Hun ogen gingen open (I): In de meest materiële zaken van de aarde

We beginnen deze reeks over de verschillende kunstvormen als uitdrukkingen van het spirituele leven. In dit eerste artikel bekijken we hoe de Menswording — het feit dat God ervoor koos een menselijke gedaante aan te nemen — ons de ware waarde van het materiële openbaart, en daarmee ook het potentieel van de kunsten.

Voorstelling van de serie

Het was 7 mei 1964. De heilige Paulus VI vierde de heilige Mis in de Sixtijnse Kapel voor een ongebruikelijk gezelschap: musici, dichters, filmmakers, beeldhouwers, schilders, schrijvers... Dat moment van gebed betekende in zekere zin het begin van een nieuwe fase in de relatie tussen de Kerk en de kunstenaars, ongeacht of zij gelovig waren of niet. «Zoals jullie weten», zei de paus in zijn homilie, «is het onze taak om de wereld van de geest, van het onzichtbare, van het onuitsprekelijke, van God te verkondigen en toegankelijk en begrijpelijk, ja zelfs ontroerend te maken. En in dit proces, waarbij de onzichtbare wereld wordt omgezet in toegankelijke, begrijpelijke vormen, zijn jullie meesters. Dat is jullie taak, jullie missie; jullie kunst bestaat er juist in de schatten uit de hemel van de geest te putten en ze te hullen in woorden, kleuren, vormen en toegankelijkheid.»[1]

Sindsdien hebben alle pausen, ieder op zijn eigen manier, deze dialoog voortgezet en verdiept. De heilige Johannes Paulus II, zelf kunstenaar, heeft de «via pulchritudinis», de weg van de schoonheid, met grote kracht bevorderd. Benedictus XVI nam deze uitnodiging over vanuit zijn fijngevoelige waardering voor muziek, in de overtuiging dat schoonheid in een geseculariseerde wereld een bevoorrechte plaats is voor de ontmoeting met God. Franciscus had op zijn beurt een bijzondere band met de literatuur. In 2024 schreef hij een brief over het belang ervan voor de christelijke vorming. Die brief vormde in zekere zin de aanleiding voor de overwegingen die wij in de volgende artikelenreeks naar voren willen brengen. Leo XIV heeft ten slotte al vroeg bijzondere aandacht besteed aan de filmwereld als «een laboratorium van hoop, een plaats waar de mens opnieuw naar zichzelf en zijn bestemming kan kijken»[2]. Hij riep zelfs op tot inspanningen om de bioscopen nieuw leven in te blazen.

De oproep om hartstochtelijk van de wereld te houden en heiligheid te zoeken in het alledaagse kon de wereld van de kunst niet buiten beschouwing laten. In de geschriften van de heilige Jozefmaria vinden we dan ook voortdurend verwijzingen naar de literatuur. Bovendien weten we dat hij bad met behulp van enkele liedjes uit de volksmuziek van zijn tijd, regelmatig naar films keek en in zijn prediking soms verwees naar de beeldende kunsten. En dan hebben we het nog niet eens over de steun die hij gaf aan zijn zonen en dochters die kunstenaar waren.

In het licht van de leer van de laatste pausen en de geest van het Opus Dei benaderen we deze verschillende kunstvormen — beeldende kunst, muziek, literatuur en film — als ruimtes voor persoonlijke ontplooiing, voor het ontdekken van de wereld en, bovenal, voor de ontmoeting met God. In deze reeks zijn de kunsten gerangschikt volgens het moment waarop zij historisch zijn ontstaan. We beschikken immers over sporen van schilderingen en geluidswerken die dateren van zo’n veertigduizend jaar vóór Christus, terwijl er nog enkele tienduizenden jaren zouden verstrijken voordat een stabiel schrift ontstond dat de ontwikkeling van literatuur mogelijk maakte. Voor het ontstaan van de film, aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, waren bovendien eerst de ontwikkeling van het theater en de uitvinding van de fotografie noodzakelijk.

