Voor mij is leven Christus (IV): De meest bovennatuurlijke reden. Innerlijke vrijheid

De samenvatting van de wet als "heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf" is niet zomaar een voorschrift. Liefde kan niet worden opgeëist, en God nodigt ons er pas toe uit nadat Hij de mens zijn oneindige liefde en zorg heeft getoond.

Aan het begin van zijn prediking, in de synagoge van Nazareth, leest de Heer aan de aanwezigen een passage voor uit Jesaja: “De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc 4,18-19; Jes 61,1-2). En nadat Hij de boekrol heeft dichtgedaan, verklaart hij: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan” (Lc 4,21).

Jezus presenteert zichzelf dus als een bevrijder. Allereerst van datgene wat de innerlijke vrijheid beknot: de blindheid van de onwetendheid, de gevangenschap van de zonde, de onderdrukking van de duivel. In feite zijn de toespelingen op vrijheid en bevrijding voor degenen die Hem volgen niet zeldzaam in zijn prediking: “Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen; dan zult ge de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh 8,32).

De eerste christenen hadden een diep en zielsgelukkig besef van vrijheid. Jezus was de Verlosser voor hen. Hij had hen niet bevrijd van het ene juk om hen een ander op te leggen, maar had alle banden verbroken die hen verhinderden een vervuld leven te leiden. Deze volheid die hen nu als mogelijk werd voorgesteld, blijkt uit de vreugde die hun leven uitstraalde. “Weest altijd blij”, spoort Paulus aan. “Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus” (1 Tes 5,16-18).

Jezus presenteert zichzelf dus als een bevrijder van datgene wat de innerlijke vrijheid beknot

In het begin schept God de mens als heer van de schepping. “De Hoogste Schepper heeft onze natuur gemaakt als een soort instrument, geschikt voor de uitoefening van het koningschap; en opdat de mens er volkomen geschikt voor zou zijn, heeft Hij niet alleen zijn ziel met voortreffelijkheden begiftigd, maar ook zijn lichaam. En zo toont de ziel haar verheven koninklijke waardigheid (...) door het feit dat ze niemand als heer erkent en alles naar eigen goeddunken doet. Zij bestuurt zichzelf uit eigen wil, als eigenaar van zichzelf. En van wie anders dan van een koning is zo'n eigenschap?”[1]

Door de zonde wordt de mens tot slaaf gereduceerd, maar God richt hem op in de hoop op een toekomstige verlossing (vgl. Gen 3,15). Dit verlangen om ons te verlossen komt bijvoorbeeld tot uiting wanneer Hij zijn volk bevrijdt uit de slavernij van Egypte en hun een land belooft, dat ze zullen moeten veroveren, maar dat boven alles het beloofde land zal zijn: een geschenk van God, waar ze Hem in vrijheid zullen kunnen aanbidden. “Ik ben Jahwe uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis” (Ex 20,2). En Hij vervolgt: “Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij” (Ex 20,3). Zo houdt God zijn volk de geboden van de Decaloog voor, als de voorwaarden om werkelijk vrij te zijn en niet terug te vallen in slavernij. God wil Zichzelf niet opleggen als een tiran, maar Zijn volk in een positie brengen om Hem vrijelijk als Heer te aanvaarden.

God zet zo in op onze vrijheid omdat het eerste gebod, waaraan volgens Jezus Christus heel de wet en de profeten hangen (vgl. Mt 22,40), niets anders is dan de liefde: God liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf (vgl. Mt 22,37-39). Want dit is niet zomaar een voorschrift. Andere dingen kunnen met geweld en dwang worden opgelegd en afgedwongen. Maar liefde kan niet op deze manier worden opgeëist. God vraagt erom, als een minnaar, pas nadat Hij de liefde die Hij voor zijn volk koestert heeft getoond, pas nadat hij op talloze manieren zijn genegenheid en zorg heeft laten zien. Ware liefde kan alleen worden uitgenodigd, ze moet worden verdiend, omdat ze alleen de vrucht van vrijheid kan zijn. En om deze Liefde te ontdekken en jezelf erdoor te laten bereiken, is het essentieel om “de innerlijke vrijheid te bevorderen, die ons ertoe brengt de dingen uit liefde te doen”.[2]

De betekenis van de vrijheid

De eerste christenen hadden een diep besef van vrijheid want ze wisten dat Jezus hun Verlosser was.

