Iets groots dat liefde is (XII): De vruchten van de trouw

De zekerheid van het besef altijd met God te zijn is een levende bron van hoop, waaruit onophoudelijk nieuwe stromen van vreugde en vrede ons leven en dat van degenen om ons heen vruchtbaar maken.

Opus Dei - Iets groots dat liefde is (XII): De vruchten van de trouw

Het Boek van de Psalmen begint met een lofzang op de vruchtbaarheid van degene die trouw tracht te zijn aan God en zijn wet, en die zich niet laat meeslepen door de invloed van de goddelozen: “Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt, die vrucht draagt in het seizoen; zijn gebladerte zal niet verdorren. Tot ontplooiing komt al wat er groeit” (vgl. Ps 1,1-3).

Alle werken van God zijn vruchtbaar, net als de levens van degenen die aan zijn oproep beantwoorden. De Heer herinnerde zijn apostelen eraan bij het Laatste Avondmaal: “Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn” (Joh 15,16). Het enige wat Hij van ons vraagt is dat we met Hem verenigd blijven als de ranken aan de wijnstok, want “wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht” (Joh, 15,6). Door de eeuwen heen hebben de heiligen Gods edelmoedigheid ervaren. De heilige Teresia van Avila heeft bijvoorbeeld geschreven: “Zijne Majesteit betaalt nooit slecht voor een herberg als men Hem daar goed onthaalt”.[1] Aan hen die Hem trouw zijn, heeft hij beloofd dat hij hen in zijn Koninkrijk zal ontvangen met woorden vol genegenheid: "Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer” (Mt 25,21). God wacht echter niet op de hemel om zijn kinderen te belonen, maar al in dit leven leidt Hij hen binnen in die goddelijke vreugde met veel zegeningen, met vruchten van heiligheid en deugden, waarbij Hij het beste uit ieder mens en zijn talenten haalt en ons helpt om niet te veel stil te blijven staan bij onze broosheid en steeds meer op de kracht van God te vertrouwen. Bovendien zegent de Heer door middel van zijn kinderen ook de mensen om hen heen. God verheugt zich hierin: “Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij rijke vruchten draagt” (Joh 15,8).

Op deze bladzijden zullen we een aantal van de vruchten die onze trouw voortbrengt, zowel in ons eigen leven als in het leven van anderen, bespreken. Deze vruchten, en vele andere die alleen God kent, kunnen ons stimuleren om God altijd voor zijn zorg en nabijheid te danken. Zo zullen we ook leren om elke dag meer van zijn liefde te genieten.

Een hemel in ons binnenste

Een paar weken voor zijn dood, zei de heilige Jozefmaria tegen een groep van zijn kinderen: "Onze Lieve Heer heeft een heel rijke schat in ons neer willen leggen. (...) In ons woont God, onze Heer, in al zijn grootheid. In ons hart is er meestal een hemel”.[2] De Heer had de apostelen beloofd: "Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen" (Joh 14,23). Dit is het belangrijkste geschenk dat God ons geeft: zijn vriendschap en zijn aanwezigheid in ons.

Elke dag opnieuw kunnen we in het gebed deze waarheid van de goddelijke aanwezigheid in ons overwegen. Vol verwondering en dankbaarheid proberen we dan als goede kinderen te beantwoorden aan de immense liefde die God voor ons heeft. Want onze Heer "komt niet op een dag uit de hemel neer om in een vergulde ciborie te verblijven, maar om een andere hemel te vinden die hem oneindig veel dierbaarder is dan de eerste: de hemel van onze ziel, geschapen naar zijn beeld en de levende tempel van de aanbiddelijke Drie-eenheid”.[3] Met dit goddelijke geschenk kunnen we zeker zijn van de vreugde die we God met onze trouw geven.

