​Ik heb jullie vrienden genoemd (II): Om de aarde te verlichten

Het ‘nieuwe gebod’ dat Jezus ons aan het einde van zijn leven heeft toevertrouwd, leert ons dat ware vriendschap ook authentiek apostolaat is.

Opus Dei - ​Ik heb jullie vrienden genoemd (II): Om de aarde te verlichten

De bron van 's werelds grootste rivieren is meestal een klein meer hoog in de bergen. Terwijl het stroompje bergafwaarts snelt, wordt het gevoed door beken en kleine zijrivieren totdat het een brede rivier is die zeewaarts stroomt. Op dezelfde manier kunnen een spontane genegenheid of gemeenschappelijke interesses bronnen zijn, waaruit een nieuwe vriendschap ontstaat. Deze vriendschap is als een rivier die haar weg volgt en voeding ontvangt vanuit verschillende stroompjes: tijd samen doorbrengen, elkaar in vertrouwen nemen, wederzijds advies geven, gesprekken voeren, samen lachen ... Net zoals de stromende rivier de velden vruchtbaar maakt en prachtige meren en vennen vormt, maakt vriendschap het leven mooi en vult het met licht; het ‘vermenigvuldigt onze vreugde en biedt troost in ons verdriet’.[1] Bovendien wordt vriendschap bij een christen verrijkt met het ‘levende water’ van Christus’ genade (vgl. Joh. 4, 10). Deze kracht geeft de stroom een nieuwe impuls: het verandert menselijke genegenheid in naastenliefde. Dan, aan het einde van zijn weg, stroomt de rivier in de uitgestrekte zee van de liefde van God voor ons.

Een enorm expansievermogen

Op de eerste bladzijden van de Bijbel, in het verslag van de schepping van de mens, lezen we dat de mens werd gevormd naar Gods ‘beeld en gelijkenis’ (vgl. Gen. 1, 26). Dit goddelijke 'model' is altijd aanwezig in de mens; als we onze blik oefenen, kunnen we een glimp opvangen van aspecten van God in elke man en vrouw. Vanwege deze grote waardigheid is elke persoon die we op onze levensweg tegenkomen, het waard bemind te worden: degenen die we ontmoeten op het werk, op school, tijdens het sporten of wanneer we over straat lopen... Maar we zullen slechts in staat zijn met enkelen een vriendschapsrelatie op te bouwen. We realiseren ons dat we in de praktijk geen onbeperkt aantal vrienden kunnen hebben, onder meer omdat onze tijd beperkt is. Maar ons hart kan, bewogen door God, altijd open blijven staan en zijn vriendschap aanbieden aan zoveel mogelijk mensen, en sowieso ‘begrip tonen voor alle mensen zonder uitzondering(Tit 3, 2).

GOD KAN ONS HART VERGROTEN OPDAT ER STEEDS MEER VRIENDEN IN PASSEN

De inspanning ‘om niemand uit te sluiten’ en het ‘bewust open staan, met een groot hart, voor iedereen’[2], heeft zijn prijs. De moeder van de heilige Jozefmaria bijvoorbeeld, waarschuwde, toen ze zag hoe hij zich onophoudelijk gaf aan de mensen om hem heen: ‘Je zult veel lijden in het leven, omdat je je hart geheel steekt in alles wat je doet.’[3] Het openen van ons hart voor vriendschappen heeft een prijs, al hebben we allemaal de ervaring dat het veel blijdschap met zich meebrengt. Daarnaast kunnen we altijd groeien in ons vermogen van vrienden te houden. Toen het aantal mensen in het Opus Dei toenam, gaf het hart van de heilige Jozefmaria aanleiding tot deze bezorgdheid: zal ik in staat zijn om allen die naar het Werk komen lief te hebben met dezelfde genegenheid die ik voelde voor de eersten? Het was een zorg die door de goddelijke genade werd opgelost, toen hij voelde dat God zijn hart voortdurend uitbreidde, zozeer dat hij uitriep: “Het menselijk hart heeft een enorm expansievermogen. Wanneer het bemint, dan breidt het zich uit in een crescendo van genegenheid dat alle hindernissen overwint."[4]

