Iets groots dat liefde is (VII): De roeping tot het huwelijk

God zegent het gewone gezinsleven en wil daarin aanwezig zijn. Het Bijbelboek Tobias kan helpen dat opnieuw te ontdekken.

Opus Dei - Iets groots dat liefde is (VII): De roeping tot het huwelijk

Toen de heilige Jozefmaria al bijna een eeuw geleden over de roeping tot het huwelijk begon te spreken, veroorzaakte het verenigen van deze twee begrippen (roeping en huwelijk) verbijstering, zo niet hilariteit: alsof hij het had over een vogel zonder vleugels of een vierkant wiel. “Moet je lachen omdat ik je zeg dat je “roeping voor het huwelijk” hebt? – Welnu, die heb je: een echte roeping.”[1] Voor de mentaliteit van toen, en soms ook nog voor die van nu betekende ‘roeping hebben’ het gewone leven achterlaten om God en de Kerk te kunnen dienen. Op de een of andere manier het gewone verlaten, wat voor het grootste deel van de mensen neerkomt op het hebben van een gezin, kinderen, huis, werk, boodschappen, rekeningen, wasmachines, onverwachte dingen, gelach, strijd tussen broers of zusjes, haast en restjes in de koelkast.

Al deze dingen, verschillend en niet te voorzien zoals het leven zelf, passen niet alleen in dat ‘vierkante wiel’ van de huwelijksroeping, maar zijn daar de best mogelijke versie van. De “betekenis van het huwelijk als roeping”[2] gaat juist uit van de overtuiging dat God het gewone gezinsleven zegent en daarin wil wonen. “Gij die in heiligheid troont, Gij die van Israël de roem zijt”, zegt de psalm die Jezus aan het Kruis bidt (Ps 22,4). God, de Heilige, wil leven te midden van de allergewoonste levens van de gezinnen. Levens die geroepen zijn door de liefde omgezet en veranderd te worden in lofprijzingen van God: in ‘hemel’ ook met alle ‘fabrieksfouten’ van dit tijdelijk hoofdkantoor dat het leven is. Daarom: “laat geen dag voorbijgaan zonder een groot of klein geheim. Moge jouw leven een dagelijkse ontdekking zijn. Geef voor iedere droge broodkruimel die God jou geeft Hem de mooiste diamant van jouw ziel”.[3]

Moge jij een goede reis hebben

Die jongeman lachte toen hij over huwelijksroeping hoorde spreken, maar hij kon niet vermijden dat hij nadenkend werd. De ‘provocatie’ ging overigens vergezeld van een raad: “Beveel jezelf bij de heilige Rafaël aan, opdat hij je kuis tot aan het einde van de weg leidt, zoals hij ook Tobias geleid heeft”.[4] De heilige Jozefmaria verwees daarmee naar het enige relaas in de Bijbel dat over deze Aartsengel spreekt, voor wie hij een bijzondere liefde had; zozeer dat hij hem al heel vroeg zijn apostolaat met de jeugd toevertrouwde.[5] “Het boek Tobias is betoverend”[6], zei hij eens. Hoewel het hele boek over een reis vertelt, laat het ons in werkelijkheid in het leven van twee gezinnen doordringen en de geboorte van een derde bijwonen. En zelfs de reis zelf heeft deel aan deze huiselijke sfeer, met een detail dat in de loop der eeuwen niet onopgemerkt bleef voor de kunstenaars. Dit boek is ook de enige plaats in de Heilige Schrift waarin een hondje verschijnt, dat Tobias en de heilige Rafael van het begin tot het einde van hun reis vergezelt (vgl. Tob 6,1; 11,4).