«Hun ogen gingen open»: deze woorden, die de Schrift ons op twee cruciale momenten in de heilsgeschiedenis voorhoudt, vormen de achtergrond van de overwegingen die volgen. Het zijn woorden die twee ervaringen van een ingrijpende innerlijke verandering beschrijven. Helemaal aan het begin gaan de ogen van Adam en Eva open wanneer zij van de verboden vrucht eten (vgl. Gen 3,7). Hun ogen gaan open, samen met de wond: man en vrouw worden zich in hun hart bewust van de afgrond van het kwaad en van hun radicale kwetsbaarheid. Aan de andere kant van de geschiedenis zullen op een dag de ogen van de leerlingen van Emmaüs opengaan bij het breken van het brood (vgl. Lc 24,31). En wanneer hun ogen opengaan, zal de wond genezen: die mysterieuze metgezel die hun harten heeft doen branden, is de God van wie zij dachten dat ze Hem voor altijd verloren hadden. «Hun ogen gingen open»: de gevallen schepping en de nieuwe schepping, de gekwetste en uiteindelijk verzoende geschiedenis, kruisen elkaar in deze woorden, zoals in elke authentieke artistieke creatie. Als de kunst, in haar duizend verschijningsvormen, ons meevoert op de moeizame weg van het gevallen Eden naar de tuin van de Verrijzenis, dan heeft zij haar ware vrucht voortgebracht.

Hun ogen gingen open (I): In de meest materiële zaken van de aarde

«Om de boodschap door te geven die haar door Christus werd toevertrouwd heeft de Kerk kunst nodig.»[3].

Dit zijn de woorden van de heilige Johannes Paulus II. Op het eerste gezicht zouden we kunnen denken dat ze uitsluitend betrekking hebben op de sacrale kunst: op de noodzaak om artistieke uitdrukkingsvormen te vinden — schilderkunst, architectuur, beeldhouwkunst, poëzie, muziek enzovoort — waarmee de inhoud van het geloof kan worden overgebracht. De Poolse paus, die zelf actief was geweest in het theater, zag echter een veel bredere horizon voor zich. De Kerk heeft kunst nodig omdat evangelisatie niet alleen bestaat in het verkondigen van de geloofsbelijdenis, maar ook in een diepgaande zoektocht naar de waarheid, zowel de goddelijke als de menselijke.

De schat van de christelijke boodschap beperkt zich immers niet tot dogmatische vraagstukken en zelfs niet tot de teksten van de Bijbel. Zij heeft de kracht om ons het goddelijke te laten ontdekken in alle aspecten van het menselijk bestaan: het leven, de liefde, het lijden, de zoektocht naar zingeving... Daarom kunnen we met Benedictus XVI zeggen dat wanneer de kunst «zich bezighoudt met de grote vragen van het bestaan, met de fundamentele thema’s waaruit de zin van het leven voortvloeit, zij een religieuze waarde kan aannemen en kan uitgroeien tot een weg van diepgaande innerlijke bezinning en spiritualiteit»[4].

Een toegangspoort tot het mysterie

Het was noch eenvoudig noch snel om tot dit inzicht in de mogelijkheden van de kunst te komen, vooral niet wat bepaalde disciplines binnen de beeldende kunst betreft. We hoeven alleen maar terug te denken aan het duidelijke verbod in Leviticus: «Gij moogt in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gebouwen, godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben Jahwe, uw God.» (Lev 26:1). In werkelijkheid bevat dit gebod een diepgaande waarheid die ook vandaag nog weerklinkt: het gevaar bestaat dat we gaan geloven dat er niets méér is dan wat we kunnen zien, begrijpen en beheersen: het risico dat het materiële ophoudt een «symbool» te zijn en verandert in een «afgod», een spiegel waarin we alleen onszelf zien.

Vanaf het begin van de mensheid heeft de mens materiële elementen gebruikt om het mysterieuze, datgene wat hem overstijgt en het heilige tot uitdrukking te brengen en er toegang toe te krijgen. Daarom is het belangrijk het symbolische karakter van de kunst te begrijpen. Het woord «symbool» is afgeleid van het Griekse symbolon, dat verwijst naar «symboliseren» of «verenigen». Kunst geeft dus niet alleen weer, maar verwijst ook naar de werkelijkheid die zij oproept, verbindt zich ermee en stelt ons in staat ons ermee te verenigen en er toegang toe te krijgen. Door middel van het symbool wordt kunst een poort die de wereld opent naar het transcendente, een brug die het tastbare met het heilige verbindt.

