God schept in ons een nieuw hart: huwelijk en apostolisch celibaat (I)

Hoe kunnen we Christus liefhebben, een levende Persoon die we niet zien. En hoe kunnen we anderen liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad? In het huwelijk en in het celibaat verandert de Heilige Geest ons hart om dit gelijk te maken aan het Hart van God.

Hebben degenen die tijdens Jezus’ verblijf op aarde met Hem omgingen zich in die jaren kunnen voorstellen dat ze op een gegeven moment zonder Hem verder zouden moeten? Toen ze Hem zagen sterven aan het kruis, konden ze zich toen al voorstellen hoe ze in zijn afwezigheid verder zouden gaan in al de jaren die nog voor hen lagen? Vroeg of laat moesten ze deze gedachten onder ogen zien. Misschien is dat de reden waarom ze elk moment koesterden. Veronica ontvangt de gelaatstrekken van Christus op een doek; de allerheiligste Maagd Maria, Maria Magdalena en de heilige Johannes die naast hen stond, hebben elk gebaar en elk woord van de Heer in hun hart gegrift. De andere apostelen hebben misschien ook geprobeerd zich deze momenten in te prenten, terwijl ze uit angst om herkend te worden van een afstand toekeken. In alle gevallen was de scheiding pijnlijk, want het is nooit gemakkelijk om afscheid te nemen van degene van wie je houdt.

Drie dagen na zijn dood komt Jezus echter terug. We kunnen ons de vreugde van de apostelen voorstellen. Misschien kregen ze weer hoop, een sterkere deze keer, dat ze de rest van hun leven bij de Meester konden blijven, in de zekerheid dat Hij hen nooit meer zou verlaten. De ontmoetingen met de Emmaüsgangers, met Maria Magdalena en met de andere leerlingen lijken hierop te wijzen. “Blijf bij ons” (Lc 24,29), smeekten degenen die Hem ontmoetten toen ze Jerusalem verlieten. Toch vraagt de Heer op verschillende manieren aan sommige personen Hem niet vast te houden. “Houd Mij niet vast”, vraagt Hij Maria Magdalena (Joh20,17), en bij de Emmaüsgangers “verdwijnt Hij uit hun gezicht” (Lc 24,31). Nadat Hij de apostelen zijn laatste lessen heeft gegeven, lijkt het erop dat Hij hen deze keer wél voorgoed verlaat: “Hij verwijderde zich van hen en werd ten hemel opgenomen” (Lc 24,51).

Hoe moeten we deze door Jezus zelf aangekondigde en gewilde scheiding opvatten? Meer nog: hoe kunnen we het begrijpen aangezien Hij toch niet meer onderworpen was aan de beperkingen van tijd en ruimte? De verrezen Jezus kon in een gesloten verblijfplaats verschijnen, met de leerlingen meelopen zonder door hen herkend te worden en in een oogwenk verdwijnen. Er waren geen afstanden meer die Hem van de zijnen scheidden, geen muren die Hem verhinderden aanwezig te zijn. Hij kon zijn waar Hij maar wilde, met wie Hij maar wilde, wanneer Hij maar wilde. En toch kiest Hij ervoor om weg te gaan. Net op het moment dat niets Hem meer bindt, net op het moment dat we zien hoe Hij zich zonder terughoudendheid laat zien, besluit Hij op te stijgen naar de hemel. Deze onverwachte keuze wijst ons op een nog dieper mysterie: zijn verlangen ons te leren op een andere manier lief te hebben.