Wanneer Tobias weggaat zegent zijn vader hem met deze woorden: “Dat God, die in de hemel woont, jullie langs de goede weg geleide en moge zijn engel jullie vergezellen” (Tob 5,17). De heilige Jozefmaria parafraseerde deze woorden wanneer hij degenen die op reis gingen zijn zegen gaf: “moge de Heer op jouw weg zijn en zijn engel je begeleiden”.[7] En ‘reis’ – de echte, meest doorslaggevende reis – is de weg door het leven, waarover degenen die zich in het huwelijk aan elkaar geven samen voortgaan, als antwoord op een droom van God, die teruggaat tot de oorsprong van de wereld.[8] Hoe noodzakelijk is het dus de jongeren te doen ontdekken, en misschien ook na verloop van vele jaren te doen herontdekken, “de schoonheid van de roeping om een christelijk gezin te stichten”[9]: de oproep tot een heiligheid die niet tweederangs, maar eersteklas is.

Wanneer het leven werkelijk begint

Onze persoonlijke roeping ontwaakt met een eenvoudige ontdekking, die echter vol gevolgen is: de overtuiging dat de zin, de waarheid van ons leven niet bestaat uit leven voor onszelf, voor onze eigen dingen, maar voor anderen. Je ontdekt dat je in je leven veel liefde hebt ontvangen en dat je juist daartoe geroepen bent: liefde geven. En dat je alleen zó echt jezelf zult vinden. Liefde geven, niet alleen in onze vrije momenten, om ons geweten te sussen: de liefde maken tot het project van ons leven, tot het zwaartepunt van alle andere projecten, bereiken zoals in een baan om de aarde te blijven zweven.

Voor en na zijn huwelijk met Sarah ontvangt de jonge Tobias verschillende raadgevingen in die richting: ze roepen het meest nobele dat er in hem is op. Zijn vader Tobit, die hem op reis stuurt om met het oog op de toekomst geld voor hem te verkrijgen (vgl. Tob 4,2) zorgt er op de eerste plaats voor hem zijn belangrijkste erfenis door te geven: dat waaraan hij in zijn leven het meest waarde heeft gehecht: “Minacht je moeder niet, maar houd haar in ere zolang je leeft. Wees haar ter wille en bedroef haar niet. (…) Houd je verre, mijn zoon, van alle ontucht. (…) Besteed al wat je overhebt zonder bedenken aan aalmoezen. (…) Prijs onder alle omstandigheden God de Heer en vraag Hem dat je altijd de rechte weg mag bewandelen. Zo geraakt al wat je onderneemt tot een goed einde” (Tob 4,3-19). Weken later begint Tobias, net getrouwd, aan de terugweg naar het huis van zijn ouders, en zijn nieuwe schoonmoeder Edna neemt zo afscheid van hem: “Voor het oog van de Heer vertrouw ik je mijn dochter toe; doe haar geen verdriet aan. Ga in vrede, zoon. Vanaf nu ben ik jouw moeder en Sarah jouw vrouw. (Tob 10,13) “Doe haar geen verdriet aan.” God roept de echtgenoten op elkaar te beschermen, voor elkaar te zorgen, zich aan elkaar weg te schenken: hier ligt de wortel van het geheim van hun persoonlijke zelfverwezenlijking, die juist daarom niet alleen maar zelfverwezenlijking kan zijn. Leven, in de absolute diepte van het woord, betekent leven geven. Zo heeft Jezus geleefd: “Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed” (Joh 10,10). Zo hebben ook sint Jozef en de heilige Maagd geleefd, in de meest eenvoudige, tedere en fijngevoelige liefde die er ooit op aarde zal bestaan, door voor elkaar te zorgen en vooral door voor het Mens geworden Leven te zorgen. En zo wil God dat wij, zijn leerlingen, leven, om daar waar we zijn zijn vreugde, de betekenis om te leven, uit te stralen. Dat is de kern van de zin van de christelijke zending.

