De oproep tot het Jubileum van 2025, die paus Franciscus bekendmaakte, begint met enkele woorden van de heilige Paulus gericht aan de Romeinen, die ook de titel van het document vormen: “De hoop wordt niet teleurgesteld” (Rom 5,5), spes non confundit. Deze woorden hebben een zeer diepe betekenis. Wanneer we werkelijk hoop hebben, stelt die niet teleur. Wij kunnen falen, maar de hoop nooit, want God is trouw aan zijn liefde voor ons en aan zijn beloften. Het is waar dat we soms hoop koesteren w.b. dingen die niet gebeuren: we hopen bijvoorbeeld op het succes van een concreet apostolisch initiatief of op het resultaat van een gesprek, en het kan gebeuren dat de vruchten uitblijven. Betekent dit dat de hoop ons in de steek heeft gelaten? Nee, want de hoop die gegrondvest is op Gods liefde voor ons stelt ons in staat om met zekerheid te zeggen, zoals onze Vader, de heilige Jozefmaria, altijd beweerde: “Niets gaat verloren!” (De Smidse, nr. 278). Wat we voor de Heer doen, wat we in overeenstemming met Gods wil verrichten, is altijd vruchtbaar ook al zien we de resultaten niet onmiddellijk. Misschien zien we ze op een andere manier, op een ander moment, of misschien zien we ze in dit leven helemaal niet. Misschien is het iets anders dan we hadden verwacht. Zo kunnen we er absoluut zeker van zijn dat er niets verloren gaat.
Na deze korte inleiding zal deze les voornamelijk bestaan uit het herlezen van enkele teksten van de Paus – uit de bul waarin het Jubileum van 2025 wordt afgekondigd –, teksten van de heilige Jozefmaria en, uiteraard, uit de Heilige Schrift. Mijn bedoeling bij het citeren en kort toelichten ervan is dat ze ons de gelegenheid bieden om in onze ziel een gesteldheid te bevorderen waardoor onze hoop kan groeien. De bovennatuurlijke hoop is een gave van God; die kunnen we niet met onze menselijke kracht alleen verwerven, maar we kunnen onze ziel wel openstellen om Gods gaven te ontvangen, in het bijzonder het geloof, de hoop en de naastenliefde.
Wat is de hoop?
De hoop is een deugd die ons ertoe brengt erop te vertrouwen dat we een toekomstig goed zullen bereiken, dat weliswaar meer of minder moeilijk is, maar wel mogelijk. Dit zijn de drie voorwaarden: toekomst, moeilijk en mogelijk. Een hoop die niet aan deze criteria voldoet, zou geen zin hebben. Ik kan bijvoorbeeld niet zeggen dat ik hoop morgen naar de maan te reizen; dat zou een ‘rare’ hoop zijn, omdat het niet mogelijk is. Het is ook geen hoop om iets te verlangen dat niet moeilijk is. Ik heb in strikte zin niet de hoop dat ik over drie uur thuis zal zijn. Hoewel in dit leven niets honderd procent zeker is zijn er dingen die, menselijk gezien, niet echt het voorwerp van hoop zijn.
De hoop is een fundamentele menselijke deugd, want we hopen allemaal ergens op. We verwachten altijd vruchten van ons werk, goede dingen die we kunnen bereiken, het einde van allerlei situaties. Maar zoals ik in het begin al heb opgemerkt, is de hoop ook een bovennatuurlijke, theologische deugd. Waarop hoopt men met de bovennatuurlijke deugd van de hoop? Op het eeuwige leven, de vereniging met God, de verlossing, het onmetelijke geluk van de hemel. Dat is onze grote hoop. Deelnemen aan het leven van God is een realiteit die we kunnen bereiken, omdat God zelf ons dat aanbiedt.