Het vroege christendom, als rechtstreekse opvolger van het jodendom, vond het niet eenvoudig een manier te vinden om een God weer te geven die mens was geworden. Om te voorkomen dat Christus zou worden gereduceerd tot de gangbare afbeeldingsmodellen van die tijd, werden verschillende wegen verkend, die uiteindelijk leidden tot de ontwikkeling van de christelijke iconografie. De terughoudendheid en het verzet, ook ten aanzien van iconen, werden echter geleidelijk overwonnen dankzij de verdieping van het inzicht in de figuur van Christus. Tijdens het Tweede Concilie van Nicea, dat in 787 plaatsvond, erkende de Kerk de waardevolle rol van afbeeldingen in de christelijke traditie en bevestigde zij hun legitieme plaats in de eredienst en de catechese.[5] De heilige Johannes Damascenus verwoordde dit op overtuigende wijze: «Eertijds kon God, die noch een lichaam noch een gestalte heeft, geenszins door een afbeelding voorgesteld worden. Nu Hij zich echter in het vlees heeft getoond en Hij onder de mensen heeft geleefd, kan ik een afbeelding maken van wat ik van God gezien heb.»[6].

Hoewel de discussie over het gebruik van afbeeldingen van tijd tot tijd opnieuw de kop opsteekt, werd toen al duidelijk dat de Menswording van Christus een positieve waardering van het materiële had ingeluid en dat deze nieuwe visie niet langer zou wijken voor de oude weerstanden. Toen «het Woord vlees geworden is en onder ons heeft gewoond» (Joh 1,14), kreeg de materiële wereld een unieke waardigheid die tot dan toe ondenkbaar was. De menselijkheid van Christus drukt in haar materialiteit tegelijk zijn goddelijkheid uit: daarin krijgen wij op mysterieuze wijze een glimp te zien van zijn oneindige en ondoorgrondelijke liefde. Daarom verandert de Menswording ons hele begrip van het materiële en van wat het betekent mens te zijn; en dat heeft ook gevolgen voor de afbeeldingen en de kunst.

De revolutie van een God die de materie op zich neemt

In Christus, de vleesgeworden God, begrijpen we dat de materie geen belemmering vormt, maar juist de plaats kan zijn waar het goddelijke zich openbaart. Beelden en beeldende kunst in het algemeen zijn dan ook niet overbodig of louter decoratief. Ze behoren tot de krachtigste uitingen van het feit dat het christendom het geloof is in een Persoon van vlees en bloed, en niet in een abstracte theorie. Christus aanvaardt de lichamelijke en materiële conditie van het menselijk bestaan: Hij wordt gedragen in de schoot van een vrouw, wordt geboren en groeit op zoals ieder mens, lijdt honger en dorst, wordt moe en voelt pijn... Deze werkelijkheid, die met de verrijzenis verdwenen had kunnen zijn, wordt op Paasmorgen opnieuw bevestigd en zelfs verheerlijkt. Wanneer Jezus als de Verrezene aan Zijn leerlingen verschijnt, toont Hij hun Zijn wonden, zodat zij ze kunnen aanraken. En bij Zijn hemelvaart neemt Hij Zijn verheerlijkt lichaam mee naar de hemel: hetzelfde lichaam dat Hij ons in de Eucharistie schenkt.

De Vleeswording van het Woord maakt ons bewust van onze eigen lichamelijkheid. Wij zijn geen engelen, maar vleesgeworden geesten of vergeestelijkte lichamen; in ons zijn vlees en geest evenzeer van belang: «Geest en stof zijn in de mens geen twee met elkaar verenigde naturen, maar hun eenheid vormt een natuur.»[7] Vooral in het Westen zijn cultuur en denken echter vaak gekenmerkt door dualistische filosofische stromingen, die ertoe neigen het materiële van het spirituele te scheiden. Vanuit dergelijke gefragmenteerde antropologische visies is men de fysieke dimensie van ons bestaan met minachting of wantrouwen gaan bekijken, alsof het kwaad uit de materie of het lichaam zou voortkomen. Daardoor kan men zich niet alleen ongemakkelijk gaan voelen bij de broosheid en kwetsbaarheid van onze materiële werkelijkheid, maar ook de spiritualiteit van het lichaam uit het oog verliezen: het lichaam als «tempel van de heilige Geest» (1 Kor. 6,19). In een wereld die het materiële schijnbaar verheerlijkt, zij het vaak slechts oppervlakkig, kunnen we ons losgekoppeld en versnipperd voelen, terwijl we de werkelijke waarde van het lichamelijke niet meer herkennen. Het lichaam is immers de plaats van de «goddelijke iconische vertegenwoordiging in het menselijk wezen»[8].