“Onze steden – zegt paus Franciscus – zijn woestijnen geworden door gebrek aan liefde, door gebrek aan een glimlach. Veel afleidingen, veel, veel dingen om tijd te verspillen, om mensen te laten lachen, maar de liefde ontbreekt. En het is vooral het gezin, en het is vooral het gezin! Die vader, die moeder die werken en met de kinderen... De glimlach van een gezin is in staat om deze woestijnvorming van onze steden te overwinnen, en dit is de overwinning van de liefde van het gezin. Geen enkele economische en politieke techniek is in staat om deze bijdrage van de gezinnen te vervangen. Het Babel-project bouwt levenloze wolkenkrabbers. De Geest van God daarentegen laat de woestijnen bloeien.”[10]

Leven betekent leven geven. Deze ontdekking, die al in de adolescentie gedaan kan worden maar die soms pas heel laat komt, markeert de ware overgang van de kindertijd naar de menselijke volwassenheid. Je zou kunnen zeggen dat iemand slechts dan werkelijk een persoon begint te zijn; dat het leven pas dan werkelijk begint. Want “leven is verlangen naar meer, steeds meer; verlangen, niet naar eten, maar naar dromen; de droom, deze is het teken dat er leven is; beminnen is leven. Beminnen tot het punt dat je jezelf kunt geven voor de beminde. Jezelf kunnen vergeten is jezelf zijn; voor iets te kunnen sterven is leven. Degene die alleen aan zichzelf denkt is niemand, hij is leeg; degene die niet in staat is de betekenis van het sterven te voelen, is al dood. Alleen degene die dat kan voelen, degene die zichzelf kan vergeten, degene die zichzelf kan geven, degene die liefheeft, in één woord, díe leeft.”[11]

De reikwijdte van een ‘ja

Zo beschouwd stelt de roeping tot het huwelijk iets heel anders voor dan “een streven naar eigen voldoening, of louter een middel om egoïstisch de eigen persoonlijkheid te verwezenlijken”.[12] Het lijdt geen twijfel dat de persoonlijkheid zich pas echt ontvouwt als men in staat is zich aan een andere persoon te geven. Het huwelijksleven is bovendien een bron van vele genoegdoeningen en vreugden, maar iedereen begrijpt dat het ook problemen, eisen en teleurstellingen met zich meebrengt. Niemand ontsnapt daaraan en toch, hoe gemakkelijk is het te ‘ontsnappen’ aan die minder mooie kant van de liefde: hoe gemakkelijk is het om de kruimels van het droge brood te minachten.

Een tegenstelling kan helpen dat te overwegen. Enerzijds is er de onberispelijke perfectie van bepaalde huwelijksfeesten, tot op de laatste millimeter bestudeerd worden om zoveel mogelijk plechtigheid te geven aan een eenmalige gebeurtenis, en misschien ook om het sociale prestige van de familie te vergroten. Aan de andere kant is er de ontgoocheling en verwaarlozing die gemakkelijk kunnen binnensluipen als de maanden of jaren verstrijken, de confrontatie met de onvolkomenheid van het gezinsleven in de dagelijkse gang van zaken: wanneer er problemen ontstaan, wanneer de gebreken van de ander worden ontdekt, en beide niet in staat lijken om met elkaar te praten, om naar elkaar te luisteren, om wonden te helen, om genegenheid te geven. De “betekenis van de roeping tot het huwelijk”, waardoor men zich geroepen wist om te geven wat men is …, om vader, moeder, man en vrouw te zijn, kan dan vertroebeld worden. En wat triest dan: een gezin dat God gelukkig wil zien, zelfs te midden van de moeilijkheden, blijft halverwege steken omdat men het alleen maar ‘uithoudt’.De nieuwheid die in de wereld geboren wilde worden met hun wederzijdse liefde, met hun huisgezin... de nieuwheid, het ware leven, lijkt dan ergens anders te zijn. En toch is het net om de hoek, ook al is die een beetje afgebladderd, zoals met elke hoek tenslotte gebeurt, terwijl die gewoon om een beetje liefde en aandacht vraagt.