In het hart van iedere persoon bestaat er al een menselijke, natuurlijke en noodzakelijke hoop. De Paus schrijft: “In het hart van ieder mens leeft de hoop als verlangen naar en de verwachting van het goede, ook al weet hij niet wat morgen zal brengen” (Spes non confundit, nr. 1). Ook al geeft de hoop menselijk gezien geen zekerheid, toch verwacht ze ook niet iets onmogelijks; het is een verwachting van het goede, een mogelijkheid dat dat goede zal komen.
Het voorwerp van de theologale hoop, die ook de natuurlijke hoop tot volle wasdom brengt, is de verlossing, het eeuwige geluk bij God. De heilige Paulus zegt: “Omwille van de hoop die voor u in de hemel is weggelegd” (Kol 1, 5). Deze hoop op het geluk in de hemel gaat samen met het geloof in Gods liefde voor ons en in de middelen die Hij heeft voorzien om de hemel te bereiken: de Eucharistie, het gebed…
De hoop op het eeuwig leven is zo belangrijk dat het Concilie van Trente degenen veroordeelde die beweerden dat het verkeerd was om op het eeuwig leven te hopen en dat men alles moest doen zonder de beloning van de hemel na te streven. Het concilie zegt: “Als iemand beweert dat een gerechtvaardigd persoon zondigt door goed te handelen, gedreven door de hoop op de eeuwige beloning, laat hij dan vervloekt zijn” (Concilie van Trente, sessie VI, can. 31). De hoop op de eeuwige beloning is niet alleen niet slecht, maar is iets wat God wil en wat verbonden is met het geloof en de naastenliefde.
Het fundament van de hoop
Wat is de grondslag van de hoop? Het antwoord is eenvoudig: het geloof. Zoals in de Brief aan de Hebreeën staat: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen” (Hebr 11,1). Wat voor geloof is dit? Het geloof in Gods liefde voor ons. Een geloof dat zekerheid geeft aan de hoop, omdat deze gegrondvest is op iets wat nooit faalt: de onwankelbare liefde van God voor ieder van ons.
De Paus bevestigt dat “de hoop immers voortkomt uit de liefde en zich baseert op de liefde, die ontspringt uit het Hart van Jezus, dat op het kruis is doorboord.” (Spes non confundit, nr. 3). En hij citeert vervolgens onmiddellijk de heilige Paulus in zijn Brief aan de Romeinen: “Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven” (Rom 5,10). Zo komt de hoop voort uit de zekerheid van het geloof in Gods liefde voor ons.
We hebben het in ons leven nodig dit geloof in Gods liefde, die een concrete liefde is, te koesteren. Het gaat niet om een abstracte liefde voor de mensheid in het algemeen, maar om een persoonlijke liefde, die gericht is op ieder van ons, op dit moment en altijd. De Heer kijkt naar ons, Hij is in ons aanwezig met de genade die ons verheft en heiligt, en Hij houdt op een heel persoonlijke manier van ons. Deze liefde is onze kracht; zij geeft ons hoop op iets wat, hoewel moeilijk, toch mogelijk is: dat wij heiligen worden, wat het doel is van onze hoop: de definitieve en volledige vereniging met God.
Het is belangrijk om te onthouden dat het in het geestelijk leven, in de ascetische strijd, wanneer we beginnen en opnieuw beginnen, altijd nodig is om uit hoop te leven. Een hoop die gefundeerd is. Niet op onze eigen krachten, alsof het een strijd is die we koste wat kost moeten winnen, maar gegrondvest op de liefde van God. God houdt rekening met onze zwakheid, maar bovenal rekent Hij op Zijn oneindige macht, die één is met Zijn liefde voor ons.
