Maar één ding willen: de drie Weesgegroetjes ’s avonds

Esta costumbre, que tiene su origen en una antigua tradición de la Iglesia y adquirió forma propia en la Obra en tiempos de guerra, expresa el deseo de concluir cada jornada acudiendo a María, reorientando el corazón hacia lo verdaderamente importante y sosteniendo a nuestros hermanos en la lucha por vivir la pureza.

Deze gewoonte, die haar oorsprong vindt in een oude traditie van de Kerk en die in het Werk tijdens de oorlog een eigen vorm kreeg, drukt de wens uit om elke dag af te sluiten door ons tot Maria te wenden, ons hart te richten op wat werkelijk belangrijk is en onze broers en zussen te steunen in hun strijd om de zuiverheid te beleven.

De manier waarop we opstaan en naar bed gaan, zegt veel over wie we zijn. Die eerste en laatste gebaren van de dag laten bijna ongemerkt zien wat we in ons hart dragen. Daarin komen onze diepste verlangens en meest diepgewortelde genegenheden tot uiting, evenals datgene wat wij belangrijk genoeg vinden om onmiddellijk onze aandacht te krijgen. Zo zorgen moeders en vaders er vóór het slapengaan voor dat het goed gaat met hun pasgeboren kindje; en zodra ze wakker worden, lopen ze opnieuw naar de wieg.

Wat we doen bij het naar bed gaan en bij het ontwaken, onthult bovendien niet alleen waar we van houden, maar heeft ook een symbolische betekenis die verwijst naar ons uiteindelijke lot. De slaap is altijd een symbool van de dood geweest, terwijl het openen van de ogen elke ochtend het beeld oproept van een nieuwe geboorte.

Het Evangelie laat ons zien hoe de Heer deze momenten van de dag beleefde. Bij zonsopgang trok Hij zich in stilte terug om alleen te zijn met zijn Vader (vgl. Mc 1,35), en we zien Hem ook in gebed verzonken in de nacht die voorafgaat aan zijn lijden (vgl. Mc 14,32). Vanaf de eerste eeuwen heeft de Kerk Jezus hierin willen navolgen: christenen hebben ernaar gestreefd te bidden bij het aanbreken van de dag, bij zonsondergang en zelfs in het holst van de nacht.

Ook binnen het Opus Dei bestaat de gewoonte om onmiddellijk na het opstaan de dag aan God op te dragen en, voordat men naar bed gaat, drie Weesgegroetjes te bidden. Dit laatste gebruik, dat zijn oorsprong vindt in een oude christelijke traditie, kreeg in de geschiedenis van het Werk op een heel specifiek moment een eigen vorm.

Het was tijdens de Spaanse Burgeroorlog, in het Consulaat van Honduras. In een huis van slechts enkele vierkante meters woonden bijna honderd mensen dicht op elkaar, onder wie de heilige Jozefmaria, zijn broer Santiago en vier leden van het Opus Dei. De dagen verstreken traag, zonder concrete bezigheden om de uren mee te vullen, maar onder een voortdurend gevoel van honger. In die omstandigheden hield onze Vader meditaties voor zijn kinderen om hun gebedsleven te voeden. Tijdens een van die meditaties stelde hij hun het volgende voor:

«Vergeet niet dat we in het Werk drie grote liefdes hebben: Christus, Zijn Moeder en de Paus. Ik zou graag willen dat jullie vanaf nu, naar aanleiding van deze meditatie, een gewoonte aannemen – het zal een van onze gewoonten worden – (...). Die gewoonte zal als volgt zijn: elke dag drie Weesgegroetjes bidden tot Onze-Lieve-Vrouw, op de knieën en met de armen in kruisvorm, voor zover dat mogelijk is, opdat zij aan allen die tot het Werk behoren de gave van zuiverheid schenkt»[1].