De dag waarop een man en een vrouw trouwen, antwoorden ze met ‘ja’ op de vraag naar hun wederzijdse liefde. Toch komt het werkelijke antwoord pas in de loop der jaren: het antwoord moet body krijgen, dat wederzijdse ‘ja’ moet rijpen in de jaren van het ‘voor altijd’. “Je antwoordt altijd met je hele leven op de belangrijkste vragen. Het maakt niet uit wat je zegt, het maakt niet uit met welke woorden en argumenten je jezelf probeert te verdedigen. Uiteindelijk beantwoord je alle vragen met de feiten van je leven (...): Wie ben je?... Wat wilde je eigenlijk? (...) Uiteindelijk antwoordt men met zijn hele leven."[13] En dit ja van het hele leven, steeds opnieuw veroverd, wordt steeds dieper en authentieker: het transformeert de onvermijdelijke naïviteit van het begin in een zuivere onschuld, maar zonder cynisme; in een ‘ja lieveling’, dat weet, maar toch liefheeft.

De diepte van dit ‘ja’, waaraan niet mag worden verzaakt als men de liefde werkelijk wil vinden, is ook de reden waarom de Kerk tegen de stroom in volhardt in haar leer over de voorhuwelijkse omgang en de ontvankelijkheid voor nieuw leven van de echtgenoten. Ook al levert dit de Kerk de kritiek op dat ze ouderwets en streng is, toch dringt ze met geduld aan omdat ze weet dat God haar roept om de persoonlijke liefde te bewaken".[14] Hiermee verdedigt de Kerk geen abstracte waarheid, als uit een handboek: veeleer beschermt ze de concrete waarheid over het leven, over het gezin; ze beschermt de onderlinge relaties tegen de echt dodelijke ziekte …, het egoïsme, een vergif dat subtiel binnensluipt, in het begin gekleed in romantiek en triomf, tot het plotseling, misschien na verloop van jaren, een onuitstaanbare kooi is gaan lijken, vooral als het allebeí in zijn greep heeft gekregen. Iemand die zonder nadenken tegen zichzelf zegt, dat hij zo veel mogelijk van zijn lichaam wil genieten en van degene die daaraan mee wil doen, lijkt inderdaad heel grootmoedig en vol levensvreugde. Het is een manier om het leven te zien waarin we een echo van Genesis horen: de jeugd is een smakelijke vrucht... waarom zou ik die niet eten? Waarom zou God mijn mond die zoetheid willen onthouden? (vgl. Gen. 3, 2.6) Jonge christenen zijn niet van karton: ze voelen dezelfde aantrekkingskracht, maar ze vermoeden iets van een luchtspiegeling; ze willen dieper zien. Met hun inspanning om hun liefde zuiver te houden, of om de onschuld die ze misschien verloren hebben terug te krijgen, zijn ze bereid om te beminnen zonder de ander als bezit te beschouwen, om lief te hebben zonder de ander te gebruiken. Op een of andere manier vragen ze zich af: "met wie ga ik dit verlangen om te leven dat ik in mij voel kloppen delen? Is dit echt de persoon? Gaan we echt van elkaar houden, of willen we elkaar gewoon bezitten? Ze weten dat ze met hun lichaam ook hun hart, hun persoon, hun vrijheid zullen geven. Ze weten dat dit alles alleen maar past binnen een ‘ja voor altijd’; ze weten dat zij en de ander niet minder waard zijn dan een ‘onvoorwaardelijk ja zonder einde’; en dat ze, als deze beslissing ontbreekt, niet voorbereid zijn om dat geschenk te geven, en de ander niet om het te ontvangen. Het zou een geschenk zijn dat hen van binnen leeg zou laten, ook als ze het pas met het verstrijken van de tijd ontdekken.