Het is ook belangrijk om te overwegen dat kennis en liefde in God samenvallen. Hij kent ons en houdt oneindig veel van ons. En meer specifiek spoort de geest van het Opus Dei ons aan te beseffen dat Gods liefde ons daadwerkelijk tot zijn dochters en zonen maakt. Dit besef van ons goddelijk kindschap versterkt onze hoop, zoals de heilige Jozefmaria in een van zijn preken uitlegt: “De zekerheid mij een kind van God te voelen — te weten — vervult mij, en ik wens dat jullie hetzelfde gebeurt, werkelijk met hoop. Deze hoop is een goddelijke deugd, die ons wordt ingestort en zich aan onze natuur aanpast en daarmee is ze ook een zeer menselijke deugd” (Vrienden van God, nr. 208).De bovennatuurlijke deugd van de hoop versterkt het natuurlijke vermogen van de mens om goede dingen te verwachten, ook al zijn die moeilijk te bereiken. Het besef dat wij kinderen van God zijn, geeft ons een vast vertrouwen in ons einddoel. De ervaring van onze eigen ellende zou er misschien toe kunnen leiden dat we er hooguit op hopen gered te worden, alsof die redding niet samen zou vallen met de heiligheid, alsof we de heiligheid beschouwen als een ‘ascetische utopie’.
Ons doel is heilig te worden, en als ons leven ten einde loopt zonder dat we heilig genoeg zijn, zullen we door het vagevuur gaan totdat we dat wel zijn. Het is moeilijk om zonder inspanning de heiligheid te bereiken; daarom is het leven van heiliging moeilijk, maar de hoop om die te bereiken wordt mogelijk gemaakt door Gods genade.
Zoals ik zojuist met woorden van onze Vader in herinnering heb gebracht, wordt de aard van onze hoop bepaald door ons goddelijk kindschap. We hebben een buitengewone reden om te hopen dat we heilig zullen worden, om te geloven in de vruchtbaarheid van ons leven: dat we door God geliefde dochters en zonen zijn. We herinneren ons dit zo vaak, nu met enkele woorden van de heilige Johannes: “Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft en wij gelóven in haar” (1 Joh 4,16). Dit is de essentie van het leven volgens het Evangelie: de liefde van God voor ons kennen en erin geloven, wetende dat we kinderen van God zijn dankzij zijn liefde. En dit geloof in praktijk brengen.
Dit geloof in Gods liefde brengt ons ertoe vol vertrouwen in de voorzienigheid te leven. Dat wil zeggen: in de wetenschap dat we niet aan de grillen van de wereld zijn overgeleverd. Het is niet zo dat God veel van ons houdt en we vervolgens op onszelf zijn aangewezen. God houdt van ons en, met respect voor onze vrijheid, begeleidt Hij ons voortdurend. Zijn liefde is geen afstandelijke liefde, maar een zorgzame liefde. Paus Benedictus XVI schrijft in zijn encycliek over de hoop, Spe salvi, dat “God het fundament van de hoop is; maar niet zomaar een god, maar de God die een menselijk gelaat heeft en die ons tot het uiterste heeft liefgehad, ieder afzonderlijk en de mensheid als geheel”. Het geloof in deze concrete liefde van God voor ons vormt het fundament van onze hoop. In tegenstelling hiermee beschrijft de heilige Paulus in zijn brief aan de Efeziërs de heidenen als mensen “zonder hoop en zonder God in de wereld” (Ef 2,12). De hoop is gegrondvest op God, op zijn concrete en persoonlijke liefde. Hoewel de menselijke hoop bestaat, is die beperkt tot dit leven en reikt ze niet verder. Zonder God kan men niet echt hopen op iets definitiefs.
De zekerheid dat God er alles aan doet
De christelijke hoop kent een schijnbare tegenstrijdigheid: zekerheid. Kunnen we zeker zijn van iets dat weliswaar mogelijk is, maar niet onmiddellijk noch volkomen zeker? Ja: we hebben een zekere hoop, gegrondvest op de wil van God, op het feit dat Hij trouw is aan zijn liefde voor ons. “God wil, dat gij u heiligt” (1 Tess. 4,3). Dit betekent niet alleen dat God wil dat wij heilig zijn, maar dat Hij zelf – om het zo te zeggen – zich inzet voor onze heiliging. God geeft ons niet alleen de middelen – de openbaring, de sacramenten… – maar Hij geeft ons, zonder onze vrijheid te forceren – door ons juist vrijheid te géven – ook alle genade die nodig is om het doel te bereiken. We hebben de vaste hoop dat we de eindstreep zullen halen als we dat willen, want de genade zal ons niet ontbreken: God is trouw.
