Strijd, nabijheid, missie (22): Breng licht in de wereld

We zullen anderen de schoonheid van de wereld en van het leven laten zien, zoals God die voor ogen heeft, als we die schoonheid zelf ontdekken.

“Wat is het toch vreselijk om ver van God verwijderd te zijn!”, zou de heilige Johannes Paulus II eens hebben gezegd tegen iemand die al jaren niet meer had gebiecht[1]. Wie niet met het geloof is opgegroeid, of zich er in zijn jeugd van heeft afgekeerd om het later opnieuw te ontdekken, weet maar al te goed wat die vervreemding inhoudt. Wanneer hij voor het eerst ervaart dat God hem wil naderen, gebeurt het soms dat hij Hem niet herkent of Hem op afstand houdt uit trots of uit onwil om zijn leven te veranderen. Maar zodra hij de wapens neerlegt, ervaart hij wat de psalmist schrijft: “Dominus illuminatio mea; De Heer is mijn licht” (Ps. 27,1). De wereld verandert dan niet; alles blijft hetzelfde, en toch wordt alles anders. Alles verschijnt in de glans van Gods licht.

Willen zien

Jezus en zijn leerlingen trekken door de drukke straten van Jeruzalem en langs de zonovergoten wegen van Galilea. Onderweg ontmoeten zij mensen die wel de hitte van de zon op hun huid voelen, maar haar gouden stralen niet kunnen zien; mensen die enkel het rumoer van de menigte horen, zonder te weten waar het vandaan komt of wat het betekent. Zij zijn blind. Ze kunnen hun weg niet vinden, omdat ze niet weten waarheen te gaan. Sommigen rondom hen reageren met leedvermaak, anderen met minachting of medelijden. Hun leven mist letterlijk perspectief.

Dan gebeurt plots iets wat niemand had verwacht. Gevoed door de profetieën van Jesaja brandt diep in een hart een klein vlammetje van geloof en hoop: „Dan worden de ogen van de blinden ontsloten” (Jes. 35,5). De tijd van de vervulling is aangebroken. Bartimeüs roept luid: „Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!” Jezus antwoordt: «Wat wilt ge dat Ik voor u doe?» En hij zegt: «Ut videam, maak dat ik zien kan». Op het krachtige en eenvoudige woord van Jezus — «Ga, uw geloof heeft u genezen» — begint Bartimeüs te zien (vgl. Mc. 10,46-52).

We maken nu een sprong van twintig eeuwen vooruit. De heilige Jozefmaria wandelt door de straten van Logroño en kijkt aandachtig naar gevels en architecturale details, op zoek naar inspiratie voor zijn toekomstige beroep. De jonge Jozefmaria bruist van levenslust: hij groeit op met een open hart en wijd open ogen. Op een winterdag, wanneer de schoonheid van de gebouwen scherp afsteekt tegen het wit van de sneeuw, vallen zijn ogen op enkele karmelieten die blootsvoets door de sneeuw lopen. Hun voetsporen getuigen van een eenvoudige en moedige vroomheid. Andere voorbijgangers zullen ze snel uitwissen, maar in het hart van die jongen blijven ze voorgoed gegrift.

Wat roept die ervaring in hem op? Dezelfde woorden als die van de blinde van Jericho: Domine, ut videam! Net als Bartimeüs zal hij roepen en bidden, en net als Bartimeüs zal hij worden verhoord. Na tien lange jaren van gebed, smeekbeden, zoeken en verlangen zal hij de missie herkennen die God hem toevertrouwt. Maar die dag — 2 oktober 1928 — zal niet de laatste keer zijn dat hij met deze woorden bidt. Ze zullen op zijn lippen blijven, klaar om telkens opnieuw uitgesproken te worden, tot het einde van zijn leven. Zijn voortdurende gebed om het licht niet te verliezen, om Gods nabijheid niet kwijt te raken, zal hem in staat stellen dit verlangen ook aan vele anderen door te geven.

Tegenover het vurige gebed van Bartimeüs en Jozefmaria, die willen zien, staat echter de vrijwillige blindheid: “Houd je ogen gesloten” — lijken sommigen tegen zichzelf te zeggen —, “want er valt eigenlijk niets te zien. Denk niet na, want wat je ook doet, je zult de waarheid niet vinden, en waarschijnlijk bestaat die niet eens. Waarom bidden? Er luistert toch niemand…” Scepticisme — het geloof dat ons uiteindelijk slechts de duisternis van een rede zonder geloof rest — wordt zo een voedingsbodem voor wanhoop: die innerlijke toestand waarin elk verlangen om een doel te bereiken verdwijnt, omdat men ervan overtuigd raakt dat er niets te vinden valt; of dat, als er al iets bestaat, het buiten ons bereik ligt.