Op een nieuwe manier liefhebben

Misschien hebben ook wij ons wel eens voorgesteld hoe opwindend het geweest zou zijn om Jezus rechtstreeks te zien en te horen, om in zijn tijd te leven, om Hem fysiek dichter bij ons te voelen. Net zoals bij de heilige Jozefmaria is gebeurd, kan ook bij ons wel eens een gedachte als deze zijn opgekomen: “Heer, ik wil U een omhelzing geven!”[1] Net als de leerlingen van Jezus op de dag van zijn hemelvaart, willen ook wij de betekenis van zijn afwezigheid begrijpen. Misschien kwamen op die dag de woorden die Christus enige tijd eerder had gesproken weer bij hen op: “Als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben” (Joh 14,3). Jezus zelf had hen verteld dat dit afscheid bedoeld was om ons naar een betere en deze keer definitieve plaats te brengen. Hij “gaat ons voor naar de Vader, hij stijgt op naar God in den hoge en nodigt ons uit Hem te volgen”.[2] Hoe verrassend het ook lijkt, zijn afwezigheid zal werken als een magneet, zodat we hier niet stil blijven staan, maar steeds dichter naar onze bestemming worden getrokken, de definitieve ontmoeting met Jezus.

De eerste mannen en vrouwen die de verrezen Heer volgden, moesten iets heel nieuws leren, iets wat niemand ooit eerder had hoeven doen: leren om van een levende persoon te houden, om echt in het hedenmet Hem om te gaan, maar zonder Hem fysiek bij zich te hebben. Ze moesten andere manieren ontdekken om met Hem te spreken en hun genegenheid te uiten. Jezus' vertrek naar de hemel luidt voor iedereen een nieuwe manier van liefhebben in. De leerlingen waren de eersten die dat moesten ontdekken, zoals alle christenen nu ervaren, omdat we niet op precies dezelfde manier van Jezus kunnen houden als van een andere persoon. Zo zijn bijvoorbeeld tegenover zijn echte aanwezigheid in de Eucharistie onze zintuigen niet in staat Hem te ontdekken: “Gezicht en tast en smaak vergissen zich in U”[3], herinnert de heilige Thomas van Aquino ons. Wat een bijzondere manier om vertrouwelijk met iemand te worden! Het is een proces dat niet in één klap zal plaatsvinden, noch zonder inspanning. “Oh, wie zal mij kunnen helpen!” ─ zei Johannes van het Kruis ─, die net als iedereen dit leerproces doormaakte. “Ik heb me echt aan U overgegeven; stuur me vanaf vandaag geen boodschappers meer, want ze weten niet hoe ze me moeten vertellen wat ik wil.”[4]

Leren omgaan met een God die zichzelf laat zien en tegelijkertijd zichzelf verbergt is geen kwestie van een dag, noch alleen een taak van ons eigen vernuft. Vanaf het allereerste begin hadden zelfs de apostelen een bijzondere hulp nodig om deze nieuwe manier van kennen en liefhebben te leren. Jezus beloofde hun die hulp, die de Heilige Geest zou zijn, want Hij is het die “hun de verrezen Heer toont, hen herinnert aan zijn woord en hun geest opent om zijn dood en verrijzenis te begrijpen. Hij doet hen het mysterie van Christus kennen (...) om hen te leiden naar de gemeenschap met God”.[5] Daarom vragen we de Heilige Geest in een beroemde hymne uit de christelijke traditie onze geestelijke vermogens op te wekken: “Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer, houd Gij bij ons uw intocht, Heer; vervul het hart dat U verbeidt, met hemelse barmhartigheid. (…) Verlicht ons duistere verstand, geef dat ons hart van liefde brandt en dat ons zwakke lichaam leeft vanuit de kracht die gij het geeft.”[6]

De heiligen, zowel degenen die getrouwd waren als degenen die het apostolisch celibaat beleefden, hebben het geleerd

Alle christenen, gehuwd of niet, jong en oud, priesters, religieuzen en leken, moeten dit spel leren om zich aangetrokken te weten door een God die op een bepaalde manier zich laat zien en zich verbergt. Misschien zien we bij hen die de gave van het celibaat hebben ontvangen of bij alleenstaanden duidelijker deze noodzaak om te leren liefhebben in geloof, omdat hun leven, dat net zo bestemd is om liefde te geven en te ontvangen, niet de fysieke aanwezigheid kent van een persoon met wie ze hun bestaan en hun intimiteit kunnen delen. Maar ook in het huwelijksleven is alleen Jezus Christus degene die de behoefte aan liefde van elke echtgenoot volledig vervult. Altijd is het in iedere mens, net als bij de eerste leerlingen, de Heilige Geest die deze omvorming mogelijk maakt.