Dezelfde onderliggende ‘logica’ ligt in de roeping voor het celibaat, waarmee iemand God ook met zijn lichaam liefheeft, omdat hij dat dag in dag uit aan Hem geeft. Ja, huwelijk en celibaat werpen licht op elkaar en hebben elkaar nodig, want allebei stralen de logica uit van een gave die alleen begrepen kan worden vanuit God, vanuit het beeld van zichzelf dat God in ons heeft gelegd, waardoor we weten dat we een geschenk zijn, waardoor we in de anderen een geschenk zien en we ons geroepen weten om leven te geven: aan ouders, aan kinderen, aan grootouders, aan iedereen.

Wanneer Jezus deze diepte van de liefde openbaart, staan zijn leerlingen zo perplex, dat Hij hen moet zeggen: “Niet allen begrijpen dit, maar zij alleen aan wie het gegeven is” (Mt 19,11). Hoewel ze soms onbegrip om zich heen ervaren, moeten jonge mensen en christelijke ouders weten, dat veel mensen hen diep van binnen bewonderen, hoewel ze soms niet goed weten waarom. Ze bewonderen ze omdat ze met hun oprechte liefde de vreugde en de vrijheid van Gods liefde uitstralen, die “met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom, 8,26) in het hart van iedere man en vrouw kloppen.

Een hart dat niet wil lijden

De naam Rafael betekent ‘God geneest’, dat wil zeggen ‘God zorgt ervoor’. De tussenkomst van de aartsengel in de gemeenschappelijke geschiedenis van Tobit, Anna, Tobias en Sarah laat een meestal niet waarneembare realiteit op een zichtbare manier zien: Gods bescherming van de gezinnen, het belang dat Hij hecht aan hun geluk (vgl. Tob 12,11-15). God wil dicht bij ons zijn, al laten we Hem soms niet toe, omdat we Hem niet echt bij ons in de buurt willen hebben. In het verhaal van de verloren zoon die ‘naar een ver land’ ging (Lc 15,13) herkennen we niet alleen individuele geschiedenissen, maar ook sociale en culturele: een wereld die zich van God verwijdert en zo een vijandige omgeving wordt, waarin veel gezinnen lijden, en soms schipbreuk lijden. Toch wordt God, net als de vader in de parabel, het nooit moe om te wachten en vindt Hij tenslotte altijd een manier om deze soms tragische feiten een plaats te geven en wil Hij elke persoon steeds weer terugvinden, ook al zijn er veel wonden te genezen.

Het boek Tobias laat ons ook zien hoe de nabijheid en zorg van God voor de gezinnen niet betekent dat deze gevrijwaard blijven van iedere interne of externe moeilijkheid. Tobit bijvoorbeeld is een integere, zelfs heldhaftige man, maar toch laat God toe dat hij blind wordt (vgl. Tob 2,10). Zijn vrouw moet dan voor het gezinsinkomen zorgen en zo gebeurt het dat men haar een keer bij de betaling een bokje cadeau doet. Tobit, misschien vanwege zijn handicap in een beetje verbitterde bui, gelooft dat zijn vrouw het heeft gestolen en ontketent zo ongewild een huiselijke storm. Hij vertelt het ons in de eerste persoon: “Ik geloofde haar niet en beval haar het bokje aan de eigenaar terug te geven. Ik schaamde me over haar. Maar zij wierp me tegen: ‘Waar blijf jij met je aalmoezen en je goede werken? Nu komt je ware aard aan het licht.’” (Tob 2,14) Tegenover de hardheid van dit antwoord is Tobits ziel vol droefheid; hij begint dan tussen de snikken door te bidden en vraagt God zijn levensadem terug te nemen (vgl. Tob 3,1-6). Toch blijft Tobit ernaar streven om zijn vrouw gelukkig te maken, ook al slaagt hij daar niet altijd in. Dus bijvoorbeeld als Tobias al op de terugweg is, gelukkig getrouwd en met het geld dat zijn vader hem had opgedragen terug te vragen, vreest zijn moeder Anna, die vanaf het begin tegen het idee van de reis was, het ergste: “De jongen is zeker verongelukt. Mijn kind leeft niet meer. (…) Hoe heb ik het over mijn hart kunnen krijgen, mijn kind, jou te laten gaan, jou, het licht van mijn ogen!” Tobit, die ook bezorgd is, probeert haar te kalmeren: “Wees nu maar stil, maak je geen zorgen, hij maakt het goed. Ze hebben vast vertraging opgelopen. Maar zijn metgezel is te vertrouwen en een familielid van ons. Maak je niet ongerust, hij zal gauw komen”. Zijn redenen treffen echter geen doel. “Zwijg toch, je hoeft me niets wijs te maken. Mijn zoon is dood”, antwoordt Anna. Toch blijft ze, met de incoherentie van een moeder, in het geheim wachten op zijn terugkeer: “Dag in dag uit keek ze uit over de weg waarover haar zoon was weggegaan. Ze luisterde naar niemand. Wanneer de zon onderging, keerde ze terug naar huis en bracht ze de nachten door zonder te kunnen slapen, rouwend en biddend” (Vgl. Tob 10,1-7).