Hierdoor zullen ze jullie herkennen

Het boek Genesis openbaart Gods liefde voor ons door ons naar ‘Zijn beeld’ te scheppen. Maar vanaf de vleeswording van zijn Zoon, werden de goddelijke mededelingen nog veel indrukwekkender. Jezus’ Apostelen leefden drie jaar naast Hem en vonden in Hem hun beste vriend. Ze noemden Hem Rabbi, wat 'leraar' betekent, omdat ze niet alleen zijn vrienden waren, maar beseften en voelden dat ze ook zijn discipelen waren. Voordat ze moesten lijden, wilde onze Heer dat ze wisten dat Hij van hen hield met een liefde die sterker was dan de dood; dat Hij van hen hield ‘tot het uiterste toe’ (Joh 13, 1). Dit 'geheim' van de radicale aard van zijn vriendschap is één van de intieme waarheden die Christus hen bij het Laatste Avondmaal toevertrouwde. Daar openbaarde Hij ook zijn verlangen dat deze kracht door de eeuwen heen via de christenen verspreid zou worden door middel van de verkondiging van een nieuw gebod: ‘gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad’ (Joh 13, 34). En Jezus voegde eraan toe: ‘Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt’ (Joh 13, 35), oftewel: mijn vrienden zullen worden herkend aan hun manier van liefhebben.

Een gebeurtenis in de geschiedenis van het Opus Dei is nauw verbonden met dit nieuwe gebod. Aan het einde van de Spaanse burgeroorlog, keert de heilige Jozefmaria terug naar Madrid en loopt rechtstreeks naar de Ferrazstraat nr. 16. Enkele dagen voor het uitbreken van de oorlog was het nieuwe studentenhuis DYA klaar. Nu, bijna drie jaar later, treft hij alles verwoest aan, als gevolg van bombardementen en plunderingen. Het gebouw is niet meer te gebruiken. Tussen het puin, onder het stof, stoot hij op een lijstje dat in de bibliotheek was opgehangen. Het lijstje bevatte een tekst in het Latijn, opgemaakt met perkament lettertype, dat precies die woorden bevatte van het nieuwe gebod van Jezus, die we net hebben overwogen en die Hij aan zijn leerlingen had toevertrouwd: mandatum novum do vobis... ‘Een nieuw gebod geef ik u...’ (vgl. Joh 13, 34-35). Ze hadden het daar gehangen, omdat het een samenvatting was van de sfeer die de heilige Jozefmaria wenste voor de centra van het Opus Dei: ‘plaatsen waar veel mensen oprechte liefde vinden en leren echte vrienden te zijn."[5] Nu de verwoestende oorlog voorbij was en ze praktisch opnieuw moesten beginnen, bleef het belangrijke fundament overeind: zich bij de wederopbouw laten leiden door het liefdesgebod van Christus.

Zo wordt het klimmen makkelijker

Het model voor de nieuwe wet is Jezus’ liefde: ‘zoals ik u heb liefgehad’ (Joh 13, 34). Maar hoe is die liefde? Wat zijn de kenmerken? Christus’ liefde voor zijn apostelen is, zoals Hij zelf zei, als de liefde onder vrienden. Zij zijn getuigen en ontvangers geweest van de intensiteit van zijn liefde. Ze weten dat Jezus zorgde voor wie met Hem optrokken. Zij zagen hoe Hij deelde in hun vreugde (vgl. Lc 10, 21) en hun lijden (vgl. Joh 11, 35). Hij had altijd tijd voor degenen die Hem nodig hadden: voor de Samaritaanse vrouw (vgl. Joh 4, 6), voor de vrouw met de bloedingen (vgl. Mc 5, 32), en zelfs voor de goede moordenaar die naast hem aan het kruis hing (vgl. Lc 23, 43). Jezus’ genegenheid werd duidelijk door de zorg voor de specifieke behoeften van mensen: voor het voedsel voor wie Hem volgden (vgl. Lc 9, 13) en voor hun rust (vgl. Mc 6, 31). Zoals paus Franciscus ons herinnert: ‘Jezus verzorgde de vriendschap met zijn discipelen, en ook in crisismomenten bleef Hij hen trouw.’[6]