Eduardo Ortiz de Landázuri[7], een arts die surnumerair was van het Opus Dei, getrouwd met Laura Busca, vertelde altijd dat hij van de heilige Jozefmaria vooral twee dingen had geleerd: om van alle mensen, met hun normale gebreken en beperkingen, te houden omdat hij in ieder van hen een kind van God zag; en ook om in de normale activiteiten van het dagelijks leven een bovennatuurlijke, geestelijke, goddelijke diepte te ontdekken. In beide gevallen gaat het erom verder te kijken dan de oppervlakte, verder dan wat zich voor onze ogen voordoet, en de werkelijke waarde van mensen en van zelfs de kleinste dingen te begrijpen. De heilige Jozefmaria heeft geschreven: “De meeste mensen hebben een vlakke visie, alleen gericht op de aarde, van twee dimensies. – Als je een bovennatuurlijk leven leidt, zul je van God de derde dimensie ontvangen: de hoogte, en daarmee het reliëf, het gewicht en de omvang.”[8] Deze nieuwe manier van naar de werkelijkheid kijken is vooral belangrijk in moeilijke tijden. Jaren later vertelde Eduardo in een krant hoe hij met zijn ziekte leefde, want hij had kanker gekregen. Naar aanleiding van zijn getuigenis schreef een andere patiënt hem een bedankbrief en vertelde hem hoe inspirerend hij het had gevonden, ook al was hij atheïst. Eduardo antwoordde: “Je kunt er zeker van zijn dat ik er als arts volledig van overtuigd ben dat de Heer altijd aan het bed van de zieken staat. Dat doet hen veel goed. Hun oren zijn veel gevoeliger en hun ogen zien veel verder”.[9]

De heiligen zijn meesters in het onderkennen van Gods discrete tekenen. Zij zijn degenen die het best geleerd hebben om op deze nieuwe manier te kijken, te begrijpen en lief te hebben. De heilige Jozefmaria leerde Gods aanwezigheid te herkennen in de meest banale dingen. In zijn jeugd, toen hij in de sneeuw de voetstappen van een karmeliet zag, werd de vonk van de roeping in hem ontstoken; in zijn eerste jaren als priester, toen hij van weinig middelen leefde, had hij de durf zijn engelbewaarder [bij gebrek aan een wekker] te vragen hem 's morgens wakker te maken; later, tijdens de Spaanse burgeroorlog, overwon hij een grote innerlijke tweestrijd toen hij een houten roos – een onderdeel van een altaarstuk uit een verwoeste kerk – vond, waardoor hij begreep dat hij door moest gaan op de ingeslagen weg. En later in zijn leven, als onderdeel van dit leerproces, richtte hij het huis waarin hij woonde graag in met voorwerpen die een besef van de aanwezigheid van God opwekten. Het was een nieuwe manier van omgaan met Jezus. De heiligen hebben geleerd zich door hun geestelijke vermogens te laten leiden en lief te hebben. Hun taak is het nu om zo het verlangen naar God op te wekken in degenen die devotie tot hen hebben.

Een proces dat met onze zwakheden rekening houdt

Als Jezus naar de hemel opstijgt en zijn Geest uitzendt om “alle dagen tot aan de voleinding der wereld” op een nieuwe manier bij ieder van ons te zijn (Mt 28,20), wat wilde Hij ons dan precies geven? Wat wil Hij ons nog steeds geven? Jezus kent onze moeilijkheden om Hem te kennen en lief te hebben. “Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden” (Heb 4,15), zegt Paulus. Jezus weet dat het verlangen naar verbondenheid [met Hem] dat in ons leeft verwond is door de zonde, die er vaak voor zorgt dat we maar aarzelend handelen, met onjuiste verwachtingen, met een verkeerd besef van onze eigen waarde. En de Heilige Geest komt om dat verlangen dat wij allen, single en getrouwd, hebben om liefde te geven en te ontvangen, te helen. God komt om het ons gemakkelijker te maken de ware bron van het leven, die Hijzelf is, te vinden: “Hij dorst ernaar dat de mens dorst heeft naar Hem”.[10]