Het is ontroerend te zien dat na duizenden jaren de dagelijkse problemen van de gezinnen niet heel veel anders zijn geworden. Onbegrip, gebrek aan communicatie, doodsangsten vanwege de kinderen … “Wie echter denkt dat het met de liefde en het geluk gedaan is als er moeilijkheden komen, heeft een armzalige voorstelling van het huwelijk en van de menselijke liefde.”[15] De verliefdheid van het begin – deze kracht die ertoe leidt graag een gezin te willen vormen – heeft de neiging om bijna alle gebreken van de ander in een dode hoek te zetten. Maar een paar weken van voortdurende samenleving zijn genoeg om te beseffen dat niemand perfect op de huwelijksdag is gekomen, en daarom is het huwelijksleven een reis van bekering op een tandem, in een team. Zolang man en vrouw elkaar elke dag maar een nieuwe kans blijven geven, zullen de harten van beiden steeds mooier worden, ook al blijven sommige van hun beperkingen bestaan, of worden deze zelfs duidelijker.

Een oud lied zegt: “Een hart dat niet wil lijden, blijft zijn hele leven zonder liefde”.[16] Inderdaad, “liefhebben, op welke manier dan ook, is kwetsbaar zijn. Als we iets liefhebben is dat al genoeg om ons hart te laten wankelen en mogelijk breken. Als men er zeker van wil zijn dat het intact blijft, moet men zijn hart aan niemand geven, zelfs niet aan een dier. Men moet het zorgvuldig omringen met grillen en kleine luxes; alle banden vermijden; het veilig opsluiten in de kist of koffer van ons egoïsme.”[17] Dit gebeurt echter niet bij echtparen als Tobias en Sarah, die in hun eerste huwelijksnacht door toedoen van een boze geest met de dood worden bedreigd (vgl. Tob. 6,14-15; 7,11). De duivel van het egoïsme – die dodelijke ziekte – bekoort echter voortdurend alle gezinnen met de verleiding om “enorme bergen te maken” van wat niet meer zijn dan “onbelangrijke kleine meningsverschillen”.[18]

Daarom is het zo belangrijk dat man en vrouw duidelijk zeggen wat ze bedoelen, ook als het om ernstige zaken gaat, om te vermijden dat elk van hen zich steeds meer achter een muur gaat ingraven: om steeds opnieuw de gevoelens op te wekken die de liefde mogelijk maken. De heilige Jozefmaria zegt dat voor echtgenoten “woordenwisselingen, zolang ze niet te vaak voorkomen, ook een uiting van liefde en bijna een noodzaak zijn”.[19] Het water moet stromen, want wanneer het stilstaat bederft het. Hoe belangrijk is het daarom ook dat ouders “de tijd nemen om iets met hun kinderen te ondernemen en met hen te praten. (…) Om het stukje waarheid of de hele waarheid te zien die achter hun opstandigheid kan zitten”.[20] Praten dus, en samenleven: man en vrouw, ouders en kinderen.