Zoals de woorden van de heilige Paulus in de brief aan de Efeziërs weergeven: “Maar God, die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons met Christus ten leven gewekt; hoewel wij dood waren door onze zonden; aan zijn genade dankt gij uw redding. En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus” (Ef 2,4-6). De apostel zegt niet “Hij zal ons doen zetelen in de hemel”, maar “Hij heeft ons in de hemel doen zetelen”. Deze kracht van de hoop leidt tot zekerheid, zonder op te houden hoop te zijn.
De heilige Jozefmaria heeft geschreven: “Ik ben gelukkig met de zekerheid van de hemel die we zullen bereiken, als we trouw blijven tot het einde” (Vrienden van God, nr. 208). Hoewel het tegenstrijdig zou kunnen lijken om “zeker te zijn van iets dat niet zeker is”, is dat in werkelijkheid niet zo. Daarin bestaat de ware christelijke hoop. We zijn zo zeker van Gods liefde, dat we een vaste en zekere hoop kunnen koesteren. Deze hoop overstijgt onze ellende en tekortkomingen en leidt ons naar de zekerheid dat we, zoals onze Vader altijd zei, weliswaar met tekortkomingen zullen sterven, maar toch heilig kunnen worden, omdat de Heer ons – mits wij meewerken – zal brengen tot een heiligheid die bestaat uit de volheid van de liefde. En de volheid van de liefde is volkomen verenigbaar met het hebben van gebreken, op voorwaarde dat we die gebreken niet accepteren of willen, maar er uit liefde keer op keer tegen strijden, ook al lukt het niet om ze volledig te overwinnen.
We zijn er dus zeker van dat we naar de hemel zullen gaan als we trouw zijn, als we in zijn liefde blijven. Bovendien hebben we de zekerheid dat we trouw zullen zijn als we dat willen, als we vrijwillig in de liefde volharden, want de genade van God zal ons niet ontbreken.
De zekerheid van het onmogelijke
De christelijke hoop is geen ijdele hoop, want we rekenen op de genade van God. Daarom moeten we, op bovennatuurlijk vlak, zowel wat betreft onze persoonlijke heiliging als de blijvende vruchtbaarheid van het apostolaat van het Werk, zowel in ons persoonlijk leven als in onze inzet om het Opus Dei vooruit te helpen, rekening houden met wat de heilige Jozefmaria zei over “de zekerheid van het onmogelijke” (Brief 29, nr. 60). De hoop maakt het mogelijk “de zekerheid van het onmogelijke te hebben”.
De zekerheid van het onmogelijke, op de eerste plaats dat we heilig kunnen worden, want wanneer we onze zwakheid of onze beperkte mogelijkheden ervaren, lijkt het onmogelijk dat we heilig kunnen worden. Toch hebben we de zekerheid dat we dat kunnen, omdat we geloof hebben in de liefde van God, die het fundament van de hoop is.
Ook de herinnering die de heilige Paulus in zijn Brief aan de Romeinen oproept aan de figuur van Abraham, die tegen alle hoop in bleef hopen, is heel mooi. Onze Vader haalde deze uitdrukking vaak aan: “hopen tegen alle hoop in”. Zogezegd lijkt het opnieuw een tegenstrijdigheid, maar goed begrepen is het de volheid van de hoop. Het betekent dat we ook kunnen hopen wanneer er menselijk gezien geen reden toe is.