Voordat Jezus een blinde of een zieke geneest, vraagt Hij vaak: „Wat wilt ge dat Ik voor je doe?” Daarmee herinnert Hij ons aan iets wat we eigenlijk al weten: Jezus geneest ons alleen als wij onze blindheid erkennen en eruit bevrijd willen worden. Wie denkt dat hij al perfect ziet, kan niet van zijn blindheid genezen worden (vgl. Joh. 9,39-41). Wie liever zijn ogen gesloten houdt of zijn kop in het zand steekt, heeft niets van Jezus te vrezen: de Heer kan weinig voor hem doen. Wie daarentegen beseft dat hij blind is, zal uiteindelijk gaan zien, ook al laat het wonder soms op zich wachten, zoals bij die andere blinde die eerst wandelende bomen zag in plaats van mensen (vgl. Mc. 8,24).

In het duister

De eerste pagina van de Divina Commedia, die meeslepende reis door hel, vagevuur en hemel, opent met een kort zelfportret van Dante. Midden in zijn leven — nel mezzo del cammin di nostra vita — bevindt de schrijver zich in een donker woud [2]. Zijn ogen zijn wijd open. Hij is niet blind, en toch ziet hij nauwelijks meer dan de arme Bartimeüs. Waar hij ook kijkt, overal stuit zijn blik op de duisternis van het bos. Hij struikelt en valt. Het lijkt alsof hij gedoemd is daar te sterven. Hoe hij op die plaats is terechtgekomen, weet hij zelf niet goed te verklaren. Maar het Evangelie geeft ons een aanwijzing.

Jezus vertelt over tien meisjes die zich allemaal op een donkere weg bevinden. Elk van hen draagt een lamp om de weg te verlichten. Vijf zijn verstandig en hebben olie meegenomen om hun lampen brandend te houden tot het einde. Vijf zijn dwaas en onbezonnen. Ze zijn met van alles bezig en vergeten olie mee te nemen. Wanneer de nacht valt, kunnen de eersten verdergaan, terwijl de anderen achterblijven in het donker (vgl. Mt. 25,1-13).

Dantes donkere woud beschrijft de ervaring van een mens die door het leven dwaalt zonder werkelijk te weten waarheen. Soms kiezen we er zelfs vrijwillig voor in die duisternis te blijven: “Houd het licht uit, want wie weet wat je zult zien wanneer het aangaat...” Onze eigen onvolmaaktheid, onze zonden, het besef van het kwaad in de wereld — alles lijkt ons soms uit te nodigen om in het donker te blijven.

Het is nacht, merkt de heilige Johannes op, wanneer Judas de zaal van het Laatste Avondmaal verlaat om Jezus te verraden (Joh. 13,30). In het donker vindt de duivel gemakkelijker toegang tot de ziel. Men herkent hem minder duidelijk als de vader van de leugen. Misschien laat men dan gemakkelijker toe dat de ziel bezoedeld raakt, juist omdat men nauwelijks nog ziet hoe vervuild zij geworden is. En wanneer iemand een kaars wil aansteken, weigert men misschien liever en houdt men alles in het donker, want: «Ieder die slecht handelt, heeft een afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden» (Joh. 3,20).

De duivel lijkt daarentegen niet te beschuldigen; het is alsof de zonden niet meer vergeven hoeven te worden wanneer men hem volgt, omdat ze eenvoudigweg oplossen in de duisternis. Maar ook al zoeken wij soms een schuilplaats in het donker, in werkelijkheid zijn wij geschapen voor het licht.

Met het licht spelen

Van Dantes donkere woud verplaatsen we ons naar Times Square in New York. De ervaring is overweldigend. Je wordt omringd door felle lichten die strijden om je aandacht, om je blik. Restaurants, bioscopen en winkels met een aanbod dat grenzeloos lijkt: verleidelijke paleizen van moreel verval. Je ogen staan wijd open. Je bent niet blind en het ontbreekt je niet aan licht. En toch ben je niet veel beter af dan Bartimeüs langs de weg, noch dan Dante in zijn donkere woud. Je ziet te veel. Je blik springt van de ene prikkel naar de andere en wanneer hij ergens blijft hangen, is het zelden wat je werkelijk wilde zien, maar wat toevallig je aandacht heeft gevangen. Je bent omringd door licht, maar dwaalt in een schemerzone.