Als de fysieke of morele vermoeidheid toeslaat, als de moeilijkheden toenemen, dan is het tijd om te onthouden dat " als God in onze ziel woont, al het overige – hoe belangrijk het ook lijkt – bijzaak, voorbijgaand is. Daarentegen zijn wij, in God, het blijvende”.[4] De zekerheid dat God met mij is, in mij, en dat ik in Hem ben (vgl. Joh. 6,56) is de bron van een innerlijke zekerheid en hoop die niet menselijk te verklaren zijn. Deze overtuiging maakt ons steeds eenvoudiger – als kinderen – en geeft ons een vertrouwvolle visie, een vredig en vreugdevol innerlijk. Aan het diepst van onze ziel ontspringen dan de vreugde en de vrede, als natuurlijke vruchten van onze trouw en overgave. Deze vruchten zijn zo belangrijk en hebben zoveel evangeliserende kracht dat de heilige Jozefmaria ze elke dag tijdens de Mis afsmeekte, voor hem en voor al zijn dochters en zonen.[5]

We hebben een hemel in ons om overal mee naartoe te nemen: naar huis, naar onze werkplek, naar onze ontspanning, naar ontmoetingen met vrienden... "In onze dagen, waarin we in het sociale leven, in het werk, in het gezinsleven vaak een gebrek aan vrede waarnemen... is het steeds noodzakelijker dat wij christenen, om de uitdrukking van de heilige Jozefmaria te gebruiken, 'zaaiers van vrede en vreugde' zijn.[6] We weten uit ervaring dat deze vrede en vreugde niet van ons zijn. Daarom proberen we Gods aanwezigheid in ons hart te bevorderen, zodat Hij degene is die ons vult en die zijn gaven meedeelt aan degenen om ons heen. En de doeltreffendheid van dit eenvoudige zaaien is zeker, hoewel de reikwijdte ervan onvoorspelbaar is: "De vrede van de wereld hangt misschien meer af van onze persoonlijke, gewone en volhardende gesteltenis, door te glimlachen, te vergeven en geen belang aan onszelf te hechten, dan van de grote onderhandelingen tussen staten, hoe belangrijk die ook mogen zijn”.[7]

Een sterk en barmhartig hart

Wanneer we de aanwezigheid van God in ons vrucht laten dragen – in zekere zin is dat de trouw – krijgen we geleidelijk aan een ‘innerlijke standvastigheid’ waardoor het mogelijk wordt om geduldig en zachtmoedig te zijn tegenover de tegenslagen, onvoorziene gebeurtenissen, vervelende situaties, onze eigen beperkingen en die van de anderen. De heilige Johannes Maria Vianney zei dat “onze fouten zandkorrels zijn naast de grote berg van Gods genade”.[8] Deze overtuiging stelt ons in staat om op mensen en omstandigheden net zo te reageren als God daarop reageert, met zachtmoedigheid en barmhartigheid, zonder ons zorgen te maken als ze niet direct aan onze verwachtingen beantwoorden. Kortom, we ontdekken dat alle gebeurtenissen op de een of andere manier “voertuigen van de goddelijke wil [zijn] en met respect en liefde, met vreugde en vrede moeten worden ontvangen”.[9] Zo gaat het ons beetje bij beetje gemakkelijker vallen om te bidden, te verontschuldigen en te vergeven, zoals onze Heer dat doet, en we hervinden snel de vrede, als we die verloren hebben.

Soms kan deze zachtmoedige en barmhartige gesteltenis ons laf schijnen tegenover mensen die ons op de proef lijken te stellen of ons kwaad willen doen. Maar Jezus berispt zijn leerlingen als ze voorstellen om uit de hemel een straf neer te laten komen op de Samaritanen die Hem niet ontvangen (vgl. Lc. 9,55). “Het programma van de christen – het programma van de barmhartige Samaritaan, het programma van Jezus – is een ‘hart dat ziet’. Dit hart ziet waar liefde nodig is en handelt daarnaar”.[10] Onze geduldige barmhartigheid, die niet geïrriteerd raakt of klaagt bij tegenslag, wordt zo een balsem waarmee God de berouwvollen van hart geneest, hun wonden verbindt (vgl. Ps. 147,3) en de weg van de bekering voor hen gemakkelijker en lichter maakt.

Een onvoorstelbare doeltreffendheid

Om aanwezig te zijn en invloed te hebben in allerlei milieus is het tegenwoordig een vereiste geworden om jezelf en je persoonlijk profiel bij anderen aan te prijzen. Maar als we niet uit het oog verliezen dat God ‘altijd naast ons staat’[11], hoeven we onszelf niet zo te bewijzen, omdat we ons geaccepteerd en erkend weten door Hem.