De christelijke hoop heeft dus een stevig fundament: de belofte van God zelf om met Hem verenigd te worden, want daarin zal de glorie van de hemel bestaan. Maar die hoop komt ook tot uiting in veel aspecten van het dagelijks leven. De apostolische hoop is heel belangrijk. Zoals de heilige Paulus in de eerste Brief aan de Korintiërs schrijft: “Gij weet toch dat uw inspanning, dankzij Hem, niet vergeefs is” (1 Kor 15,58). Onze Vader wilde de Latijnse woorden van deze tekst op de stenen bovenlijst van een deur in de Villa Vecchia in Rome laten aanbrengen: Semper scientes quod labor vester non est inanis in Domino. Niets van wat we doen is in de ogen van God tevergeefs.
De paus roept in Spes non confundit op om hoop te verspreiden, wanneer hij schrijft:
“Inclusieve zorg moet worden besteed aan degenen die zich in bijzonder moeilijke situaties bevinden, worstelend met hun eigen zwakheden” (nr. 11). Het is heel belangrijk om hoop te geven, want veel mensen lijken die niet te hebben. Leven zonder hoop, leven zonder echte doeleinden die de moeite waard zijn, werkt verlammend. We moeten op de een of andere manier hoop bieden in ons apostolaat, in de zorg voor de mensen van thuis die we helpen. We moeten mensen zijn die hoop geven, die meer nadruk leggen op de oplossingen dan op de moeilijkheden. We moeten positief zijn, dragers van hoop.
We moeten ook met hoop leven wanneer we persoonlijke moeilijkheden meemaken. We hebben allemaal op de een of andere manier moeilijkheden: door de ervaring van onze eigen tekortkomingen, op het werk, met onze gezondheid, van allerlei aard. In het leven kunnen we moeilijkheden tegenkomen, en dat gebeurt ook echt. De paus citeert in Spes non confundit uitvoerig de tekst van de Brief aan de Romeinen: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard? Er staat immers geschreven: Om Uwentwil bedreigt ons de dood de gehele dag; wij worden behandeld als slachtvee. Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dankzij Hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer” (Rom 8,35-39). Het is een buitengewone tekst, om vaak in ons gebed te overwegen. De Paus zegt hierover kort: “Daarom geeft deze hoop niet op bij moeilijkheden: ze is gegrondvest op geloof en wordt gevoed door naastenliefde” (Spes non confundit, nr. 3). En op deze manier maakt zij het mogelijk dat wij verder gaan in het leven. Zo is het, hoeveel moeilijkheden we ook doormaken. Wat zal ons scheiden van de liefde van God? Hoogte of diepte? De machten, de dood, het leven, het zwaard, de gevaren, de honger? Niets kan ons scheiden, als we ons niet zelf willen afkeren. Want “niets zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods”, zegt de heilige Paulus, “die is in Christus Jezus, onze Heer” (Rom 8,39). Alleen wijzelf kunnen ons van Gods liefde afkeren. Alleen wijzelf. Niet de duivel, niet de ziekte, niet de tegenslagen. Alleen onze eigen vrijheid. Daarom kunnen we, wanneer we met moeilijkheden worden geconfronteerd, altijd een diepe hoop koesteren in Gods liefde, die zich in Christus Jezus heeft geopenbaard.
Waar ligt jouw hoop?
