te beleven”.[2] Een persoonlijke relatie die de vorm aanneemt van een dialoog die bestaat uit woorden en gebaren.[3] En soms alleen uit gebaren, zoals ook het geval is in de menselijke liefde.

GOD SPREEKT PERMANENT tot ons DOOR ZIJN WERKEN EN ZIJN ACTIE IN ONZE ZIEL

Net zoals er bijvoorbeeld tussen twee mensen een stille dialoog kan zijn wanneer hun blikken elkaar kruisen – er zijn blikken die spreken –, zo kan het vertrouwvolle gesprek van de mens met God ook die vorm aannemen: “een kijken naar God en zich door Hem bekeken voelen. Zoals die blik van Jezus naar Johannes, die voor altijd de koers van het leven van de leerling bepaalde”.[4] De catechismus zegt dat “de contemplatie een blik van geloof is”[5] en vaak kan een blik waardevoller zijn en meer geladen met inhoud, liefde en licht voor ons leven dan een lange reeks woorden. De heilige Jozefmaria zei, juist over de vreugde die een contemplatief leven met zich meebrengt: “de ziel barst opnieuw uit in zingen en heft een nieuw gezang aan, want zij voelt en weet, dat God haar met verliefde blik beziet, elk uur van de dag”.[6]

Die blik voelen, en niet slechts het weten dat we gezien worden, is een gave die wij nederig kunnen afsmeken, als ‘mensen die om God bedelen’.[7]

Nooit heeft een mens zo gesproken

De heilige Moeder Teresa van Calcutta zei dat wij “in het mondgebed tot God spreken; in het mentale gebed spreekt Hij tot ons; Hij stort zich over ons uit”.[8] Dit is een manier om het onuitsprekelijke uit te leggen: God spreekt tot ons door zich over ons uit te storten. Want inderdaad is het gebed vol mysterie. Deze mysterieuze ontmoeting tussen God en de persoon die bidt vindt op vele manieren plaats, maar sommige daarvan zijn op het eerste gezicht niet duidelijk, niet helemaal te begrijpen of gemakkelijk vast te stellen. De Catechismus van de Kerk waarschuwt ons: “Wij moeten het hoofd bieden aan een bepaalde mentaliteit van ‘deze wereld’; zij doordringt ons als wij niet waakzaam zijn, zoals in de volgende gevallen: de opvatting dat alleen datgene waarheidsgehalte heeft, wat door de rede en door de wetenschap getoetst kan worden (welnu, bidden is een mysterie dat ons bewustzijn en het onbewuste te boven gaat).”[9] Net als Johannes de Doper verlangen we vaak naar een klaarblijkelijkheid die niet altijd mogelijk is op het gebied van het bovennatuurlijke.

De manier waarop God tot de ziel spreekt gaat ons te boven, we kunnen die niet volledig begrijpen: “Dit te vatten – het is mij te wonderbaar, te verheven; ik kan het niet bereiken” (Ps 139,6). In feite is ons alfabet niet Gods alfabet, is onze taal niet zijn taal, zijn onze woorden niet zijn woorden. Als God spreekt hoeft hij geen stembanden te laten trillen en de plaats waar hij gehoord wordt is niet het oor, maar de meest verborgen en mysterieuze plaats van ons wezen, die we soms het hart en andere keren het geweten noemen.[10] God spreekt volgens de werkelijkheid die Hij is en tot de werkelijkheid die wij zijn, zoals een ster zich niet verhoudt tot een andere ster met woorden, maar met de kracht van de zwaartekracht. God hoeft niet met woorden tot ons te spreken – hoewel Hij ook dat kan doen –; om ons zachtjes naar zich toe te trekken heeft Hij voldoende aan zijn werken en de geheime werking van de Heilige Geest in onze ziel, door ons hart te raken, onze gevoelens te bewegen of onze geest te verlichten. Misschien zijn we ons daar eerst niet eens van bewust, maar het verstrijken van de tijd zal ons helpen om deze uitwerkingen van zijn handelen in ons te onderscheiden: misschien zijn we geduldiger geworden, of begripvoller, of werken we beter, of waarderen we de vriendschap meer... kortom, we gaan iedere keer meer van God houden.

Daarom wijst de Catechismus van de Kerk er in het kader van het gebed op dat “de omvorming van het hart dat bidt het eerste antwoord op onze vraag is”.[11] Een omvorming die over het algemeen langzaam en geleidelijk verloopt, soms onmerkbaar, maar volkomen zeker, en die we moeten leren herkennen en waarderen. Dit is wat de heilige Jozefmaria deed op 7 augustus 1931: “Vandaag viert dit bisdom de Gedaanteverandering van onze Heer Jezus Christus. Toen ik in de Heilige Mis voor mijn intenties bad, besefte ik wat voor een innerlijke verandering God tijdens deze jaren in mij had bewerkt… En dat, ondanks mijzelf: zonder mijn medewerking, kan ik wel zeggen. Ik geloof dat ik het voornemen heb hernieuwd om mijn hele leven te richten op het vervullen van de goddelijke Wil”.[12] Deze innerlijke verandering, die we in het gebed inzien, is een manier waarop God spreekt... en wát een manier! Dan kunnen we begrijpen wat de dienaars van de farizeeën over Jezus zeiden: “Nooit heeft iemand zo gesproken als die man” (Joh 7,46). God spreekt zoals niemand anders dat kan: door ons hart te veranderen.