Verderop, in de circulaire brief die hij in januari 1938 vanuit Burgos aan alle leden van het Werk schreef, verwijst de heilige Jozefmaria naar deze praktijk als een concrete manier om de gemeenschap van de heiligen te beleven en voor elkaar te zorgen:

«Enige tijd geleden, temidden van de communistische nachtmerrie, ontstond de gewoonte om ’s avonds, vlak voordat men naar bed ging, de drie Weesgegroetjes voor de zuiverheid te bidden. Daarbij vragen wij aan de Heilige Maagd ons rein van ziel en lichaam te bewaren. – Bid deze drie Weesgegroetjes, wanneer dat mogelijk is, op je knieën en met de armen in een kruisvorm.»[2]

Sindsdien is dit gebed een van de vele elementen die de gewone dag van een lid van het Opus Dei vormgeven.

De slaap onder de bescherming van Maria stellen

Wanneer we ons met het meest vertrouwde mariale gebed tot Maria wenden, vragen we haar voor ons te bidden «nu en in het uur van onze dood». Deze smeekbede omvat heel ons leven: het concrete heden, met zijn strijd en kwetsbaarheid, én het ogenblik van de definitieve overgang. Ook aan dat laatste uur zijn troostvolle beloften verbonden, zoals die welke samenhangen met het scapulier van de Karmel.

Daarom is het begrijpelijk dat christenen ook bij het vallen van de avond hun toevlucht nemen tot Maria. Elke dag die ten einde loopt, roept in het klein het einde van ons leven op; en de slaap, die een beeld is van de dood, wordt zo een gelegenheid van vertrouwvolle overgave. De hele Kerk kent dit dagelijkse gebaar: de getijdenliturgie wordt aan het einde van de completen[3] afgesloten met een mariale antifoon, waardoor de nachtrust onder de bescherming van Maria wordt geplaatst.

Voor christenen is Onze-Lieve-Vrouw de morgenster die de dageraad aankondigt, maar ook de Sterre der zee die ons in de duisternis de weg wijst en ons veilig begeleidt. De heilige Bernardus drukte het als volgt uit: «O jij die je ver van het vaste land waant en je op de golven van deze wereld heen en weer geslingerd voelt, te midden van stormen en onweer: als je niet wilt vergaan, houd dan je ogen gericht op het licht van deze Ster, roep Maria aan!» En hij vervolgt: «In gevaar, in angst en twijfel, denk aan Maria, roep Maria aan. Als je haar volgt, zul je niet verdwalen; als je tot haar bidt, zul je niet wanhopen; als je aan haar denkt, zul je niet dwalen. Als zij je ondersteunt, zul je niet vallen; als zij je beschermt, hoef je niet te vrezen; als zij je leidt, zul je niet moe worden; en als zij je bijstaat, zul je veilig de haven bereiken»[4].

Het is veelzeggend dat juist in de moeilijke omstandigheden van de oorlog de gewoonte ontstond om in het Werk ’s avonds de drie Weesgegroetjes te bidden. Het was een concrete uiting van vertrouwen in Maria's zekere hulp, zowel in grote als in kleine tegenslagen. In dezelfde meditatie waarin hij deze gewoonte invoerde, legde de heilige Jozefmaria uit: «Vertrouw jezelf dus steeds meer toe aan onze heilige Moeder Maria en reken steeds meer op haar hulp. Neem je voor om je tot haar te wenden, niet alleen in de grote gevaren van het geestelijk leven, maar ook in de dagelijkse strijd tegen onze vijand. Ik weet dat jullie, als jullie dit vaste voornemen maken, zelfs wanneer jullie er op het ogenblik van de beproeving niet aan denken haar om hulp te vragen, toch haar bijstand zullen ontvangen»[5].

De toevlucht tot Maria was een vast onderdeel van het leven van de stichter van het Opus Dei en is dat ook voor degenen die deze weg volgen. Ons tot haar wenden voordat we gaan slapen, kan een manier zijn om opnieuw haar nabijheid te ontdekken en ons eraan te herinneren dat ons leven een gave is. We sluiten onze ogen in het besef dat we haar hulp nodig hebben en kunnen dat bijvoorbeeld doen met woorden als deze:

«Wij zijn slechts arme schepselen, Heer, maar wij houden heel veel van U en willen nog veel méér van U houden, omdat wij Uw kinderen zijn. Wij rekenen op heel Uw macht en kennen tegelijk heel goed onze eigen ellende. Juist omdat wij onze ellende beseffen, zullen wij als kleine kinderen naar de armen van onze Moeder gaan, naar de schoot van de Moeder van God, die ook onze Moeder is, en naar het Hart van Jezus. Daar zullen wij alle kracht, alle macht, alle moed, alle vrijgevigheid en alle liefde ontvangen die God, onze Heer, voor zijn trouwe schepselen in petto heeft. Zo zullen wij zeker, doeltreffend en blij zijn en zullen wij – gesterkt door die goddelijke kracht en met de hulp van de heilige Maria – de heilige wil van God vervullen»[6].