In zijn catechese over de theologie van het lichaam legt de heilige Johannes Paulus II uit dat de menselijke lichamelijkheid niet alleen geen belemmering vormt, maar juist het voornaamste middel is voor de gemeenschap met God en met anderen. De lichamelijkheid van het lichaam is een levend symbool, een zichtbare uitdrukking van het onzichtbare, die ons in staat stelt ons te verenigen met het transcendente. Net zoals het materiële karakter van de sacramenten onmisbaar is voor de overdracht van het goddelijke leven aan ons[9], zo is ook onze eigen lichamelijkheid een plaats van gemeenschap met anderen en met God. En dat zal zij voor eeuwig blijven, ook in de hemel.

De betekenis van de vleeswording in de kunst

Kunstwerken weerspiegelen precies deze dynamiek van de vleeswording. Het gaat niet om abstracte ideeën die opgesloten blijven in het conceptuele: het artistieke idee wordt werkelijkheid doordat het zich belichaamt en in de materie vorm aanneemt. De kunstenaar denkt niet alleen na over wat hij wil uitdrukken, maar verkent ook de materiële middelen waarmee hij die ideeën kan omzetten in een zintuiglijke ervaring. Een schilderij, een beeldhouwwerk, een muzikale compositie of een film bestaat pas wanneer het door middel van pigmenten, klanken of beelden tot leven komt. Het is dit proces dat de kunst in staat stelt zich uit te drukken en iets van het mysterie van de werkelijkheid te onthullen, zoals de hedendaagse Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman het verwoordde in de titel van een van zijn neonwerken: «De ware kunstenaar helpt de wereld door mystieke waarheden te onthullen.»[10]

Daarom is de materialiteit van de kunst geen bijkomstig aspect. Een doek is niet louter een fysieke drager van iets wat men eigenlijk wil overbrengen; het is juist het doek zelf, in zijn materialiteit, dat betekenis draagt en tot uitdrukking brengt. Elk kunstwerk geeft, op een analoge maar reële wijze, dezelfde dynamiek van de incarnatie weer: het maakt zichtbaar, in tijd en ruimte, wat tot dan toe onzichtbaar was. Kunst is daarom niet louter een ladder die we kunnen wegwerpen zodra we het dak hebben bereikt, zodra we toegang hebben gekregen tot een «inhoud» die los zou staan van haar materiële drager. Het kunstwerk zelf, in zijn concrete aanwezigheid voor mijn blik, is een plaats waar de waarheid zich openbaart; en die openbaring is onlosmakelijk verbonden met het werk.

Dit belichaamde karakter van de kunst sluit nauw aan bij de kern van de boodschap van de heilige Jozefmaria: niet alleen kunnen we God vinden zonder de wereld te verlaten, we kunnen Hem juist vinden ín de wereld en in de aardse dingen. Sterker nog, als we God niet vinden «in de meest materiële dingen van de aarde» — in de materialiteit van ons werk, in de warmte van onze liefde en in de vormen van onze kunstwerken — zullen we Hem nooit vinden. «In elke situatie, hoe alledaags ook, is iets heiligs, iets goddelijks te vinden. Aan jullie de taak dat te ontdekken.»[11] En precies dit helpt de kunst ons te oefenen, in het bijzonder de beeldende kunst: het vermogen om het onzichtbare in het zichtbare te herkennen.