De lichtreclames van Times Square zijn allang niet meer beperkt tot één plek op de wereldkaart: ze knipperen in ieders broekzak. En de vijand weet dat maar al te goed. Omdat hij in de pure duisternis geen zielen kan verleiden, overspoelt hij de paden met felle maar vluchtige lichten, en probeert hij tegelijk de wegen van God te verduisteren. De geestelijke strijd tussen goed en kwaad, tussen de aartsengel Michaël en Lucifer, tussen de kinderen van het licht en de kinderen van de duisternis, is uiteindelijk een strijd om de verlichting van de wegen.

Laten we stilstaan bij het verhaal van onze eerste ouders, dat ook ons eigen verhaal is. God hult het hele paradijs in een prachtig licht en schenkt Adam en Eva de vrijheid om van alle bomen te eten, behalve van één. Dan verschijnt de slang, die begint met het doven van dat licht in de tuin: “Dus jullie mogen van geen enkele boom eten?” “Integendeel,” antwoordt Eva, “we mogen van alle bomen eten, behalve van die ene.” En zo verlegt de slang, ogenschijnlijk onschuldig, haar aandacht naar de verboden boom die verlicht blijft staan midden in de tuin, alsof er geen andere is. De vruchten lijken plots onweerstaanbaar. Eva’s blik en verlangen verschuiven. Ze ziet de rest van het paradijs niet meer; alleen nog die ene aantrekkelijke vrucht, die schijnbaar vol goddelijke beloften zit; ze raakt erdoor geobsedeerd. En ze eet. En met die daad dooft ook het innerlijke licht. Het paradijs verdwijnt. Het zal pas opnieuw zichtbaar worden in het licht van de Heer, onze Verlosser (vgl. Gn. 3,1-7).

Ook wij staan soms voor zulke keuzes: ons even terugtrekken om te bidden, of neerploffen op de sofa om een serie te kijken of een boek te lezen. Wanneer we beide opties in het licht van God bekijken, wordt het duidelijk: het gebed is een paradijs dat vrucht draagt, terwijl het alternatief vaak niet meer biedt dan een kort moment van ontspanning en vermaak — iets wat evengoed op een ander moment kan. En toch kiezen we zo vaak voor het tweede. Omdat de vijand — en soms eenvoudigweg onze eigen zwakheid — met het licht speelt: hij dimt het gebed tot iets vaags, terwijl hij het alternatief in een verleidelijk schijnwerperlicht zet.

De duivel vermomt zich als een engel van het licht (vgl. 2 Kor. 11,14) en verleidt ons om “duisternis voor licht en licht voor duisternis” te houden (Jes. 5,20). Maar de Heer wil rekenen op ‘kinderen van het licht’ (Joh. 12,36) die dat spel leren doorzien, en vooral die de schoonheid van het ware licht ontdekken en verspreiden: «Kinderen van God. Dragers van de enige vlam die de weg van de mensen op aarde kan verlichten; van het enige licht waarvoor schaduw, schemer of duisternis wijkt. De Heer gebruikt ons als fakkels om dat licht te laten schijnen… Het hangt van ons af of veel mensen niet langer in de duisternis blijven, maar de paden volgen die naar het eeuwig leven leiden.»[3].

De wereld vullen met licht

Een blik op onze tijd laat ons het brede spectrum zien van levenssituaties waarin mensen zich bevinden. Het gaat om manieren van kijken en leven die niet netjes naast elkaar bestaan, maar zich tegelijk en vaak overlappend voordoen, als verschillende lagen van één werkelijkheid.

Sommigen zien, wellicht omdat zij een vertekend beeld van het evangelie hebben meegekregen, nauwelijks verder dan een aantal ideeën die voor hen de werkelijkheid lijken te verklaren en die vooral een gevoel van geruststelling bieden. Doordat hun toegang tot de wereld grotendeels wordt gestuurd door relaties en algoritmen die hun eigen overtuigingen en levensstijl bevestigen, wordt verandering niet eenvoudiger. Tegelijk kan juist die immense digitale agora die het internet is, evenals de opkomst van kunstmatige intelligentie, onverwachte inzichten mogelijk maken.

Naast hen zijn er ook velen die, teleurgesteld door het relativisme of door andere ideologieën die zij ooit omarmden, op zoek zijn naar licht en zingeving. Hun zoektocht gaat echter soms gepaard met een zekere angst voor precies dat licht waarnaar zij verlangen[4], en met de versnippering waaraan zij worden blootgesteld in de hyperconnectieve wereld waarin we leven. Hoewel de enorme ontwikkeling van de digitale wereld bepaalde aspecten van het leven aanzienlijk heeft verbeterd, heeft zij tegelijk op alle terreinen — reizen, ontspanning, informatie — een vrijwel onbeperkt aanbod aan mogelijkheden gecreëerd, dat persoonlijke relaties, en in het bijzonder de relatie met God, kan bemoeilijken.

