Wat is de Rozenkrans?

Wat is de Rozenkrans en hoe is dit Mariagebed ontstaan? Antwoord op enkele veelgestelde vragen.

Wat is de Rozenkrans en bid je het? Photo: James Coleman on Unsplash

“Beste jonge mensen, leer tot Maria te bidden met het eenvoudige en doeltreffende gebed van de Rozenkrans; beste zieken, moge onze Lieve-Vrouw jullie steun zijn in de beproeving van pijn” — Paus Franciscus, Algemene Audiëntie van 3 mei 2017.

Samenvatting

  1. Wat is de rozenkrans?
  2. Hoe en wanneer is deze religieuze toewijding ontstaan?
  3. Hoe wordt de rozenkrans gebeden?
  4. Waarom is het bidden van de rozenkrans een aanbevolen devotie?

“De Rozenkrans is het gebed dat het leven altijd vergezelt; het is ook het gebed van de eenvoudigen en de heiligen… het is het gebed van mijn hart.” — Paus Franciscus, inleiding bij het boek De Rozenkrans, Gebed van het Hart, Shalom-uitgave.

1.Wat is de Rozenkrans?

De Rozenkrans is een traditionele katholieke gebedsvorm die Maria, de moeder van Jezus, wil eren. Oorspronkelijk bestond hij uit vijftien mysteries die de blijde, droevige en glorievolle momenten in het leven van Jezus en Maria in herinnering roepen. In 2002 voegde de heilige paus Johannes Paulus II een extra reeks toe: de mysteries van het licht (ook wel de lichtende mysteries genoemd), waarin we het openbare leven van Jezus overwegen.

Het kralensnoer dat gebruikt wordt om dit gebed te bidden, wordt eveneens een rozenkrans genoemd.

"Ieder geslacht prijst mij zalig” verkondigt Onze Lieve-Vrouw in het Magnificat. Inderdaad wordt de Gezegende Maagd Maria vanaf de vroegste tijden vereerd onder de titel ‘Moeder Gods’, onder wier bescherming de gelovigen in al hun gevaren en noden hun toevlucht zoeken.

De devotie tot Maria vindt haar uiting in de liturgische feesten ter ere van de Moeder Gods en in mariale gebeden, zoals de heilige rozenkrans, die, in de woorden van paus Paulus VI, de "samenvatting van heel het evangelie" is. Met andere woorden: de rozenkrans is een gebed dat de bijzondere verering die Maria in de Kerk ontvangt, concreet vorm geeft. (Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, 971)

Gedachten van de heilige Jozefmaria

“Beschouwt u eens een van de devoties die het diepst geworteld zijn in het christenvolk, het bidden van de rozenkrans. De Kerk spoort ons aan de geheimen ervan te overwegen, opdat door de blijdschap, de droefenis en de glorie van de heilige Maria in ons hoofd en in onze verbeelding het verbluffende voorbeeld ingeprent wordt van de Heer tijdens zijn dertig jaar verborgen leven, zijn drie jaar verkondiging, zijn smartelijk Lijden en zijn glorievolle Verrijzenis.” (Vrienden van God, 299)

“De rozenkrans wordt niet alleen gebeden met de lippen die het ene na het andere weesgegroet mompelen. Zo prevelen de kwezels. -Bij de christen is het mondgebed geworteld in het hart, zodat de geest bij het bidden van de rozenkrans in ieder van de geheimen kan doordringen.” (De Voor, 477)

“De heilige Maria is - zo roept de Kerk haar aan - Koningin van de vrede. Daarom moet je niet ophouden haar onder die titel aan te roepen als je ziel verontrust is, als je verontrust wordt door familie- of beroepsomstandigheden, of door de toestand in de maatschappij of onder de volkeren: Regina pacis, ora pro nobis!, - Koningin van de vrede, bid voor ons! Heb je dat wel eens geprobeerd, op zijn minst als je je gemoedsrust kwijt bent geraakt? - Je zult verrast zijn door het onmiddellijke effect.” (De Voor, 874)