Deze gretigheid om erkend te worden en om te merken hoeveel we waard zijn, beantwoordt in werkelijkheid aan een diepe waarheid. In feite zijn we inderdaad veel waard; zo veel dat God zijn leven voor ieder van ons heeft willen geven. Toch gebeurt het heel gemakkelijk dat we, al is dat op heel subtiele manieren, de liefde en erkenning die we alleen maar kunnen ontvangen beginnen op te eisen. Misschien wilde de Heer er daarom in de Bergrede op wijzen: “Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is” (Mt 6,1). En nog radicaler: “Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet” (Mt 6,3).

We zullen dit risico om Liefde te eisen niet lopen als we handelen in de overtuiging dat God ons leven tot in het kleinste met genegenheid beschouwt, want genegenheid zit in de kleine dingen. “Als je toeschouwers wilt hebben van de dingen die je doet, dan heb je ze hier: de engelen, de aartsengelen en zelfs de God van het universum zelf.[12] Men ervaart dan in zijn ziel de eigenwaarde van iemand die weet dat hij nooit alleen is en dus geen speciale externe prikkels nodig heeft om te vertrouwen op de doeltreffendheid van zijn gebed en leven; en dit is waar, of ons gebed en leven nu bekend zijn bij velen of voor de overgrote meerderheid onopgemerkt blijven. Het zal ons voldoende zijn om Gods blik op ons gericht te weten en te voelen dat tot ieder van ons de woorden van Jezus gericht zijn: "en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden" (Mt 6,4).

In deze zin kunnen we veel leren van de verborgen jaren van Jezus in Nazareth. Daar bracht Hij het grootste deel van zijn leven op aarde door. Onder de aandachtige blik van zijn hemelse Vader, Maria en Jozef, voltrok de Zoon van God toen al in stilte en met een oneindige doeltreffendheid de Verlossing van de mensheid. Weinig mensen zagen Hem, maar daar, vanuit een bescheiden timmermanswerkplaats in een klein dorp in Galilea, was God de geschiedenis van de mensheid voorgoed aan het veranderen. En ook wij kunnen die vruchtbaarheid van Jezus' leven hebben, als we Hem in ons leven uitstralen.

Vanuit ieder tabernakel, en vanuit het diepst van ons hart, blijft God de wereld veranderen. Daarom krijgt ons leven van overgave, in vereniging met God en met de anderen een doeltreffendheid die we ons niet kunnen voorstellen. “Je weet niet of je vooruitgegaan bent, ook niet hoeveel… Wat heb je aan zo’n berekening? Wat telt is dat je volhoudt, dat je hart brandt van liefde, dat je meer licht krijgt en dat je horizon steeds breder wordt…: dat je je inzet voor onze intenties, dat je ze aanvoelt – ook al ken je ze niet – en dat je ervoor bidt.”[13]

God is dezelfde als altijd

De heilige Paulus moedigde de christenen aan om trouw te zijn, het niet erg te vinden om tegen de stroom in te gaan en te werken met hun blik gericht op de Heer: “Daarom, geliefde broeders, weest standvastig en onwankelbaar, en gaat altijd voort met het werk des Heren; gij weet toch dat uw inspanning, dankzij Hem, niet vergeefs is” (1 Kor 15,58). De heilige Jozefmaria herhaalde op verschillende manieren dezelfde vermaning van de apostel: “Als jullie trouw zijn, mogen jullie jezelf winnaars noemen. In je leven zul je geen nederlagen kennen. Er bestaan geen mislukkingen als je met een oprechte bedoeling werkt en Gods wil wilt doen. Met of zonder succes hebben we gewonnen, want we hebben uit liefde voor God gewerkt”.[14]