JEZUS WIL DAT ZIJN VRIENDEN HERKEND WORDEN DOOR DE MANIER WAAROP ZIJ HUN NAASTE BEMINNEN

Vriendschap is zowel een balsem voor ons leven als een geschenk van God aan ons. Het is niet slechts een vluchtig gevoel, maar eerder een ware liefde: 'stabiel, vastberaden en trouw, die rijpt met het verstrijken van de tijd.'[7] Sommige mensen beschouwen het zelfs als de hoogste uiting van liefde, omdat het ons in staat stelt de ander te waarderen om wie hij is. Vriendschap is ‘naar de ander kijken, niet om zich van hem/haar te bedienen, maar om hem/haar te dienen.'[8] Juist het feit dat het om niet is, is het zo kostbaar. Dan begrijpen we ook waarom de afwezigheid van eigenbelang inherent is aan vriendschap. De liefhebbende is niet uit op eigen voordeel of het ‘boemerangeffect’.

Het is altijd een verrassing om deze realiteit in al zijn diepte te ontdekken, omdat ze botst met wat in sommige omgevingen gemeengoed is: dat het leven een concurrentiestrijd zou zijn. Wie vriendschap ontmoet, ervaart het gewoonlijk als een onverdiend cadeau. Met vrienden worden de problemen van het leven gemakkelijker te dragen. Zoals een kikuyu spreekwoord luidt, dat de zalige Álvaro del Portillo op zijn reis in Kenya graag hoorde: "Als een vriend op ons wacht op de top van de berg, is het gemakkelijker om deze te beklimmen."[9] Vrienden zijn absoluut noodzakelijk voor een gelukkig leven. Een vervuld leven is mogelijk zonder huwelijksliefde (denk aan degenen die het geschenk van het celibaat hebben ontvangen), maar blijdschap is niet mogelijk zonder de liefde van vriendschap te ervaren. Hoeveel troost en vreugde vinden we in een goede vriendschap! Hoezeer verzacht het ons verdriet!

Meer vrienden voor Jezus

Door het leven van Jezus te bestuderen en in intimiteit met Hem te groeien, kunnen we de kenmerken van een volmaakte vriendschap leren kennen. We hebben hierboven gezien dat christelijke vriendschap bijzonder is, omdat ze wordt gevoed door een goddelijke stroom, Gods genade, die het een nieuwe 'christologische dimensie' geeft. Deze nieuwe focus spoort ons aan om alle mensen - vooral degenen die het dichtst bij ons staan – te aanschouwen en lief te hebben ‘door Christus, met Hem en in Hem’, zoals de priester tijdens de mis zegt als hij Jezus in de gedaante van Eucharistisch Brood opheft. We leren ‘anderen door de ogen van Christus te zien, steeds hun waarde herontdekkend.”[10] De heilige Jozefmaria spoorde ons aan om voor de mensen om ons heen de voorbijgaande Christus te zijn, om anderen dezelfde vriendschappelijke liefde van Christus te geven. Daarom willen we in ons gebed dit menselijke en bovennatuurlijke verlangen voeden om altijd nieuwe vrienden te zoeken, aangezien ‘God vaak gebruik maakt van een authentieke vriendschap om zijn reddingswerk uit te voeren’.[11]