De door Christus gezonden Geest komt het vermogen van de leerlingen om Hem te kennen en lief te hebben herstellen, soms zelfs door gebruik te maken van hun eigen zonden. Petrus leert bijvoorbeeld dat zijn verraad niet het laatste woord heeft en dat het zijn blik en hart niet mag vertroebelen. Jezus zelf geeft hem nieuw leven en roept hem op tot de ware liefde die diep in zijn hart is, om hem opnieuw kracht te geven voor zijn opdracht: “weid mijn schapen” (Joh 21,17). De verrijzenis van Christus en de zending van de Heilige Geest met Pinksteren herinneren ons eraan dat we een vuur kunnen ontvangen om op een nieuwe manier te kennen en lief te hebben, ongeacht onze leeftijd of wat er ook gebeurt. Ernesto Cofiño[11], besloot toen hij al over de vijftig was, zich intenser open te stellen voor dit werk van de Heilige Geest. Zijn vrouw besefte dat er iets nieuws aan het gebeuren was en, misschien om dit aan te moedigen, zei ze tegen Ernesto's geestelijk begeleider: “Ik weet niet wat u met mijn man hebt gedaan (...) maar het is een wonder!”.[12] Dit aanbod van de Heer – deze genade – kan worden aangenomen door “allen die een groot hart hebben, ook al zijn hun zwakheden groter”.[13]

Een kracht die we samen met God kunnen vormgeven

Als we eenmaal vervuld zijn met de Heilige Geest, geeft de Heer ons op heel verschillende manieren een zending. Maria Magdalena wordt gezonden om aan de apostelen te verkondigen dat Hij is verrezen; de apostelen worden gezonden om het Evangelie aan de hele wereld te verkondigen; door Martha, Maria en Lazarus kunnen we ons voorstellen hoe we Christus in ons eigen huis kunnen verwelkomen; en zo is elke heilige een voorbeeld van liefde, die voortkomt uit de liefde voor God. Deze kneedbaarheid of flexibiliteit van ons vermogen om lief te hebben is een natuurlijk kenmerk van de menselijke persoon, dat door de Heer wordt versterkt. Door onze vrijheid zijn we niet noodzakelijkerwijs slaaf van onze driften, zoals het dierlijke leven dat is, maar zijn we in staat om te kiezen wat we liefhebben, hoe veel we liefhebben en hoe we liefhebben.

Bij getrouwde mensen maakt deze flexibiliteit het mogelijk hun huwelijk vorm te geven in overeenstemming met de fasen van hun leven. De liefde die aan het begin van de relatie wordt ervaren, krijgt in de loop van de tijd andere nuances, bijvoorbeeld in het ouderschap en moederschap, en kan zich blijven ontwikkelen in tijden van voorspoed en crisis. Wanneer de liefde tot God in het huwelijk centraal staat, krijgt dit project een anker en een onuitputtelijke bron van liefde en leven. Tomás Alvira[14] zei op een conferentie die hij gaf aan grootouders, puttend uit zijn eigen ervaring: “Wat zijn zeventig of tachtig jaar op de eeuwigheid? Niets. Men zegt dat, vergeleken met de eeuwigheid, elke persoon altijd jong is. (...) Een jongen van zestien of achttien, met sterke spieren, voelt zich jong als hij een oudere helpt opstaan of hem helpt een zwaar voorwerp te dragen. Een oudere heeft geen getrainde spieren om deze handelingen te kunnen verrichten, maar hij kan wel een getrainde geest hebben, zich geestelijk jong voelen en jonge kinderen, kleinkinderen, helpen door voor hen wegen te openen, goed begaanbare paden te wijzen die hij uit eigen ervaring kent".[15] Zo ontdekt iedereen de manier van liefhebben die bij zijn leeftijd past, geleid door de Heilige Geest die een liefde koestert die altijd jong is, die ontspringt aan het eeuwige en oneindige hart van God.