Juist om Hem echt lief te kunnen hebben, heeft God ons vrij geschapen. Zo ziet Hij ons en zo verheugt Hij zich in ons. Wij kunnen dat moeilijk begrijpen omdat wij mensen niet weten hoe we vrije wezens kunnen scheppen. Hoogstens produceren we automaten, die uitvoeren waarvoor we ze hebben ontworpen, of bootsen we vrijheid na door artefacten te maken die alleen maar iets lukraak kunnen doen; maar we zijn niet in staat om iets te scheppen dat zelf kan beslissen. Dit is echter wat God met ons doet door ons te scheppen en ons te verlossen van de zonde die onze vrijheid beperkt.

Vrij zijn houdt niet op de eerste plaats in dat we niet door iets van buitenaf bepaald of geconditioneerd worden, maar vooral dat we in staat zijn om onze daden en onze reacties te verantwoorden. Daarom gaat vrijheid hand in hand met verantwoordelijkheid. Vrij zijn is in staat zijn om te reageren en dus een volledige en echte dialoog aan te gaan met andere mensen en vooral met onze schepper.

De vrijheid is dus geen bijkomstige toevoeging aan ons wezen, geen eigenschap die we kunnen missen en dan toch onszelf blijven. De vrijheid die God voor ons wil is echt en net zo diep als ons wezen zelf. Het is een grote vooruitgang voor een mens om dit in te zien: “Het is een positief aspect van onze tijd dat personen en volken hartstochtelijk hun vrijheid opeisen. Het respect voor de vrijheid van iedere vrouw en iedere man betekent de erkenning dat zij personen zijn die voor hun eigen handelingen verantwoordelijk zijn en die zelf richting aan hun leven kunnen geven.”[3]

God, die ons liefheeft zoals we zijn, omdat Hij ons zelf geschapen heeft, wil ons vrij omdat Hij ons liefheeft om wie wij zijn en alleen tevreden is met de vrije en liefdevolle openheid van onze intimiteit: “Mijn zoon, schenk me je hart” (Spr 23,26). Zo kunnen we begrijpen dat “omdat we dat graag willen”[4] voor de heilige Jozefmaria de meest bovennatuurlijke reden is om het goede te doen is. Dit motief verbindt het mysterie van Gods scheppende en verlossende liefde met het authentieke antwoord van zijn geliefde schepsel, dat het in zijn macht heeft om Hem als Vader te erkennen en met vertrouwen de wil te aanvaarden van Hem die alleen maar het goede voor zijn kind kan willen. God heeft ons lot in onze handen gelegd. Niet in de zin dat we op eigen kracht kunnen bereiken wat Hij voor ons heeft voorbereid, maar wel omdat wijzelf bepalen ons te bekeren tot Hem, die degene is die ons gelukkig kan maken.[5] De erkenning van dit vermogen om God in vrijheid lief te hebben, kan ons in eerste instantie angst aanjagen. Als we echter graag ‘ja’ tegen Hem zeggen, vervult juist de overtuiging dat we vrij zijn ons met vreugde en hoop. Als kinderen van God voelen we ons veilig naarmate we op Hem willen steunen. Zo is het begrijpelijk dat de heilige Jozefmaria, denkend aan zijn eigen roeping, uitriep: “Geeft het jullie geen vreugde te zien dat de trouw voor een groot deel van ons afhangt? Ik word heel blij door te denken dat God van me houdt en dat Hij heeft gewild dat Zijn Werk ook afhankelijk is van mijn beantwoording. En het geeft me vreugde om vrijuit te kunnen zeggen: Heer, ik hou ook van U, reken op mijn kleinheid”.[6]

Nadenken over onze vrijheid helpt ons om ons leven te baseren op de realiteit dat we kinderen van God zijn. We zijn geen inwisselbaar exemplaar: ons antwoord is onvervangbaar omdat we schepselen zijn die door God met een bijzondere voorkeursliefde gewild zijn. Maar we kunnen het besef van onze vrijheid verliezen in de mate waarin we haar niet gebruiken. In dat geval is het logisch dat we ons steeds meer beperkt, geconditioneerd en zelfs onderdrukt voelen door onze stemmingen of door de omgeving. Zo kan de vraag opkomen of we werkelijk vrij zijn en zelfs of vrij zijn de moeite waard of zinvol is.