DE VRUCHTEN ALS WIJ MET LIEFDE VOLHARDEN IN ONZE GEBEDSTIJD

Het woord van God is doeltreffend (vgl Heb 4,12); het verandert ons, zijn werking in onze ziel gaat ons te boven. Zo zegt Jahweh zelf het door de mond van Jesaja: “Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter; zo zal het ook gaan met mijn woord, dat voortkomt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden” (Jes, 55,9-11). Deze mysterieuze doeltreffendheid nodigt ons ook uit tot nederigheid, die “een noodzakelijke houding is om voor ‘niets’ de gave van het gebed te ontvangen”[13], omdat ze ons helpt om te vertrouwen en ons open te stellen voor de werking van God.

De enorme vrijheid van God

God spreekt wanneer Hij wil. We kunnen de Heilige Geest niet dwingen en een vast stramien opleggen. Het ligt niet in onze macht om zijn actie in onze ziel te sturen. Een keer wees de heilige Jozefmaria erop dat Jezus Christus, aanwezig in het Tabernakel, “een Heer is die spreekt wanneer Hij wil, wanneer men dat het minst verwacht, en die concrete dingen zegt. Daarna zwijgt Hij, want Hij wil het antwoord van ons geloof en onze trouw”.[14] Inderdaad gaat men het gebed niet binnen door de deur van het gevoel – zien, horen, voelen – maar “door de nauwe poort van het geloof[15], dat we laten zien door de zorg en de volharding die we in onze gebedstijden inzetten. En hoewel we het soms niet onmiddellijk zien, dragen deze altijd vrucht.

Zo is het de stichter van het Opus Dei vele malen overkomen; bijvoorbeeld op 16 oktober 1931 zoals hij vertelt: “Ik wilde na de Mis gebed doen in de rust van mijn kerk. Het lukte me niet. In Atocha kocht ik een krant (de A.B.C.) en nam de tram. En nu, terwijl ik dit schrijf, heb ik niet meer dan één paragraaf van de krant kunnen lezen. Ik voelde het gebed van gevoel, overvloedig en vurig, opwellen. Zo was ik in de tram en tot ik thuiskwam”.[16] De heilige Jozefmaria probeert, blijkbaar zonder succes, gebed te doen op een rustige plek. Maar een paar minuten later, in de drukte van een overvolle tram, als hij het nieuws van de dag begint te lezen, wordt hij gegrepen door Gods genade en heeft hij, in zijn eigen woorden, ‘het meest intense gebed’ dat hij ooit heeft gehad.

Veel andere heiligen hebben getuigd van die vrijheid van God om tot de ziel te spreken wanneer Hij wil. De heilige Teresia van Jezus bijvoorbeeld legde het uit met het beeld van het hout en het vuur. Het was haar vaak gebeurd dat ondanks al haar inspanningen – het hout –, toch haar gebed – het vuur – niet tot stand kwam. Ze schrijft: “Ik lachte om mezelf en zag graag tot hoe weinig een ziel in staat is wanneer God niet steeds in haar bezig is. (…) Ook al legt zij (de ziel) hout op het vuur en doet zij van haar kant het weinige waartoe zij in staat is, gaat het vuur van haar liefde niet branden. (…) Dus een ziel, zelfs als ze zich het hoofd breekt bij het aanblazen en verzamelen van het hout, lijkt alles juist meer uit te doven. Ik denk dat het beter is om je helemaal over te geven dan om iets op eigen houtje te doen”.[17] God spreekt wanneer Hij wil.

Maar tegelijkertijd heeft God vele malen tot ons gesproken; beter nog, Hij houdt nooit op tot ons te spreken. In zekere zin is leren bidden, het leren herkennen van Gods stem in zijn werken, zoals Jezus zelf de heilige Johannes de Doper heeft laten zien. De Heilige Geest houdt niet op in ons binnenste te handelen. Daarom kon sint Paulus de Korintiërs eraan herinneren dat “niemand kan zeggen: ‘Jezus is de Heer’, tenzij door de Heilige Geest” (1 Cor 12,3). Dat vervult ons met vrede. Wie dit uit het oog verliest, kan gemakkelijk tot wanhoop vervallen: “Zij die op zoek zijn naar God langs de weg van het gebed, raken snel ontmoedigd, omdat zij niet inzien dat het gebed ook van de Heilige Geest komt en niet enkel van henzelf”.[18] Om nooit ontmoedigd te raken in het gebed is het nodig een groot vertrouwen te hebben in de Heilige Geest en in zijn veelvormige en mysterieuze werking in onze ziel: “Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe” (Mc 4, 26-27).

Joseph Brage


[1] Vgl. Flavius Josephus

[2] Heilige Johannes Paulus II, Algemene audiëntie, 26-8-1998.

[3] Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2567.

[4] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een meditatie, 9-1-1959 in Terwijl Hij onderweg tot ons sprak.

[5] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2715.

[6] Heilige Jozefmaria, homilie “Op weg naar heiligheid”, Vrienden van God, nr. 307.

[7] Vgl. heilige Augustinus, Preek 56,6,9.

[8] Heilige Moeder Teresa van Calcutta, De grootste liefde.

[9] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2727.

[10] “Het geweten is de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem in hem weerklinkt (Gaudium et spes, nr. 16)”, Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1776.

[11] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2739.

[12] Heilige Jozefmaria, Intieme aantekeningen, nr. 217, in Andrés Vázquez de Prada, The Founder of Opus Dei, dl I.

[13] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2559.

[14] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 18-6-1972.

[15] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2656.

[16] Heilige Jozefmaria, Intieme aantekeningen, nr. 334, in Andrés Vázquez de Prada, The Founder of Opus Dei, dl I.

[17] Heilige Teresia van Jezus, Het boek van haar leven, hfdst. 27.

[18] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2726.