De flexibiliteit van deze kracht, van deze liefde, kan ook gezien worden wanneer het grillige karakter ervan verschijnt, dat wil zeggen, wanneer hij plotseling opkomt en we er niet in slagen hem te kanaliseren zoals we zouden willen. We zien dit bijvoorbeeld bij ontrouw, maar ook bij degenen die wereldse verlangens aanwakkeren of in degenen die schadelijke of verkeerde relaties aangaan. Deze gevallen zijn vaak een uitdrukking van een ongecontroleerd verlangen om lief te hebben en geliefd te worden, wat laat zien hoezeer de erfzonde de menselijke conditie heeft verzwakt. “Ik voel me in staat tot alle gruweldaden en alle dwalingen die door de vreselijkste mensen zijn begaan,”[16] heeft de heilige Jozefmaria eens gezegd. Daarom kunnen we met de heilige Augustinus besluiten: “De mens is een onpeilbare afgrond, Heer. (...) Het is veel gemakkelijker om zijn haren te tellen dan zijn hartstochten en de verlangens van zijn hart”.[17]

Het leven van Christus herinnert ons er al met al aan dat de grootsheid van die kracht om lief te hebben door de Heilige Geest niet alleen hersteld, maar ook wonderbaarlijk gevormd kan worden. En dit geldt ook in situaties waarin het huwelijksleven mislukt is, of bij zoveel andere gelegenheden die bijzonder moeilijk zijn. We zien hoe Jezus' liefde iedereen teder verwelkomt: zowel kinderen als ouderen; Hij sterkt de jongste apostelen en hen die al een eigen leven hebben opgebouwd; Hij biedt zijn vriendschap aan aan degenen die het zaad van het Evangelie ver van hun geboorteplaats verspreiden en aan hen die vanuit hun eigen huis evangeliseren. Hij besteedt ook veel aandacht aan zijn tegenstanders, waaronder de Farizeeën, Sadduceeën en wetgeleerden, en Hij biedt zelfs degene die hem uiteindelijk zal verraden, Judas Iskariot, tot het laatste moment zijn liefde aan. Kortom, zijn liefde is niet alleen gericht op zijn eigen familie in Nazareth, op zijn goede vrienden of op degenen in zijn eigen streek, maar op iedereen die open wil staan voor Gods liefde, in welke omstandigheden dan ook: dat is zijn familie (vgl. Mc 3,35).

Die grote flexibiliteit van het vermogen om lief te hebben, die Christus ook in ons wil laten ontstaan ─ ondersteund, bekrachtigd en gevormd door de Heilige Geest ─ is wat de grootsheid van zowel het huwelijk als het celibaat mogelijk maakt, in gehuwde en ongehuwde personen. De overvloed aan liefde die in het menselijk hart opwelt, kan zowel op de echtgenoot als op de eigen familie worden gericht en ─ naar het beeld van Jezus ─ worden overgedragen op de grote familie van de Heer, door te leven zoals Hijzelf. De Heilige Geest schenkt ons dit vermogen om lief te hebben en verheft daarmee elke menselijke levensweg. Daarom herinnert de prelaat van het Opus Dei, Mgr. Fernando Ocáriz, in navolging van de leer van de heilige Jozefmaria, ons eraan dat “het huwelijk een ‘goddelijke weg op aarde’ is” en dat op zijn beurt het celibaat “een roeping [is] tot een bijzondere vereenzelviging met Jezus Christus, die een groter vermogen met zich meebrengt, menselijk maar vooral bovennatuurlijk, om de hele wereld lief te hebben. Vandaar dat het celibaat, dat afziet van het fysieke vader- en moederschap, een veel groter geestelijk vader- en moederschap mogelijk maakt”.[18] Daarom luidt het traditionele gebed tot de Heilige Geest: “Kom, Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen. Ontsteek in ons het vuur van uw liefde. Zend uw Geest uit en alles zal worden herschapen en Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen”. Dan zullen in celibatairen en gehuwden, in alleenstaanden en weduw(nar)en nieuwe harten worden geschapen.