Om Hem echt lief te kunnen hebben, heeft God ons vrij geschapen

De christen weet echter dat de vrijheid een betekenis heeft. We zijn niet alleen vrij van dwang, in het nemen van onze eigen beslissingen. Het heeft weinig zin om iemand vrij te laten en te vertellen dat hij kan gaan en staan waar hij wil, als er geen bestemming is waar hij heen kan gaan of, als die er is, helemaal niet weet hoe hij er moet komen. Maar God geeft ons niet alleen het vermogen om ons te ontdoen van wat ons beperkt en gevangenhoudt, maar Hij opent voor ons een onbegrensde horizon, de einder van onze diepste verlangens. Want Hij die onze vrijheid heeft geschapen, is op geen enkele manier een beperking voor de ontplooiing ervan: Hij opent voor ons de mogelijkheid om mateloos te groeien, want dit is de manier waarop wij, vrije schepselen, God navolgen en Hij biedt ons de mogelijkheid om, verenigd met zijn eniggeboren Zoon, onze persoonlijkheid volledig te ontplooien.

Een authentieke vrijheid

De heilige Jozefmaria vatte zijn werk op als “de taak om iedere persoon te confronteren met de eisen die het leven aan hem stelt, en hem te helpen ontdekken wat God concreet van hem vraagt. Dit heb ik altijd willen doen zonder de onafhankelijkheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid die kenmerkend zijn voor een christelijk geweten aan te tasten. Deze instelling is gebaseerd op respect voor de transcendentie van de geopenbaarde waarheid en op de liefde voor de vrijheid van het menselijk schepsel. Ik zou eraan kunnen toevoegen dat ze ook is gebaseerd op de zekerheid dat de geschiedenis niet bij voorbaat vastligt, maar open is voor velerlei mogelijkheden die God niet heeft willen inperken.”[7]

Zo is te begrijpen dat, voor wie Christus niet kent, het serieus nemen van de eigen vrijheid een weg is om God te vinden, omdat het een zoektocht in gang zet die de mogelijkheden openbaart van onze situatie, samen met de voor de hand liggende beperkingen ervan. Maar ook zij die God al liefhebben, zijn in staat om een diepere en waarachtigere relatie met Hem aan te gaan, door aan Gods hand hun vrijheid dieper te beleven.

Het is alleen in overeenstemming met de waardigheid van Gods kinderen dat ze zich “vrij als vogels”[8] voelen, als ze doen wat ze echt willen, ook wanneer ze, zoals Christus, zichzelf vernederen en zich uit liefde onderwerpen. We doen dus niet alleen maar alsof we vrij zijn: als we Jezus echt willen volgen, moeten we in onszelf die bron van authentieke vrijheid zoeken die ons goddelijk kindschap is en ons dienovereenkomstig gedragen, zodat we de vrijheid van geest bereiken, die “(...) het vermogen en de gesteltenis inhoudt om uit liefde te handelen, vooral in de inzet om in elke omstandigheid te doen wat God van ieder vraagt”.[9] Wanneer we dat serieus nemen, zal zich dat vertalen in de spontaniteit en het initiatief waarmee we ons gedragen, en waarin we ons niet laten kwellen door angsten. Want het gebrek aan vrijheid komt vaak tot uiting in onze neiging om uit angst te handelen. Theologen noemen die angst van iemand die zich van de zonde afkeert uit angst voor straf ‘slaafse vrees’. Deze vrees kan een begin zijn om naar God terug te keren, maar het christelijk leven kan niet hierop gebaseerd zijn, want “liefde laat geen ruimte voor vrees, want vrees duidt op straf en wie vreest is niet volgroeid in de liefde” (1 Joh 4,17-18) en wij moeten handelen “als mensen die door de wet der vrijheid geoordeeld zullen worden” (Jak 2,12).