In deze context is het ook prachtig de volgende tekst van onze Vader, in de Instructie voor het werk van Sint Rafael, nog eens te lezen: “Werkt vol hoop: plant, besproeit, en vertrouwt op Hem die de groei schenkt, God” (vgl. 1 Kor 3,7). En wanneer de moedeloosheid komt, als de Heer deze bekoring toestaat; bij schijnbaar ongunstige omstandigheden; wanneer jullie in sommige gevallen de vruchteloosheid van jullie apostolische vormingswerk constateren; als iemand jullie zou vragen, zoals aan de vader van Tobias,: “ubi est spes tua?, waar is je hoop?...”, richt dan jullie ogen op de ellende van dit leven, dat niet jullie doel is, en zegt hem, net als die sterke en hoopvolle man uit het Oude Testament “die altijd aan de Heer dacht en Hem met heel zijn hart liefhad quoniam memor fuit Domini in toto corde suo (Tob 1, 13),: Filii sanctorum sumus, et vitam illam expectamus, quam Deus daturus est his, qui fidem suam nunquam mutant ab eo; wij zijn kinderen van heiligen en verwachten dat God dat leven zal schenken aan hen die hun geloof in Hem nooit hebben opgegeven (Tob 2,18)” (Instructie, 9 januari 1935, nr. 19, opgenomen in Crónica van februari 2025). Tegenover de moeilijkheden moeten we vol hoop blijven werken; we moeten zaaien, in vertrouwen op God, die de groei schenkt. Niet door te vertrouwen op onze eigen krachten, maar door deze in al ons apostolaatswerk in dienst te stellen van de Heer. En dat, nogmaals, in de wetenschap dat onze hoop rust op de zekerheid van de liefde van God voor ons.
Dus hoop in de overgave, met edelmoedigheid. Het loont de moeite om edelmoedig te zijn in het apostolaat, in alles wat inspanning vergt om mensen tegemoet te treden. Ook de versterving bij het apostolisch werk dat tijd en toewijding kost, het overwinnen van moeilijkheden, enzovoort.
Toen de heilige Jozefmaria in Venezuela was, zei hij: “Ik dacht terug aan toen we al die jaren geleden met dit werk begonnen. Ik begon met drie mensen, en nu zijn het er duizenden, honderdduizenden. Maar er was hoop. Er wordt verteld dat Alexander de Grote, terwijl hij zich op een veldslag voorbereidde, eerst al zijn bezittingen onder zijn aanvoerders verdeelde. En een van hen zei tegen hem: ‘Maar heer, wat blijft er dan voor u over?‘ Waarop hij antwoordde: ‘Mij blijft de hoop.’” En hij voegde eraan toe: “Ik zie jullie, en mij blijft de hoop” (Van onze Vader, Aantekeningen van zijn prediking, 10 februari 1975). Zo is het. Deze woorden kunnen ons helpen hoop te hebben in de anderen. Wanneer jullie je persoonlijke zwakheid ervaren, kunnen jullie hoop putten uit het zien van jullie broeders en zusters. En die hoop is geroepen zich over de hele wereld te verspreiden.
Vrede, gebed, vreugde
De Paus spreekt over hoop hebben op vrede in de wereld, een vrede die nog ver weg is. Niet alleen vanwege de grote oorlogen die er woeden – die verschrikkelijk en triest zijn – maar ook vanwege het gebrek aan vrede in vele lagen van de samenleving. Onze Vader heeft gezegd: “Er is geen vrede in de gewetens” (In dialoog met de Heer, nr. 101). De Paus zegt: “Laat het eerste teken van hoop zich vertalen in vrede voor de wereld, nu de wereld opnieuw wordt ondergedompeld in de tragedie van oorlog” (Spes non confundit, nr. 8). Hoop dat de wereld er beter op zal worden, zeker, want het is ook hoop in de doeltreffendheid van het apostolaat. Maar met realisme; we weten niet wat er zal gebeuren, we kunnen de toekomst niet voorspellen.