Wij die de God willen navolgen en uitdragen die zelf Licht is, worden soms ook verleid door de schijnbare veiligheid van de duisternis, of overmand door een verstrooidheid die sterker lijkt dan wijzelf: «Afleiding zoeken. - Je hebt afleiding nodig!… Je spert je ogen wijd open, om de beelden van de wereld goed op te nemen, of je knijpt ze samen omdat je kortzichtig bent. Sluit ze helemaal: heb innerlijk leven, en je zult in onvermoede kleuren en vormen de pracht van een mooiere en nieuwe wereld zien: je zult met God omgaan…, je armzaligheid erkennen…, en in God opgaan - met een vergoddelijking die, naarmate je dichter bij de Vader komt, je meer tot broeder zal maken van je broeders, de mensen.»[5].

De heilige Jozefmaria spreekt over het belang van een innerlijk leven, over het feit dat er iets in ons moet gebeuren waardoor de krachten van ons binnenste sterker worden dan die van de eerste de beste die langskomt en ons iets anders probeert aan te praten. Dit leven wordt gevoed door gebed, stilte en de sacramenten, maar ook door lezen, schrijven, film, kunst, podcasts en gesprekken. Elk van deze uitgestrekte domeinen biedt ons zowel de mogelijkheid tot eenvoudig vermaak — om de tijd te vullen — als de kans om ons innerlijk te verruimen, onze blik op de wereld te verdiepen en onze dialoog met anderen en met God te intensiveren.

We zullen anderen de schoonheid van de wereld en van het leven laten zien zoals God die heeft bedoeld — dat is de blik van het geloof — als we die schoonheid zelf leren ontdekken. De Heer wil ons laten kijken met Zijn ogen, maar daarvoor moeten wij ook werkelijk willen zien. Dat vraagt om weerstand tegen de wisselende, vluchtige lichten van een wereld die voortdurend draait rond de laatste trend; het vraagt om het zoeken naar het licht van de sterren, ver weg van de lichtvervuiling van de duizend prikkels waaruit we voortdurend kunnen kiezen.

Het betekent bijvoorbeeld dat we erin slagen om tijd te maken waarin we één ding tegelijk doen: bidden, een boek lezen, een film bekijken, met iemand spreken — zonder tegelijk berichten te beantwoorden of kleine taken tussendoor af te handelen. Die keuze voor eenvoud maakt ons aanwezig in het hier en nu. Want alleen waar echte aanwezigheid is, echte aandacht, kan iets als epifanie gebeuren, als openbaring. En dan pas kunnen we zelf licht worden dat verlicht en verwarmt.

«De wereld vullen met licht, zout en licht zijn (zie Mt 5, 13-14), zo heeft de Heer de zending van zijn leerlingen omschreven. Het blijde nieuws van de liefde van God verspreiden tot aan het uiteinde van de aarde. Daaraan moeten alle christenen op een of andere manier hun leven wijden.»[6]. Het is onze missie om de ware wegen voor de mensheid te verlichten: de wegen die leiden naar de enige bestemming die niet teleurstelt, de wegen naar de hemel. Er is één weg: Jezus Christus. En toch zijn er vele wegen binnen die ene Weg, want Hij laat zich op uiteenlopende manieren vinden. «Maar als wij wandelen in het licht — zoals Hij zelf in het licht is —» (1 Joh. 1,7), dan zullen wij wegen verlichten voor velen die voordien niet eens wisten dat die wegen bestonden.

Waar zij vroeger misschien niet verder keken dan de horizon van plezier of succes, opent zich nu een ander landschap: een pad waarop mensen vrolijk samen onderweg zijn, en aan het einde het licht van de opgaande zon — de verrezen Heer.


[1] Geciteerd in Pacheco, J.-F. Amar y ser feliz, Madrid, Rialp, 2007, cap. 6.

[2] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto I. Nel mezzo del cammin di nostra vita (Halverwege de weg van ons leven) is de beroemde beginvers van dit hoogtepunt van de universele literatuur.

[3] Heilige Jozefmaria, De Smidse n. 1. cfr ook Brief 6 n. 3.

[4] Cfr. Leo XIV, Homilie, 25-12-2025.

[5] Heilige Jozefmaria , De Weg n. 283.

[6] Heilige Jozefmaria , Christus komt langs n. 147.

Niko Schonebaum – Carlos Ayxelà