“De rozenkrans. De blijde, de droeve en glorievolle geheimen uit het leven van de Maagd Maria weven een krans van lofprijzingen die ononderbroken herhaald worden door de engelen en de heiligen in de hemel…, en door de mensen hier op aarde die van onze Moeder houden. Bid dagelijks de rozenkrans en verbreid deze devotie.” (De Smidse, 621)

2. Hoe en wanneer is deze devotie ontstaan?

De oorsprong van de rozenkrans gaat terug tot het Wees gegroet in de 9e eeuw, als gebed ter ere van Maria, de Moeder van God. Men zegt dat de rozenkrans is ontstaan binnen de Orde van de heilige Benedictus en later verspreid is door de Dominicanen.

Sinds de instemming die Maria, vol geloof, bij de aankondiging betuigd heeft en waarin zij zonder enige aarzeling onder het kruis volhard heeft, strekt haar moederschap zich voortaan uit tot de broeders en zusters van haar Zoon. Op grond van deze bijzondere samenwerking van Maria met de Heilige Geest, hebben de kerken het gebed tot de heilige Moeder van God ontwikkeld: door dit gebed te richten tot de persoon van Christus die zich in zijn mysteries openbaarde. In de talloze hymnen en beurtzangen die uitdrukking geven aan dit gebed, zijn er gewoonlijk twee bewegingen die elkaar afwisselen:
In de ene beweging prijst men de Heer zalig om de wonderwerken die Hij aan zijn nederige dienstmaagd gedaan heeft en, via haar, aan alle mensen.
In de andere vertrouwt men aan de moeder van Jezus de smeekbeden en lofprijzingen van Gods kinderen toe, omdat zij de mensheid kent, die in haar verbonden wordt door Zijn Zoon.

Deze dubbele beweging van het gebed tot Maria komt op heel indrukwekkende wijze tot uiting in het Wees gegroet:

"Wees gegroet, Maria (Verheug u, Maria)" Met deze begroeting van de engel Gabriël begint het gebed tot Maria. Het is God zelf, die Maria groet door tussenkomst van Zijn engel. Wij durven in ons gebed de begroeting van Maria opnieuw in de mond te nemen met dezelfde blik waarmee God neerzag op Zijn nederige dienstmaagd, en wij durven opgetogen te zijn om de vreugde die zij Hem geeft.

"Vol van genade, de Heer is met u." De delen van de groet van de engel verklaren elkaar wederzijds. Maria is vol van genade, omdat de Heer met haar is. De genade waarmee zij overladen wordt, bestaat in de aanwezigheid van Hem, die de bron is van elke genade. "Verheug u (...) dochter Jeruzalem (...) de Heer is binnen uw muren." Maria, in wie de Heer hoogstpersoonlijk zijn intrek komt nemen, is de dochter van Sion in persoon, de ark van het verbond, de plaats waar de heerlijkheid van de Heer verblijf houdt: zij is ‘Gods woning onder de mensen’. In haar hoedanigheid vol van genade is zij geheel en al toegewijd aan Hem, die Zijn intrek komt nemen in haar en die zij aan de wereld zal schenken.

"Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van Uw schoot."

Na de begroeting door de engel, maken wij ook de begroeting door Elisabeth tot de onze. "Vervuld van de Heilige Geest" is Elisabeth de eerste in een lange opeenvolging van geslachten die Maria zalig prijzen: "Zalig zij die geloofd heeft (...)"; Maria is "gezegend onder de vrouwen", omdat zij geloofd heeft in de vervulling van het woord van de Heer. Abraham is door zijn geloof een zegen geworden voor "alle geslachten op aarde”. Door haar geloof is Maria de moeder van de gelovigen geworden; dankzij haar ontvangen alle geslachten op aarde Hem die de zegen zelf van God is: "Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot".

"Heilige Maria, moeder van God (...)." Met Elisabeth geven wij uiting aan onze verwondering: "Waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?" Omdat Maria ons Jezus, haar zoon, geeft is zij de Moeder van God en onze moeder; wij kunnen haar al onze zorgen en onze verlangens toevertrouwen: zij bidt voor ons, zoals zij voor zichzelf gebeden heeft: "Mij geschiedde naar uw woord". Doordat wij ons toevertrouwen aan haar gebed, geven wij ons met haar over aan de wil van God: "Uw wil geschiede".

"Bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood." Doordat wij aan Maria vragen voor ons te bidden, erkennen wij dat wij arme zondaars zijn, en richten wij ons tot de moeder van barmhartigheid, tot de volmaakt heilige. Nu, in het heden van ons leven, verlaten wij ons op haar. En ons vertrouwen breidt zich uit, zodat wij vanaf nu het uur van onze dood in haar handen leggen. Moge zij daar aanwezig zijn, zoals zij ook aanwezig was bij de dood aan het kruis van haar zoon, en moge zij ons in het uur van ons heengaan opnemen als onze moeder, om ons te leiden naar haar zoon, Jezus, in het paradijs. (Catechismus van de Katholieke Kerk, 2677)

Gedachten van de heilige Jozefmaria

“Kijk: voor onze Moeder Maria houden we nooit op klein te zijn, want zij opent ons de weg naar het Rijk der Hemelen, dat gegeven wordt aan hen die zijn als kinderen (vgl. Mat 19, 14). Wij moeten ons nooit losmaken van onze Vrouwe. Hoe eren wij haar? Door met haar om te gaan, met haar te spreken, haar onze liefde te tonen, in ons hart de gebeurtenissen van haar leven aandachtig te overwegen, door haar onze strijd, onze successen en onze nederlagen te vertellen.”

Zo ontdekken wij de betekenis van de Mariagebeden —alsof we ze voor de eerste keer bidden— die altijd al in de Kerk gebeden zijn. Wat zijn het Weesgegroet en de Engel des Heren anders dan vurige lofzangen op het goddelijk Moederschap? En bij het bidden van de rozenkrans —die geweldige devotie die ik nooit moe word aan alle gelovigen aan te bevelen— trekken in ons hoofd en hart de geheimen van de bewonderenswaardige levenswandel van Maria voorbij, die tegelijkertijd de diepste mysteries van het geloof zijn.” (Vrienden van God, 290)

3. Hoe wordt de rozenkrans gebeden?

De rozenkrans begint met het Kruisteken. Aan het begin van elk tientje, elke tien weesgegroetjes, wordt één van de vijf mysteries (geheimen) aangekondigd die die dag worden overwogen. Op maandag en zaterdag zijn dat de blijde geheimen; op dinsdag en vrijdag de droevige geheimen; op donderdag de geheimen van het licht; en op woensdag en zondag de glorierijke geheimen. Elk geheim bestaat uit een Onze Vader, tien Weesgegroetjes en een Eer aan de Vader. Nadat de vijf mysteries zijn gebeden, wordt de litanie van de Maagd Maria gebeden: gebeden waarin onze Moeder wordt geprezen. Afhankelijk van de tradities van verschillende plaatsen worden aan deze basisstructuur van het bidden van de rozenkrans nog enkele aanroepingen en gebeden toegevoegd, die de rijkdom van de volksdevotie tot uitdrukking brengen. Hier vindt u een handleiding voor het bidden van de rozenkrans.

Gedachten van de heilige Jozefmaria

“Onbevlekte Maagd, ik weet heel goed dat ik een arme stakker ben die niet veel anders doet dan iedere dag het aantal van zijn zonden groter maken”. Onlangs heb je me gezegd dat je zo met onze Moeder sprak.” (De Voor, 475)

“Je stelt de rozenkrans steeds maar uit tot straks en laat hem ten slotte achterwege omdat je slaap hebt. - Als je geen tijd vrij kunt maken, bid hem dan onderweg, zonder dat iemand het hoeft te merken. Dat zal je bovendien helpen om Gods tegenwoordigheid te voelen.” (De Voor, 478)

