Hem kennen en jezelf kennen (XIII): niet redeneren, maar kijken!

Het contemplatieve gebed ontwikkelt een nieuwe manier van kijken naar alles wat er om ons heen gebeurt. Het is een gave die voldoet aan ons natuurlijk verlangen om in de meest uiteenlopende omstandigheden met God verenigd te zijn.

Als we denken aan wat nu, in politiek en economisch opzicht, de op twee na belangrijkste stad ter wereld is... dat was in de eerste eeuwen Antiochië, toen het de hoofdstad was van een Romeinse provincie. We weten dat daar voor de eerste keer de naam ‘christenen’ (vgl. Hand 11,26) werd gebruikt voor de volgelingen van Christus. De derde bisschop van die stad was de heilige Ignatius die, tijdens het bewind van Trajanus ter dood veroordeeld, over land naar de kust van Seleucië – het huidige zuidelijke deel van Turkije – werd gebracht en vervolgens over zee werd overgebracht tot hij in Rome aankwam. Onderweg stopten ze in verschillende havens. In elke plaats ontving hij christenen uit de wijde omgeving en hij maakte van de gelegenheid gebruik om brieven te sturen naar de gemeenten van volgelingen van Jezus: “Ik schrijf aan alle gemeenten, en laat allen weten dat ik uit vrije wil voor God sterf”.[1] De heilige bisschop Ignatius wist dat de wilde dieren van het Amfitheater van Flavius – nu het Romeinse Colosseum – zijn einde hier op aarde zouden betekenen, en dus vroeg hij onophoudelijk om te bidden dat hij moedig zou zijn. Maar verschillende keren zijn we in zijn brieven ook getuige van de diepten van zijn ziel, van zijn verlangen om definitief met God verenigd te worden: “Er is geen vuur van materieel verlangen in mij, maar alleen levend water dat in mij spreekt en tot mij zegt: Kom tot de Vader”.[2]

Een plant met wortels in de hemel

Die inwendige oproep van de heilige Ignatius van Antiochië – Kom tot de Vader – die waarschijnlijk zijn leven van vroomheid en zijn sacramenteel leven heeft bezield, is in werkelijkheid het bovennatuurlijke rijpingsproces van het natuurlijk verlangen dat wij allen hebben om met God verenigd te zijn. Reeds de Griekse filosofen van de oudheid hadden in ons innerlijk een hunkering naar het goddelijke bespeurd, een heimwee naar ons ware vaderland, “alsof wij een plant zijn, niet een aardse maar een hemelse”.[3] Benedictus XVI heeft tijdens zijn catechese over het gebed in de eerste audiëntie ook willen terugkijken naar het oude Egypte, naar Mesopotamië, naar de Griekse filosofen en toneelschrijvers of naar de Romeinse schrijvers; alle culturen zijn altijd een getuigenis geweest van het verlangen naar God. “De digitale mens zoekt, net als de grottenmens, in de religieuze ervaring de wegen om zijn eindigheid te overwinnen en zijn hachelijke aardse avontuur veilig te stellen. (...) De mens draagt in zich een dorst naar het oneindige, een verlangen naar eeuwigheid, een zoeken naar schoonheid, een hunkering naar liefde, een behoefte aan licht en waarheid, die hem naar het Absolute drijven”.[4]