Eén hart

Gezien de oorlogssituatie is de bezorgdheid om de leden van het Werk begrijpelijk, met name wat betreft de verschillende manieren waarop hun besluit om de christelijke deugd van kuisheid te beleven op de proef zou kunnen worden gesteld. En het is een feit dat het hedonisme dat zich steeds verder heeft verspreid en de erotisering die de cultuur de afgelopen decennia heeft doordrongen, evenmin een erg gunstige context hebben geschapen.

Onder de verschillende middelen die deze deugd bevorderen, neemt het gebed een bijzondere plaats in. De woorden van het Weesgegroet, die de woorden van de aartsengel Gabriël weergeven, plaatsen ons midden in de scène van de aankondiging. Maria luistert naar de goddelijke boodschap en vraagt in alle eenvoud: «Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?» (Lc 1,34). Zij was er zozeer van overtuigd dat God haar maagdelijkheid had gewild, dat zij niet kon begrijpen dat er nu iets anders van haar gevraagd zou worden. «Pas wanneer de aartsengel Gabriël haar antwoordt dat dit niet door toedoen van een man zal gebeuren, maar door een buitengewoon wonder, en dat haar maagdelijkheid en haar goddelijk moederschap hand in hand zullen gaan; pas dan spreekt onze Moeder, de Koningin van de zuiverheid, zij die altijd over de harten van mijn kinderen en over mijn arme hart zal waken, pas dan spreekt zij haar “fiat” uit. Mijn zoon, zie hoe zuiver en heilig Maria is»[7].

Elke avond, voordat we de dag afsluiten, vragen we Maria volgens deze gewoonte om de zuiverheid van hart, die ons zalig maakt en ons in staat stelt God te zien (vgl. Mt 5,8). Waaruit bestaat die zuiverheid? Misschien kan zij als volgt worden samengevat: slechts één ding willen, leven met een verenigd hart. Verschillende passages uit het Evangelie onderstrepen het belang van die innerlijke eenheid. Tegen de rijke jongeman zegt de Heer: «Een ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen» (Mc 10,21). Jezus vraagt hem juist datgene los te laten waaraan zijn hart gehecht is. En Hij waarschuwt zijn leerlingen: «Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig…» (Mt 10,37-38).

Een zuiver hart hebben betekent dat geen enkele liefde boven de liefde voor God staat. Of, beter gezegd, dat er in het hart geen enkele liefde is die een belemmering vormt voor de liefde tot God. Want juist die liefde – wanneer de Heer werkelijk het middelpunt van de ziel inneemt – verenigt, zuivert en ordent alle verlangens van het hart. Zij wordt als het ware een lichtbron van waaruit wij leren al het andere op de juiste wijze lief te hebben.

Deze zuivering verwijst naar een strijd die niet in de buitenwereld wordt gevoerd, maar in het innerlijk van ieder mens. Om God te zien – dat wil zeggen: om Zijn wil te onderscheiden en Zijn aanwezigheid te herkennen in de sacramenten en in onze medemensen, vooral in degenen die Hem het meest nodig hebben[8] – moet het hart worden bevrijd van misvattingen en ketenen die ons doen verlangen naar wat we diep van binnen eigenlijk niet willen. «Die innerlijke zuivering veronderstelt dat men dat deel van het hart herkent dat onder invloed van het kwade staat (...) om zich zo de kunst eigen te maken zich altijd te laten onderwijzen en leiden door de Heilige Geest. De tocht van een ziek hart, van het zondige hart, van het hart dat de dingen niet goed kan zien, omdat het in zonde is, naar de volheid van licht in het hart is het werk van de Heilige Geest. Hij is het die ons leidt om deze tocht te maken. Door deze weg te gaan komen we tot “het zien van God”.»[9].