“Wat zullen de bovennatuurlijke deugden in ons groeien, als wij er echt in slagen met Maria, die onze Moeder is, contact te hebben! Wij moeten ons er niet voor generen de hele dag door —in ons hart, zonder dat daarvoor woorden nodig zijn— korte gebedjes, schietgebeden te doen. In de christelijke vroomheid zijn veel van dergelijke vurige lofprijzingen in de litanieën die het rozenkransgebed begeleiden, samengebracht. Het staat echter iedereen vrij deze uit te breiden, nieuwe lofzangen tot haar te richten, haar dat te zeggen, wat wij —uit een heilige schaamte waarvoor zij begrip heeft en waarmee zij het eens is— niet hardop zouden durven uitspreken.” (Vrienden van God, 293)

4. Waarom is het bidden van de rozenkrans een aanbevolen devotie?

De rozenkrans van de Maagd Maria wordt door het Leergezag van de Katholieke Kerk aanbevolen; het bevat de diepte van de volledige boodschap van het Evangelie en kan worden beschouwd als een samenvatting daarvan. Bovendien heeft de Maagd Maria zelf, toen zij op aarde verscheen, het bidden van dit gebed aangemoedigd. Op 18 februari 1858, bij haar derde verschijning in Fatima, zei Maria: “Bid elke dag de rozenkrans voor de vrede in de wereld en het einde van de oorlog.” Bij haar laatste verschijning in Fatima stelde de Moeder van God zich voor als de Vrouwe van de Rozenkrans.

De Kerk gelooft dat de Heilige Moeder van God haar moederlijke taak ook in de hemel blijft uitoefenen. Daarom is het voor christenen vanzelfsprekend om zich tot haar te wenden, haar om hulp te vragen bij hun noden en hun zorgen aan haar toe te vertrouwen.

Talrijke pausen hebben grote betekenis aan dit gebed toegekend. Paus Leo XIII publiceerde de encycliek Supremi Apostolatus Officio, een document van groot belang en de eerste van zijn vele verklaringen over dit gebed. Daarin stelt hij de rozenkrans voor als een krachtig geestelijk wapen tegen het kwaad dat de samenleving treft. Paus Johannes Paulus II schreef op 16 oktober 2002 de apostolische brief Rosarium Virginis Mariae, waarin hij een Jaar van de Rozenkrans afkondigde en de schoonheid van dit gebed beschreef. Het helpt ons om “Christus samen met Maria te overdenken”.

Gedachten van de heilige Jozefmaria

“De heilige rozenkrans is een machtig wapen. Maak er vol vertrouwen gebruik van en je zult verbaasd staan over het resultaat.” (De Weg, 558)

“De rozenkrans is bijzonder nuttig voor degenen die met hun hoofd moeten werken en die moeten studeren. Want die schijnbaar eentonige manier om tot Onze Lieve Vrouw te bidden zoals kinderen hun moeder om iets vragen, vernietigt geleidelijk elke kiem van ijdelheid en trots.” (De Voor, 474)

“Tot slot, ik geef u de raad zelf de moederlijke liefde van Maria te beproeven. Het is niet genoeg dat wij weten dat zij Moeder is, haar op die manier te beschouwen en over haar te spreken. Zij is uw Moeder en u bent haar kind; zij houdt van u alsof u haar enig kind was in deze wereld. Praat dienovereenkomstig met haar: vertel haar alles wat u overkomt, vereer haar, bemin haar. Niemand kan het zo goed doen, in uw plaats, als gij het niet doet.

Ik geef u de verzekering, dat als u deze weg inslaat, u direct heel Christus' liefde zult vinden: en dat u op zult gaan in dat onuitsprekelijke leven van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. U zult er de kracht uit putten om de Wil van God volledig te vervullen, u zult vol zijn van verlangen om de mensen te dienen. U zult die christen worden die u soms droomt te zijn: overlopend van werken van liefdadigheid en rechtvaardigheid, blij en sterk, met begrip voor anderen en veeleisend jegens uzelf.

Dat, en niets anders, is de graadmeter van ons geloof. Nemen wij onze toevlucht tot de heilige Maria, die ons energiek en zonder ophouden zal bijstaan.” (Vrienden van God, 293)