De Openbaring en de voorspellingen die de Heer in het Evangelie doet over het einde van de wereld zijn inderdaad heel dramatisch. Maar dat neemt onze hoop niet weg; integendeel, het spoort ons aan om, voor zover het in onze macht ligt, ervoor te zorgen dat alles beter gaat. Wanneer wij naar de huidige situatie kijken, zien wij dat sommige landen gekenmerkt worden door een diepgaande de-christianisering. Steeds meer mensen ontvangen de sacramenten niet meer, hoewel zij katholiek zijn of zich als zodanig beschouwen. Er zijn steden in traditioneel gelovige landen, waar vroeger een zeer wijdverbreide religieuze levenswijze bestond, waar nu slechts een zeer klein percentage van de bevolking op zondag naar de Mis gaat. Maar tegelijkertijd zijn er andere plaatsen waar het veel beter gaat. En zowel op de ene als op de andere plaats kunnen we ervan overtuigd zijn dat er goede mensen zijn, zoals don Javier zei: “Wat zijn er toch veel goede mensen in de wereld!”. Vaak is het gebrek aan vorming de oorzaak. Daarom mogen de moeilijkheden die we in het apostolaat tegenkomen nooit een reden tot ontmoediging zijn, maar een gelegenheid om meer te bidden, om ons in te zetten, om dichter bij de mensen te komen en hen te helpen, met onze vriendschap en vertrouwen. Hoe moeilijker de situatie, des te meer rekent de Heer op ons; niet omdat we beter zijn, maar omdat Hij ons veel vorming heeft gegeven, ook al zijn we zo onbeduidend. Laten we daarom sterk zijn in de hoop!
En dit geldt voor alles. Welke hoop stellen we in het gebed? De Heer heeft gezegd: “Vraagt en gij zult verkrijgen“(Joh 16,24). Dat is indrukwekkend. Vraagt en jullie zullen verkrijgen, dat zijn woorden die absoluut waar zijn. Natuurlijk vragen we soms en ontvangen we niet, maar we kunnen dan denken dat we iets anders verkrijgen, of dat we niet op de goede manier hebben gevraagd. Andere keren vragen we het wel goed en lijkt het alsof we niet ontvangen. We vragen bijvoorbeeld voor een bepaalde apostolische intentie of voor de genezing van een persoon, en die geneest niet… Was het gebed dan zinloos? Nee. Hoewel we niet hebben verkregen wat we vroegen, is dat gebed niet tevergeefs geweest. We kunnen zeker zijn in de hoop, door ons geloof in het woord van God. Niets gaat verloren.
Ten slotte, hoop met vreugde. “Laat de hoop u blij maken” (Rom 12,12), zegt de heilige Paulus. En het is geen hoop zoals in een romantische roman, waarin alles mooi is, daarom voegt hij eraan toe: “Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de verdrukking, volhardt in het gebed”. De heilige Jozefmaria zei het ons zo: “Optimistisch, vol vreugde: God is met ons! Daarom word ik elke dag vervuld van hoop” (Herinneringen aan de zalige Jozefmaria Escrivá, blz. 115). Optimistisch, vol vreugde omdat God met ons is. De deugd van de hoop laat ons het positieve zien, het mooie van het leven, omdat we in alles, zelfs zonder het te begrijpen, de liefde van God zien. Daarom moeten we als we ons een beetje moedeloos, pessimistisch of verdrietig voelen, meteen reageren met een act van groot geloof in het fundament van deze vreugdevolle hoop: vandaag, nu, houdt God waanzinnig veel van mij. Ieder van ons moet dit zeggen en het met een act van diep geloof overwegen. En dat geeft ons weer moed.
Als we het over de hoop hebben, denken we met hart en ziel aan de allerheiligste Maagd, Spes nostra. Zij is de moeder van onze hoop, zij verkrijgt voor ons van de Heer deze genade van de hoop, opdat wij die mogen bezitten en doorgeven, zoals de heilige Petrus zegt: “Weest altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft” (1 Pet 3,15).
* * *
Ik sluit af met de prachtige woorden van de heilige Paulus: “Moge de God van de hoop u vervullen met alle vreugde en vrede in het geloven, zodat gij overvloeit van hoop, door de kracht van de Heilige Geest” (Rom 15,13). Ik raad jullie aan deze tekst te lezen en er diep over na te denken. Laten we vreugdevol zijn en, wanneer we menselijke redenen hebben om dat niet te zijn, bedenken dat er boven iedere menselijke reden een veel grotere reden is, die het fundament van onze hoop vormt: de liefde van God voor ons.
