Het derde gebod van de Decaloog is het heiligen van de Sabbat. Het roept ons op om God te eren, ook door onze aanbidding op Zondagen en andere feestdagen.
De Zondag of de Dag des Heren
De Bijbel beschrijft het scheppingswerk in zes "dagen". Aan het einde daarvan "bezag God alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was... En God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht" (Gen. 1,31; 2,3).
In het Oude Testament verordende God dat de zevende dag van de week heilig moest zijn, een dag die apart gezet en onderscheiden is van de andere dagen. De mens is geroepen om deel te nemen aan de scheppingskracht van God door de wereld te vervolmaken door middel van zijn werk. Tegelijkertijd moet de mens op de zevende dag ophouden met werken om deze dag te wijden aan goddelijke aanbidding en rust. Op deze manier probeert de Heer in het menselijk hart de ware orde van het leven als kinderen van God te beschermen. Zo worden de dynamiek en de eisen van werk en andere dagelijkse realiteiten in de praktijk geïntegreerd met de authentieke prioriteiten en de ware betekenis van de schepping.
De belangrijkste inhoud van dit voorschrift is daarom niet louter het onderbreken van het werk, maar het herinneren en vieren – wat betekent: het als werkelijk aanwezig beleven, door de kracht van de Heilige Geest – van de wonderen die God heeft verricht, en Hem daarvoor te danken en te loven. Zo onthult het gebod om te rusten zijn volledige betekenis: wij worden uitgenodigd om diep te delen in Gods eigen "rust" en dezelfde vreugde te ervaren die de Schepper ervaarde na de schepping, toen Hij zag dat alles wat Hij had gemaakt "zeer goed was".
"En dan begint de dag van rust, wat Gods vreugde is in wat Hij heeft geschapen. Het is de dag van contemplatie en zegening. Wat is rust dan volgens dit gebod? Het is de tijd van contemplatie; het is de tijd van lofprijzing, niet van ontsnapping. Het is de tijd om naar de werkelijkheid te kijken en te zeggen: wat is het leven mooi! De Decaloog stelt – tegenover rust als een ontsnapping aan de werkelijkheid – de rust als een zegening van de werkelijkheid" (Paus Franciscus, Algemene Auditie, 5 september 2018).
Voor de komst van Christus was de zevende dag de Sabbat. In het Nieuwe Testament is dit de zondag, Dies Domini, de dag van de Heer, omdat dit de dag van de verrijzenis van de Heer is. De Sabbat vertegenwoordigde het einde van de schepping; de zondag vertegenwoordigt het begin van de "nieuwe schepping", die plaatsvond met de verrijzenis van Christus (vgl. Catechismus 2174).
Deelname aan de Heilige Mis op Zondag
Aangezien het Offer van de Eucharistie de bron en het hoogtepunt is van het leven van de Kerk, [1] en daarom ook van elke gelovige, wordt de zondag in de eerste plaats geheiligd door deelname aan de Heilige Mis. "Voor ons Christenen is de Eucharistie het middelpunt van de Dag des Heren, de zondag; Eucharistie betekent 'dankzegging'. Het is de dag om tegen God te zeggen: dank U Heer voor het leven, voor Uw barmhartigheid, voor al Uw gaven" (Paus Franciscus, Algemene Audiëntie, 5 september 2018).
De Kerk heeft het derde gebod van de Decaloog concreet verwoord in het volgende decreet: "Op zondagen en andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan de Mis deel te nemen" (CIC, can. 1247; Catechismus 2180). Naast de zondagen zijn de belangrijkste verplichte feestdagen: “Kerstmis, de Openbaring van de Heer, de Hemelvaart, het feest van Corpus Christi, Maria Moeder van God, de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en haar Tenhemelopneming, het feest van de Heilige Jozef, van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, en tenslotte van Allerheiligen” (CIC, can. 1246; Catechismus 2177).
"Aan het voorschrift om aan de Mis deel te nemen voldoet wie de Mis bijwoont, overal waar deze in een Katholieke ritus gevierd wordt ofwel op de feestdag zelf ofwel op de avond van de voorafgaande dag (CIC, can. 1248)" (Catechismus, 2180). Onder "avond" moet hier het canonieke uur van de Vespers worden verstaan (ongeveer tussen 16:00 en 18:00 uur), of later.
Het gebod bindt de gelovigen, "tenzij ze verontschuldigd zijn vanwege een ernstige reden (zoals ziekte, zorg voor zuigelingen) of ervan ontslagen zijn door hun eigen pastoor (vgl. CIC, can. 1245). Zij die willens en wetens deze verplichting verwaarlozen, begaan een zware zonde" (Catechismus, 2181).
Het is ook de moeite waard om te overwegen dat wanneer de Kerk aandringt op deze minimale deelname aan de Eucharistie – en daarmee de voornaamste manier om "feestdagen te heiligen" concreet maakt – zij vooral handelt als een moeder die bezorgd is dat het haar kinderen niet ontbreekt aan de essentiële voeding die zij nodig hebben om als kinderen van God te leven. Daarom hebben de gedoopten, meer nog dan een plicht, de behoefte en het recht om deel te nemen aan de viering van de Eucharistie. In de Handelingen van de Apostelen (2,42) lezen we over de eerste Christenen: "zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijke leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed.” De regel van de Kerk probeert precies deze oorspronkelijke vitaliteit van de Christelijke roeping te beschermen en te bevorderen.