Daarom bestaat een ware esthetische vorming niet alleen in het vermogen om van kunstwerken te genieten, maar vooral in het steeds beter leren waarderen van de immense rijkdom en schoonheid die het leven ons elke dag schenkt. Tegelijkertijd stelt het zintuiglijke karakter van de kunst ons in staat zaken te begrijpen en uit te drukken die op andere manieren moeilijk te vatten zijn[12]. Het helpt ons onze intuïtie, verbeelding, gevoeligheid en affectiviteit te ontwikkelen. Er zijn immers realiteiten in het leven die een louter conceptuele reflectie niet volledig kan doorgronden, maar die de kunst op een intuïtieve en krachtige manier weet te belichten: liefde, vrijheid, pijn, angst, glorie, enzovoort.

Kunst zet ons ertoe aan om samen op pad te gaan

Beeldende kunst kan soms moeilijk te begrijpen zijn, wellicht vanwege de enorme verscheidenheid aan stijlen waarin zij tot uitdrukking komt. De vormen zijn in de loop van de tijd ingrijpend veranderd en sterk toegenomen, waardoor we soms niet goed weten hoe we hun kwaliteit moeten beoordelen of hun schoonheid kunnen waarderen. Een van de meest voorkomende fouten op dit gebied is dan ook dat men het schone uitsluitend vereenzelvigt met bepaalde vormen van weergave die eigen zijn aan een bepaald tijdperk, een bepaalde cultuur of traditie. Een dergelijke beperkende benadering kan ons begrip van de kunst echter verarmen. De heilige paus Paulus VI verwees hiernaar toen hij zich tegenover de kunstenaars verontschuldigde voor de beperkingen die de Kerk hun soms had opgelegd:

«We hebben jullie in verwarring gebracht omdat we jullie – die scheppers zijn, altijd levendig en vruchtbaar met duizend ideeën en vernieuwingen – het imiteren als belangrijkste norm hebben opgelegd. „Wij”, zo werd jullie gezegd, „hebben deze stijl, jullie moeten je daaraan aanpassen”; „wij hebben deze traditie en jullie moeten daar trouw aan blijven”; „wij hebben deze meesters en jullie moeten hen volgen”; „wij hebben deze normen en er is geen andere weg”. Misschien hebben we, zo kunnen we zeggen, een loden last op jullie schouders gelegd. Vergeef ons.»[13] De christelijke kunst staat ongetwijfeld voor de uitdaging een evenwicht te vinden tussen traditie en vernieuwing, tussen identiteit en transformatie, zonder artistieke schoonheid te beperken tot bepaalde stijlen of vormen, alsof de immense rijkdom aan talen en uitdrukkingswijzen die de mens kan bedenken en ontwikkelen, buiten beschouwing zou moeten blijven.[14]

Deze eis kan zelfs nog radicaler worden verwoord: Christus heeft in de geschiedenis van de mensheid «een nieuwe dimensie van de schoonheid»[15] geïntroduceerd, die niet binnen bepaalde criteria kan worden ingeperkt. Ook dit maakt deel uit van het mysterie van God, die de menselijke conditie tot in haar uiterste consequenties heeft willen aannemen. Joseph Ratzinger benadrukte daarom hoe paradoxaal het is om een gekruisigde en mishandelde man, wiens gezicht door de pijn is misvormd, «de mooiste onder de mensen» te noemen: «De heilige Augustinus, die in zijn jeugd een boek over het schone schreef (...), voelde deze paradox heel sterk aan en besefte dat in deze passage de grote Griekse filosofie van de schoonheid niet alleen werd herzien, maar ook op dramatische wijze ter discussie werd gesteld: men zou opnieuw moeten bespreken en ervaren wat schoonheid was en wat de betekenis ervan was.»[16]

Daarom ligt schoonheid in christelijke zin niet louter in de perfecte uitvoering van een vorm of in een aangename formele symmetrie. Schoonheid is in christelijke zin iets ruimer: zij betreft niet alleen het object, maar ook degene die het waarneemt. Het gaat om die eigenschap waardoor een werkelijkheid het waard wordt om bemind te worden. Schoonheid heeft in deze zin te maken met het vermogen te begrijpen dat elke werkelijkheid beminnelijk is. Elke werkelijkheid draagt immers iets in zich van het mysterie van God, of zij ons nu mooi lijkt of voor onze ogen vervormd verschijnt. Daarom moet het kunstwerk worden benaderd als een persoonlijke dialoog, met respect voor de manier waarop het zich tot ons richt. Vooroordelen mogen ons daarbij niet afremmen, ervoor afsluiten of ons ertoe brengen er uitsluitend onze eigen betekenis aan op te leggen. Het gaat om een dialoog die van ons vraagt uit onszelf te treden en ons open te stellen voor het perspectief van de ander, hoe ver weg, onbegrijpelijk of pijnlijk ons dat ook mag lijken.