En vooral praten met God, opdat Hij ons licht kan geven: “Een lamp voor mijn voet is uw woord, een schijnend licht op mijn pad” (Ps 119,105). Hoewel het Bijbelverhaal ons niet de meningsverschillen tussen Tobias en Sarah laat zien, kunnen we ons voorstellen dat ze die wel hebben, zoals Tobit en Anna, en zoals alle gezinnen. Maar we kunnen ons ook voorstellen dat ze tot het einde van hun leven heel verenigd zijn, want we zien hun huwelijk geboren worden en groeien in intimiteit met God. “Gezegend zijt gij, God van onze vaderen, en gezegend uw naam voor altijd – bidden zij in hun huwelijksnacht – Betoon ons uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden” (Tob 8,7).

De heilige Johannes Paulus II, ‘de Paus van de gezinnen’[21], heeft eens de echtelijke liefde in het Hooglied vergeleken met de liefde van Tobias en Sarah. De geliefden in het Hooglied, zei hij, “verklaren elkaar in vurige bewoordingen hun menselijke liefde. De nieuwe echtgenoten in het boek Tobias vragen God dat zij aan zijn liefde weten te beantwoorden”.[22] “Door deze twee portretten van huwelijksliefde dichter bij elkaar te brengen, zou ik de vraag willen stellen: welk van de twee geeft die het beste weer? Het antwoord is eenvoudig: beide. Op de dag dat twee harten elkaar ontmoeten, krijgt hun roeping een fris en jong gezicht, zoals dat van de echtgenoten in het Hooglied. Maar dat gezicht herkrijgt zijn jeugdigheid elke keer dat beiden in de loop van het leven opnieuw hun roeping om aan de liefde te beantwoorden aanvaarden. En dan, ja, dan is die liefde zo sterk als de dood.”[23]

Carlos Ayxela


[1] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr.1.

[2] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 30. Vgl. de nrs. 22-30, van de homilie ‘Het huwelijk, een christelijke roeping’.

[3] Juan Ramón Jiménez, Eternidades, Madrid, 1918, blz.126.

[4] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 27. Vgl. ook De Weg,. nr. 360.

[5] Vgl. heilige Jozefmaria in A. Vázquez de Prada, The founder of Opus Dei.

[6] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een meditatie, 12-10-1947.

[7] Vgl. Ibid. In het Ceremoniale heb ik deze zegen vooraf laten gaan door een smeekgebed tot Maria, als reiszegen: Beata Maria intercedente, bene ambules: et Dominus sit in itinere tuo, et Angelus eius comitetur tecum [Moge jij op voorspraak van de heilige Maria een goede reis hebben: moge de Heer op je weg zijn, en moge zijn Engel je vergezellen].

[8] Heilige Johannes Paulus II noemde het huwelijk daarom het ‘basissacrament’, (vgl. audiëntie 20-10-1982 en 23-5-1984).

[9] Mgr. Fernando. Ocáriz, pastorale Brief, 14-2-2017.

[10] Paus Franciscus, audiëntie 2-9-2015.

[11] J. Maragall, “Loflied op het leven”.

[12] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 43.

[13] S. Marai, El último encuentro, Salamandra, Barcelona, 2007, blz. 107.

[14] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale Brief, 4-6-2017.

[15] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 24.

[16] Uit een volksliedje, waaraan de heilige Jozefmaria in De Weg, nr. 145 refereert.

[17] C.S. Lewis, De vier liefdes.

[18] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 23.

[19] Ibid., nr. 26.

[20] Ibid., nr. 27.

[21] Paus Franciscus, homilie bij de heiligverklaring, 27-4-2014.

[22] Heilige Johannes Paulus II, audiëntie, 27-6-1984.

[23] Ibid. vgl. nr. 8,6.