Angst kan zich op veel gebieden van ons leven manifesteren. Wie vreest, hoewel hij het goede wil, denkt op de eerste plaats aan het kwaad waarvoor hij wil vluchten. Wanneer we ons in ons gedrag laten leiden door angst, beperken we ons en maken we het onszelf moeilijk zodat de echte motieven van onze acties en de goede daden die we nastreven, worden verduisterd. Maar als we God liefhebben, als we Hem willen liefhebben, bevrijdt Hij ons van de angst, want voor hen die God liefhebben werkt alles ten goede (vgl. Rom 8,28). Deze overtuiging verdrijft onze ongegronde angsten en stelt ons in staat om de vrijheid van Gods kinderen ten volle te waarderen en met vreugde en verantwoordelijkheid te handelen.

WIJ ZEGGEN NIET VOOR EENS EN VOOR ALTIJD JA TEGEN GOD: WIJ ZIJN TIJDELIJKE WEZENS EN WIJ MOETEN ONS ANTWOORD IN DE LOOP VAN DE TIJD VERNIEUWEN EN LATEN GROEIEN

Het is waar dat we niet voor eens en voor altijd ja zeggen tegen God. We zijn tijdelijke wezens en we moeten ons antwoord in de loop der tijd vernieuwen en doen groeien. Omdat we geroepen zijn God vrij te beantwoorden, verwacht Hij bovendien een steeds authentieker antwoord van ons. Soms lijkt Hij zich zelfs te verbergen, opdat onze adhesie vrijer en voller wordt, om het antwoord te zuiveren van externe en indirecte motieven en opdat het niet voortkomt uit angst maar uit liefde. Dat hoeft ons geen zorgen te baren. Het is een uitnodiging tot trouw, die niet het simpel volhouden is van iets wat een keer gedaan is. Trouw zijn betekent dat we ons steeds opnieuw, in de meest uiteenlopende omstandigheden, vol vreugde in vrijheid en onbaatzuchtig aan God schenken. De trouw brengt ons ertoe vaak terug te keren naar ons eerste ‘ja’ om het vollediger te maken en van daaruit ons innerlijk leven op te bouwen, vanuit dat punt waar de genade van God en onze diepste intimiteit elkaar ontmoeten.

Laten we vaak beseffen dat we geen automaten zijn of dieren die onderworpen zijn aan instinct, maar vrije wezens, met een open toekomst die van ons initiatief afhangt. Dat zal ons helpen om uit de anonimiteit te komen en ons leven te leiden voor God en voor de mensen, zonder de verantwoordelijkheid die ermee gepaard gaat op iemand anders af te schuiven. Op deze manier zullen we in staat zijn om met God een oprechte dialoog aan te gaan, een persoonlijke relatie van ware en diepe vriendschap. En als gevolg van deze vriendschap met God zal onze ziel overlopen van de hevige dorst om aan alle mensen deze Liefde van God en dat gevoel van vrijheid dat ermee gepaard gaat te brengen. Ook door vriendschap, want “vriendschap is apostolaat; vriendschap is dialoog, waar we licht geven en ontvangen; waar projecten uit voortkomen, waar we elkaars horizonten openen; waar we ons verheugen over het goede en elkaar steunen bij moeilijkheden; waar we het goed met elkaar hebben, omdat God wil dat we gelukkig zijn”.[10]


[1] Gregorius van Nyssa, “De schepping van de mens”, 4

[2] Fernando Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[3]Fernando Ocáriz, pastorale brief, 9-1-2018, nr. 1.

[4] H. Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 17.

[5] “(...) Maar [de natuur] gaf de mens een vrije wil, waardoor hij zich tot God kan wenden, om hem gezegend te maken. Want wat we kunnen voor onze vrienden, kunnen we op de een of andere manier voor onszelf", Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q. 5 a. 5 ad 1.

[6] H. Jozefmaria, Onder vier ogen met God, nr. 324.

[7] H. Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 99.

[8] H. Jozefmaria, Brief 14-9-1951, nr. 38.

[9] Fernando Ocáriz, pastorale brief, 9-1-2018, nr. 5

[10] Ibid., nr. 14.

José Ignacio Murillo