Jezus’ vriendschap met Petrus, Johannes en al zijn discipelen valt samen met zijn vurige verlangen dat ze dicht bij de Vader mogen leven; zijn vriendschap gaat samen met zijn verlangen dat ze de missie waartoe ze geroepen zijn, ontdekken. Evenzo geldt, dat bij het verrichten van de taken die God ons heeft toevertrouwd, het er niet om gaat 'vrienden te hebben om apostolaat te doen, maar om onze vriendschappen door Gods liefde te laten bezielen, zodat het een echt apostolaat wordt."[12] De heilige Jozefmaria placht te zeggen, dat er in ons geestelijk leven een tijd komt, dat we gebed en werk niet kunnen onderscheiden, omdat we constant in Gods aanwezigheid leven. Iets soortgelijks gebeurt met vriendschap, omdat we het goede wensen voor onze vrienden, dat ze zo dicht mogelijk bij God zijn, de bron van alle blijdschap. Vandaar dat "er geen (met anderen) gedeelde momenten zijn, die niet apostolisch zijn: alles is vriendschap en alles is apostolaat, zonder onderscheid."[13]

AL HET GOEDE DAT WE MET ONZE VRIENDEN DELEN IS APOSTOLAAT, WANT DAAR IS GOD

Het hart van heiligen had altijd ruimte voor een nieuwe vriend. Bij hun levensbeschrijvingen ontdekken we hun oprechte interesse voor de problemen, de zorgen en vreugdes van anderen. De zalige Álvaro cultiveerde de vriendschap tot aan het einde van zijn leven; hij wilde zelfs de vriendschap van Christus brengen naar de mensen die met hem waren bij zijn laatste reis op deze aarde. Een dag na zijn dood ‘vonden ze op zijn nachtkastje het visitekaartje van een van de piloten van het vliegtuig dat hem van het Heilige Land naar Rome had teruggebracht. Hij had met hem gesproken en naar zijn familie gevraagd, terwijl hij wachtte op de luchthaven van Tel Aviv. Het contact was kort maar krachtig en toen de piloot hoorde van het overlijden van don Álvaro, is hij direct bij de overledene komen bidden."[14] Die toevallige ontmoeting leidde tot een vriendschap die doorgezet kon worden vanuit de hemel.

* * *

Een christen heeft een grote liefde - een gave - om te delen. Onze relaties met anderen geven Christus de kans om zijn vriendschap aan nieuwe vrienden aan te bieden. 'De paden van de aarde verlichten' [15] houdt in dat we die kostbare realiteit van de vriendschappelijke liefde over de hele wereld verspreiden. Als we alleen aan ons eigenbelang denken, als we te veel haast hebben en tevreden zijn met een oppervlakkige relatie met mensen, kunnen we dit geschenk dat God wil delen met iedereen, in gevaar brengen. Een groot deel van onze evangelisatie-missie is het herstel van de authentieke waarde van de vriendschap: door die vriendschap te verbinden met God, met de anderen, met onze wens om beter te zijn… en met de vreugde.

José Manuel Antuña


[1] Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 1 november 2019, nr. 23.

[2] Ibid., nr. 7.

[3] Andres Vazquez de Prada, De stichter van het Opus Dei, Vol. I, Scepter 1997, blz. 120.

[4] Heilige Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, Achtste Statie, nr. 5.

[5] Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 1 november 2019, nr. 6.

[6] Paus Franciscus, Christus vivit, nr. 31.

[7] Ibid., nr. 152.

[8] Heilige Johannes Paulus II, Angelus, 13 februari 1994.

[9] Salvador Bernal, Alvaro del Portillo, bisschop prelaat van het Opus Dei, uitgeverij Scepter 1999.

[10] Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 1 november 2019, nr. 16.

[11] Ibid., nr. 5

[12] Ibid., nr. 19.

[13] Ibid.

[14] Salvador Bernal, Alvaro del Portillo, bisschop prelaat van het Opus Dei, uitgeverij Scepter 1999.

[15] Uit het gebed om de voorspraak van de heilige Jozefmaria Escrivá.