***

Met de fysieke afwezigheid van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren begonnen de apostelen aan een nieuwe fase. Alles bleef hetzelfde en tegelijkertijd veranderde alles. In zekere zin lag de missie nu meer in hun handen. Ze zouden hetzelfde blijven doen, maar met een zekere autonomie. Dit laat zien hoezeer de Heer onze vrijheid waardeert en vertrouwt waardoor we Hem blijven zoeken en de zin van onze zending blijven begrijpen en bepalen. Daarom kunnen we, op welke weg God ons ook roept, alleen groeien als apostel, als we echt een team vormen met de Heilige Geest. Ook al kan het geluk hier op aarde een beetje ongrijpbaar zijn, de persoon die leeft in de Heilige Geest laat zien dat de Heer, zowel bij successen als bij mislukkingen, nog steeds aanwezig is en ons naar zich toe blijft trekken. Met zijn genade verandert Hij geleidelijk onze vermogens, zodat we niet stil blijven staan en ontdekken in hoeverre Hij wil dat we vooruitgaan in zijn liefde, om ons daarna definitief te omarmen in de hemel.


[1] Pilar Urbano, De man van Villa Tevere, Rialp, Madrid 1986.

[2] Paus Benedictus XVI, homilie, 26-5-2005.

[3] Heilige Thomas van Aquino, hymne Adoro te devote.

[4] Heilige Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, vers 6-7.

[5] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 737.

[6] Hymne Veni Creator.

[7] Eduardo Ortiz de Landázuri (1910-1985) was een Spaanse internist, erkend voor zijn werk in de kliniek van de Universiteit van Navarra. Hij viel op door zijn diepe bewustzijn van zijn christelijke roeping en zijn toewijding aan de patiëntenzorg.

[8] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 279.

[9] Juan Antonio Narváez Sánchez, El doctor Ortiz de Landázuri. Un hombre de ciencia al encuentro con Dios, Palabra, Madrid 1997.

[10] Heilige Augustinus, geciteerd in de CKK, nr. 2560.

[11] Ernesto Cofiño (1899-1991) was een arts en kinderarts uit Guatemala, een pionier op het gebied van de gezondheid van kinderen in zijn land. Hij wijdde zijn leven aan de zorg voor kinderen en aan het onderwijs en beïnvloedde met zijn christelijk leven talrijke sociale initiatieven. Hij was lid van het Opus Dei en zijn proces voor zaligverklaring is gaande.

[12] José Luis Cofiño, José Miguel Cejas Arroyo, Ernesto Cofiño, Rialp, Madrid 2003.

[13] Heilige Jozefmaria, Instructie, 1-4-1934, nr. 66. Geciteerd in Andrés Vázquez de Prada, El Fundador del Opus Dei, vol. I, Rialp, Madrid 2010, 577.

[14] Tomás Alvira (1906-1992) was een Spaanse pedagoog en wetenschapper, doctor in de natuurwetenschappen en docent aan een middelbare school. Als lid van het Opus Dei stond hij bekend om zijn inzet voor de opvoeding van jongeren en zijn voorbeeld van christelijk leven in het huwelijk en het gezin. Zijn proces voor zaligverklaring is in behandeling.

[15] Alfredo Méndiz, Tomás Alvira. Vida de un educador, Rialp, Madrid 2023.

[16] Heilige Jozefmaria, De Kruisweg, 14e statie.

[17] Heilige Augustinus, Belijdenissen, boek IV, XIV, 2.

[18] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale brief, 20-10-2020, nr. 22.

Gerard Jiménez Clopés y Andrés Cárdenas Matute