De denker Simone Weil signaleerde, in dezelfde lijn als Joseph Ratzinger, deze paradox van het christendom:
«Juist in het leed zelf straalt de barmhartigheid van God, in het diepste ervan, in het hart van de ontroostbare bitterheid. Als (...) men op dat punt blijft zonder op te houden met liefhebben, raakt men uiteindelijk iets aan dat niet langer het leed is, dat niet de vreugde is, maar dat de centrale, intrinsieke, zuivere, niet-zintuiglijke essentie is die zowel de vreugde als het lijden gemeen hebben, en dat de liefde van God zelf is.»[17] Daarom is het begrijpelijk dat schoonheid pijnlijke vormen kan aannemen, die ons juist openstellen voor de werkelijkheid en ons in staat stellen haar lief te hebben. Het is niet eenvoudig deze visie te omarmen, maar juist de kunst kan ons daarbij als een belangrijke bondgenoot helpen. De onrust die we in zoveel kunstwerken ontdekken, herinnert ons eraan dat wij allemaal met bewondering en verwondering tegenover de grote vragen en mysteries van het leven staan. De kunst stelt ons in staat om in elke persoon en in elk klein aspect van het leven een uitnodiging te ontdekken om «de Liefde te ontdekken die de zon en de andere sterren beweegt»[18].


1 Heilige Paulus VI, Homilie, 7-V-1964. (eigen vertaling)

2 Leo XIV, Ontmoeting met vertegenwoordigers uit de filmwereld, 15-XI-2025. (eigen vertaling)

3 Heilige Johannes Paulus II, Brief aan de artiesten, 4-IV-1999.

4 Benedictus XVI, Toespraak tijdens de bijeenkomst met de artiesten, 21-IX-2009. (eigen vertaling)

5 Cfr. Concilie van Nicea II, jaar 787, Conciliorum Œcumenicorum Decreta, 111; Geciteerd in Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 1160.

6 Heilige Johannes Damascenus, De sacris imaginibus orationes, 1, 16; geciteerd in Catechismus, n. 1159.

7 Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 365.

8 Gianfranco Ravasi, «Y vio Dios que era bello. Fe, belleza, arte», Openingsrede, Theologische dagen van het Centrum voor Theologische Studies van Sevilla, 3 maart 2016; beschikbaar op cultura.va. (eigen vertaling)

9 Cfr. Catechismus van de Katholieke Kerk, n. 1084.

10 B. Nauman, «The True Artist Helps the World by Revealing Mystic Truths (Window or Wall Sign) », neonsculptuur, 1967. (eigen vertaling)

11 Heilige Jozefmaria, “De wereld hartstochtelijk liefhebben”, in Gesprekken, n. 114.

12 Cfr. Franciscus, Brief over de rol van literatuur in de vorming, 4-VIII-2024, n. 17.

13 Heilige Paulus VI, Homilie in de Mis met de artiesten, 7-V-1964. (eigen vertaling)

14 Een diepgaande bespreking van de rol van de kunst in de liturgie (met name muziek of architectuur) valt buiten het bestek van deze tekst. Zie hiervoor bijvoorbeeld de constitutie Sacrosanctum Concilium (1963) en de instructie Musicam sacram (1967).

15 Heilige Johannes Paulus II, Brief aan de artiesten, 4-IV-1999.

16 J. Ratzinger, «La contemplación de la belleza», Boodschap aan de bijeenkomst in Rimini, augustus 2002, Humanitas 29 (2003) 9-14; beschikbaar op humanitas.cl. (eigen vertaling)

17 S. Weil, A la espera de Dios, Trotta, Madrid, 2024, pp. 55-56. (eigen vertaling)

18 Dante, De Goddelijke Komedie, Het Paradijs, Gezang XXXIII. (eigen vertaling)

Raquel Cascales