In iedere roeping kan het gebeuren dat we na een tijd van overgave in de verleiding komen om ontmoedigd te raken. We denken misschien dat we tot dan toe niet erg edelmoedig zijn geweest, of dat onze trouw weinig vruchten afwerpt en dat we weinig apostolisch resultaat hebben. Het is goed ons in zulke gevallen te herinneren wat God ons heeft verzekerd: "Mijn uitverkorenen zullen nooit tevergeefs werken " (Is 65,23). De heilige Jozefmaria drukte het zo uit: “Heiligheid maakt doeltreffend, ook als de heilige zelf de vruchten niet ziet of oogst”.[15] God laat zijn gelovigen in hun werk soms beproevingen en moeilijkheden ondervinden, om hun ziel mooier, hun hart zachter te maken. Wanneer we, ondanks onze inzet om God te behagen, ontmoedigd raken of de strijd moe worden, dan mogen we er op vertrouwen dat onze doeltreffendheid “vaak onzichtbaar blijft, ongrijpbaar is en niet meetbaar. Men weet best dat zijn leven vruchten zal afwerpen, maar zonder te willen weten hoe, of waar, of wanneer. (...) Laten we doorgaan, laten we alles geven, maar laten we Hem toestaan onze inspanningen naar eigen inzicht vruchtbaar te maken”.[16] Onze Heer vraagt ons te werken met overgave en vol vertrouwen in zíjn kracht en niet in de onze, in zijn visie op de dingen en niet in onze beperkte waarneming. “Als je je werkelijk op de Heer verlaat, zul je leren tevreden te zijn met wat er gebeurt en je gemoedsrust niet te verliezen als het resultaat niet is wat je had gewild, ondanks alle moeite die je hebt gedaan en ondanks het feit dat je al de nodige middelen hebt gebruikt. Want dat is dan het ‘resultaat’ dat God ervan verwachtte.”[17] Het besef dat God alles kan en dat Hij al het goede dat we doen ziet en nooit vergeet, hoe klein en verborgen het ook lijkt, zal ons helpen "om zelfverzekerd en optimistisch te zijn in de moeilijke momenten die zich kunnen voordoen in de geschiedenis van de wereld of in ons persoonlijk bestaan. God is dezelfde als altijd: almachtig, oneindig wijs, barmhartig; en Hij weet te allen tijde uit het kwade het goede te halen en uit de nederlagen grote overwinningen te behalen voor hen die op Hem vertrouwen”.[18]

Aan de hand van God leven we midden in de wereld als zijn kinderen en worden we zaaiers van vrede en vreugde voor allen om ons heen. Dat is het geduldige, kunstwerk dat God in ons hart verwezenlijkt. Laten we toe dat Hij al onze gedachten verlicht en al onze handelingen bezielt. Dit is wat onze Moeder Maria heeft gedaan, gelukkig bij het zien van de grote dingen die de Heer in haar leven deed. Mogen ook wij elke dag net als zij zeggen: Fiat, mij geschiede naar uw woord (Lc 1,38).

Pablo Edo


[1] Heilige Teresia van Avila, Weg der volmaaktheid, hfdst. 34.

[2] Vgl. Bernal, Mgr. Escrivá de Balaguer, Stichting De Boog, www.deboog.nl.

[3] Heilige Teresia van Lisieux, Geschiedenis van een ziel, hfdst. 5.

[4] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 92.

[5] Vgl. Mgr. Javier Echevarría, Memoria del Beato Josemaría Escrivá, Madrid, Rialp 2000, p. 229.

[6] Mgr. Fernando Ocáriz, Homilie, 12-5-2017.

[7] Ibid.

[8] Geciteerd in G. Bagnard, «El Cura de Ars, apóstol de la misericordia», Anuario de Historia de la Iglesia 19 (2010) p. 246.

[9] Heilige Jozefmaria Escrivá, Instrucciones 1935 – 14-9-1950, nr. 48.

[10] Paus Benedictus XVI, encycliek Deus caritas est (25-12-2005), nr. 31.

[11] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 267.

[12] Heilige Johannes Chrysostomus, Homilieën over de heilige Mattheüs, 19.2 (PG 57,275).

[13] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 605.

[14] Heilige Jozefmaria, A solas con Dios, nr. 314 (AGP, Biblioteca, P10).

[15] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 920.

[16] Paus Franciscus, apostolische exhortatie Evangelii gaudium (24-11-2013), nr. 279.

[17] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 860.

[18] Mgr. Javier Echevarría, pastorale brief, 4-11-2015.