Het hedendaagse leven, gekenmerkt door een hoog tempo en voortdurende afleiding, brengt nog een bijkomende moeilijkheid met zich mee. Verplichtingen, projecten en tegenslagen stapelen zich op en vullen ook ons innerlijk. Soms ervaren we een vermoeidheid die ons van onze innerlijke rust berooft: we zijn achter het dringende aan gerend en hebben het belangrijke verwaarloosd. Dan beseffen we opnieuw dat ware vrede niet te vinden is in een overvloed aan prikkels of in het najagen van wereldse goederen, maar in de liefde van God. «Hier ligt het geheim van de beweging van het menselijk hart: terugkeren naar de bron van zijn bestaan, zich verheugen in de vreugde die nooit faalt, die nooit teleurstelt. Niemand kan leven zonder een betekenis die verder gaat dan het toevallige, verder dan wat voorbijgaat. Het menselijk hart kan niet leven zonder hoop, zonder te weten dat het gemaakt is voor volheid, niet voor gebrek.»[10].

Met drie Weesgegroetjes sluiten we de dag af door ons hart opnieuw bewust op het essentiële te richten. Op een moment van bijzondere vermoeidheid, wanneer we de last van de hele voorbije dag nog op onze schouders dragen en ons hart misschien is afgedwaald naar bijkomstige zaken, maken we aan Jezus en zijn Moeder expliciet duidelijk wat we werkelijk willen.

Voordat we onze ogen sluiten, wanneer er geen taken meer te doen zijn en geen woorden meer te zeggen, herinneren we ons wat de bron van ons bestaan is en waar de vreugde te vinden is die niet teleurstelt. Juist omdat dit het laatste gebaar van de dag is, krijgt het een bijzondere betekenis: als een stille samenvatting van de dag, drukt het uit waarop wij uiteindelijk ons hele leven willen richten.

Maria is de Moeder van de schone liefde omdat zij slechts één ding wilde liefhebben en elk ogenblik leefde met het verlangen God te behagen. Ook vandaag kan zij ons in die laatste momenten van de dag helpen ons innerlijk opnieuw te verenigen en dat zuivere verlangen te bewaren dat aan heel ons leven eenheid en betekenis geeft.

Met de armen in kruisvorm

In de eerder genoemde circulaire brief gaf de heilige Jozefmaria aan hoe zijn kinderen deze gewoonte zouden naleven: «Bid, wanneer het je maar mogelijk is, die drie Weesgegroetjes op je knieën en met de armen in kruisvorm». Dit is geen onbelangrijk detail, want ook de houding waarin we bidden, kan een vorm van gebed zijn. Het lichaam kan respect, aandacht, aanbidding, bezinning en smeekbede tot uitdrukking brengen. Door ons lichaam plaatst de hele persoon zich voor God.

Mozes bad met zijn armen in kruisvorm tot de Heer toen het Joodse volk tegen de Amalekieten vocht: «En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek.Tenslotte werden Mozes' armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe.» (Ex 17,11-12).

De eerste christenen zagen in de houding van Mozes een voorafbeelding van de overgave van Christus aan de Vader op het kruis. Mozes treedt op als bemiddelaar voor het volk; Jezus biedt zijn leven aan als de enige Middelaar tussen God en de mensen. Bidden met de armen in kruisvorm is daarom een manier om ons te verenigen met het gebed van Christus, ons aan te sluiten bij zijn voorbede en de overgave van ons eigen leven te vernieuwen, terwijl we Hem vragen om de genade van een zuiver hart.

«Het lijkt ongelooflijk, maar het is zo: God heeft de opgeheven handen van zijn dienaar nodig. De opgeheven armen van Mozes doen denken aan die van Jezus aan het kruis: uitgestrekt en vastgenageld, de armen waarmee de Verlosser de beslissende strijd tegen de helse vijand heeft gewonnen. Zijn strijd, zijn naar de Vader geheven en over de wereld uitgestrekte handen, vragen om andere armen en andere harten die zich, met dezelfde liefde, blijven offeren tot het einde der tijden»[11].