Zondag, een dag van rust
“Zoals God "rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had" (Gen. 2, 2) zo wordt het leven van de mens bepaald door het ritme van werken en rusten. De instelling van de dag des Heren draagt ertoe bij dat allen kunnen genieten van voldoende rust en vrije tijd voor de verzorging van hun gezinsleven en van hun cultureel, sociaal en godsdienstig leven.” (Catechismus 2184). “Op zondag en op de andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan de Mis deel te nemen; zij dienen zich ook te onthouden van werken en bezigheden die een beletsel zijn voor de eredienst die aan God gebracht moet worden, voor de vreugde die aan de Dag des Heren eigen is, of voor de nodige ontspanning van geest en lichaam.” (CIC, can. 1247). Dit vormt een ernstige verplichting, evenals het heiligen van feestdagen. Een belangrijker plicht van rechtvaardigheid of naastenliefde kan iemand echter ontslaan van de verplichting tot zondagsrust. Niettemin herinnert de Kerk ons eraan dat “Elke Christen moet vermijden aan anderen, zonder noodzaak, verplichtingen op te leggen, die hen zouden beletten de dag des Heren te vieren.” (Catechismus 2187).
In sommige landen heerst vandaag de dag een wijdverbreide mentaliteit die religie beschouwt als een privéaangelegenheid die geen publieke en sociale uitingen zou mogen hebben. De Christelijke leer leert daarentegen “dat de mensen van onze tijd verlangen, hun godsdienst vrij te kunnen belijden, privé en publiek” [2]. Inderdaad schrijft de natuurlijke zedenwet, die in het hart van de mens gegrift staat, voor “God uiterlijke, zichtbare en publieke eredienst te bewijzen” [3] (vlg. Catechismus 2176).
Zeker, het aanbidden van God is in de eerste plaats een persoonlijke handeling, maar mensen moeten dit uiterlijk kunnen manifesteren omdat de menselijke geest “stoffelijke dingen als tekens moet gebruiken, waardoor hij wordt aangespoord om de spirituele handelingen te verrichten die hem met God verenigen”. [4]
Bovendien moeten mensen vrij zijn om hun religie niet alleen uiterlijk, maar ook sociaal te belijden, dat wil zeggen samen met anderen. Immers “de sociale natuur van de mens zelf vraagt (…), dat hij zijn religie in gemeenschap kan beleven.” [5] De sociale dimensie van de mens eist dat de cultus sociale uitingen mag hebben. “Het is dus een aantasting van de menselijke persoon als men hem in de samenleving de vrije uiting van zijn godsdienst verbiedt, zolang de rechtvaardige publieke orde wordt geëerbiedigd. (...) Het burgerlijk gezag, wiens eigenlijke doel het is om het algemeen wereldlijk welzijn te beschermen, moet het religieuse leven van de burgers erkennen en bevorderen.” [6]
Er bestaat een sociaal en burgerlijk recht op vrijheid in religieuze aangelegenheden. De samenleving en de overheid mogen niemand beletten om op dit gebied te handelen in overeenstemming met de voorschriften van hun geweten, hetzij privé of in het openbaar, mits de rechtvaardige grenzen die voortvloeien uit de vereisten van het algemeen welzijn — zoals de openbare orde en de openbare zedelijkheid — worden gerespecteerd [7] (vlg. Catechismus 2109).
“Met eerbiediging van de religieuze vrijheid en van het algemeen welzijn van allen moeten de Christenen zich inspannen om de zondagen en feestdagen van de Kerk als wettelijke feestdagen laten erkennen Zij moeten aan iedereen een openlijk voorbeeld geven van gebed, van eerbied en vreugde en zij moeten hun tradities verdedigen als een kostbare bijdrage tot het geestelijk leven van de menselijke samenleving.” (Catechismus 2188) Zoals de heilige Jozefmaria schreef: “Dit is je taak als Christelijk burger: eraan bijdragen dat de liefde en de vrijheid van Christus alle uitingen van het moderne leven gaan beheersen: cultuur en economie, werk en ontspanning, gezinsleven en maatschappelijk leven.” [8]
Ieder mens is in geweten verplicht om de ware religie te zoeken en eraan vast te houden. In deze zoektocht kunnen zij hulp ontvangen van anderen (sterker nog, de Christengelovigen hebben de plicht om deze hulp te bieden door hun voorbeeld en hun woord), maar niemand mag worden gedwongen. De instemming met het geloof moet altijd vrij zijn, evenals de uitoefening
Basisbibliografie
Catechismus van de Katholieke Kerk, 2168-2188
Johannes Paulus II, Apostolische Brief Dies Domini, 31 mei 1998.
Benedictus XVI – Joseph Ratzinger, Jezus van Nazareth, deel 1 (hfdst. 5, par. 2).
CIC: Codex van het Canoniek Recht
Aanbevolen literatuur
Heilige Jozefmaria, Homilie God leren kennen, in Vrienden van God, 142-153.
Paus Franciscus, Algemene Audiëntie, 8 november 2017. Dit is het begin van de catechese van de Paus over de Eucharistie.
De Heilige Johannes Paulus II, apostolische brief “Dies Domini, 31-V-1995
[1] Tweede Vaticaans Concilie, Sacrosanctum Concilium, 10.
[2] Tweede Vaticaans Concilie, Dignitatis humanae, 15; Catechismus, 2137.
[3] Sint Thomas van Aquino, S. Th., II-II, q. 122, a. 4,
[4] Sint Thomas van Aquino, S. Th., II-II, q. 81, a. 7, conclusio.
[5] Tweede Vaticaans Concilie, Dignitatis humanae, 3.
[6] Ibid.
[7] Ibid., 7.
[8] Heilige Jozefmaria, De Voor, 302.