Door te herinneren aan het gebed van Mozes, drukt dit gebaar tegelijkertijd uit dat ons gebed zich uitstrekt tot heel het Volk van God, de Kerk. We bidden niet alleen voor onze eigen zuiverheid, maar voor die van allen. Zo beleven we op een bijzondere wijze de gemeenschap van de heiligen en voelen we ons verbonden met hen die overal ter wereld de roeping van Jezus volgen en eveneens strijden om een zuiver hart te bewaren, dat geheel op God gericht is.

Het is een concrete manier om medeleven en voorspraak te beleven en om iets te ervaren van die «bezorgdheid voor alle kerken» waarover de heilige Paulus sprak: «Niemand is zwak of ik ben het ook. Niemand komt ten val of het grijpt me in de ziel.» (2Co 11,28-29).

Er was geen pijn, ziekte of zwakheid die de apostel niet als de zijne voelde. Op dezelfde manier maken wij door deze gewoonte de strijd van onze broers en zussen over de hele wereld om de zuiverheid te beleven tot de onze; en tegelijk ondersteunen zij ons in onze eigen strijd. Zo worden we eraan herinnerd dat we, te midden van de beproevingen die zich kunnen voordoen, niet alleen staan.

Een speelkaart kan op zichzelf niet overeind blijven; maar als kaarten elkaar ondersteunen, «kunnen ze een kasteel vormen dat standhoudt. God houdt rekening met onze zwakheden, met onze kwetsbaarheid en met de kwetsbaarheid van anderen; maar Hij houdt ook rekening met de kracht van ons allen wanneer de liefde ons verenigt»[12].

Zowel het kruis van Christus als de houding van Mozes laten ons zien dat deze weg niet gemakkelijk zal zijn. De taal van de strijd, en zelfs die van de oorlog, is vaak gebruikt om dit aspect van het christelijke leven te beschrijven. Het gaat echter om een strijd met heel bijzondere kenmerken: «Wij voeren een prachtige strijd van liefde en vrede: in hoc pulcherrimo caritatis bello! Wij proberen de naastenliefde van Christus aan alle mensen te brengen, zonder onderscheid van taal, volk of maatschappelijke omstandigheden»[13].

Door ’s avonds de drie Weesgegroetjes te bidden, met de armen in kruisvorm, worden we deelgenoot van die prachtige strijd van liefde waarin de Heer ons heeft willen betrekken. Zo bidden we voor de zuiverheid van ons eigen hart, maar ook voor die van allen die de roeping van God volgen en de wereld willen doen oplichten met het vuur van zijn liefde (vgl. Lc 12,49).

En er is maar één manier om dat vuur te verspreiden: zelf erdoor in vuur en vlam worden gezet, met de vastberadenheid van iemand die «slechts één ding» wil: vervuld worden van de Liefde om zo zélf aanwezigheid en uitdrukking van diezelfde Liefde te worden.


Bedankt voor het lezen van ons artikel. Je kunt op de hoogte blijven door je te abonneren op onze dagelijkse nieuwsbrief.


[1]. Heilige Jozefmaria, Van binnen groeien, n. 141.

[2]. De volledige tekst van de brief is te vinden bij A. Méndiz, «Tres cartas circulares del fundador del Opus Dei (Burgos, 1938-1939)», Studia et Documenta 9 (2015), pp. 368-373.

[3]. De completen zijn het slotgebed van de getijden, dat vóór het slapengaan wordt gebeden en waarmee de Kerk de dag die ten einde loopt in Gods handen legt.

[4]. Heilige Bernardus, Homilie super Missus est, II, 17.

[5]. Van binnen groeien, n. 141.

[6]. In dialoog met de Heer, n. 28.

[7]. Heilige Jozefmaria, meditatie, 15-IV-1954.

[8]. Cfr. Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 2519.

[9]. Franciscus, Audiëntie, 1-IV-2020.

[10]. Leo XIV, Audiëntie, 17-XII-2025.

[11]. Benedictus XVI, Homilie, 21-X-2007.

[12]. Brief 2, n. 56,

[13]. Van de heilige Jozefmaria, aantekeningen gemaakt tijdens een meditatie, 29-II-1964; geciteerd in “Terwijl hij onderweg met ons sprak”, p. 243.

José María Álvarez de Toledo