Men zegt vaak dat een van de meest voorkomende problemen van dit hachelijke aardse avontuur van onze tijd de innerlijke verscheurdheid is, die soms zelfs onbewust is: we ervaren tegenstellingen tussen wat we willen en wat we doen, we zien aspecten van onszelf die niet harmonieus in elkaar passen, we bouwen het verhaal van ons leven niet op als een ononderbroken band met ons verleden en onze toekomst, we zien niet hoe veel ideeën die we hebben verworven of gevoelens die we ervaren met elkaar overeengebracht kunnen worden… Hier en daar maken we misschien meerdere versies van onszelf. Soms lukt het ons zelfs niet om onze aandacht uitsluitend op één enkele taak te richten. Op al deze gebieden verlangen wij naar die eenheid die wij, naar het schijnt, niet kunnen bewerkstelligen zoals zoveel andere dingen. “Is het niet een teken des tijds dat er vandaag de dag, ondanks de enorme secularisatieprocessen, een wijdverbreide behoefte aan spiritualiteit bestaat, die zich in hoge mate juist uit in een hernieuwde behoefte om te bidden?”[5] vroeg de heilige Johannes Paulus II aan het begin van ons millennium. We zien inderdaad veel initiatieven ontstaan, zowel live als online, die erop gericht zijn ons vermogen tot uiterlijke en innerlijke stilte, tot luisteren, tot concentratie, tot harmonie tussen ons lichaam en onze geest te vergroten. Dit alles kan ons, zoals logisch is, een zekere natuurlijke rust brengen. Maar het christelijk gebed biedt ons een rust die niet louter een voorbijgaand evenwicht is, maar de vrucht van een opvatting van het leven waarin alles met elkaar in harmonie is en die voortkomt uit die intieme relatie met God; het christelijk gebed, dat een gave is, ontwikkelt in ons een nieuwe visie op de werkelijkheid die alles in Hem verenigt. “Het is eerder een innerlijke houding dan een reeks praktijken en formules; het is eerder een manier om dicht bij God te zijn dan daden van aanbidding te verrichten of woorden uit te spreken.”[6] Natuurlijk ontstaat deze innerlijke houding, deze manier om dicht bij de Heer te zijn, niet van de ene dag op de andere, noch komt zij tot stand zonder dat wij ons ervoor in de juiste gesteltenis brengen, zodat God haar ons kan schenken: het is een gave, maar het is ook een opgave.

De ogen van een ziel die aan de eeuwigheid denkt

In zijn homilie “Op weg naar heiligheid”, van eind 1967, beschrijft de heilige Jozefmaria in het kort de weg van een leven van gebed.[7] We beginnen te bidden – zegt hij ons – met eenvoudige, korte gebeden, die we waarschijnlijk in onze kinderjaren uit ons hoofd hebben geleerd; dat opent de weg naar de vriendschap met Jezus waarin wij ons leren inleven in zijn lijden, dood en verrijzenis, en wij ons zijn onderricht eigen willen maken. Dan heeft ons hart behoefte aan de omgang met ieder van de drie goddelijke Personen afzonderlijk, totdat dat beetje bij beetje onze hele dag aanhoudt. En het is dan dat de stichter van het Opus Dei het stadium beschrijft dat overeenkomt met het contemplatieve leven: het moment komt waarop “wij ons vermeien in de frisse en overvloedige waterstromen die opborrelen ten eeuwigen leven (vgl.Joh 4, 14). Woorden schieten te kort, omdat dit niet in taal uitgedrukt kan worden; het verstand komt tot rust. Het redeneren verstomt, het aanschouwen begint”.[8] Op een bepaald punt van die weg kunnen wij ons dan afvragen: welke relatie heeft het gebed met het eeuwig leven? In welke zin wordt het gebed een blik in plaats van dat het uit woorden bestaat? Door te bidden hopen wij de dingen, hier en nu, te zien zoals God ze ziet; te vatten wat er om ons heen gebeurt met een eenvoudige intuïtie die voortkomt uit de liefde.[9] Dat is de grootste vrucht ervan, en daarom zeggen wij dat het ons omvormt. Het helpt ons niet alleen om bepaalde gewoontes te veranderen of om bepaalde gebreken te overwinnen; het christelijk gebed is er vooral op gericht om ons met God te verenigen, waardoor onze blik langzamerhand overeenkomt met de blik van God en dat begint al hier op aarde. Op een bepaalde manier proberen wij onze ogen te genezen met zijn licht. Deze relatie van liefde met God – die wij in Jezus leren en verwezenlijken – is niet gewoon iets wat wij doen, maar verandert wie wij zijn.

Deze persoonlijke omvorming heeft gevolgen – die zelfs heel praktisch kunnen zijn – voor onze manier van omgaan met de werkelijkheid. Door samen met God in ons die bovennatuurlijke blik te ontwikkelen, kunnen wij bijvoorbeeld het goede doorgronden dat achter al het geschapene schuilgaat, zelfs waar wij denken dat het afwezig is, omdat niets ontsnapt aan zijn liefdevolle plan, dat altijd sterker is. Het brengt ons ertoe de vrijheid van de anderen op een nieuwe manier te waarderen, ons te onttrekken aan de verleiding voor hen te beslissen, alsof het lot van alles van ons handelen zou afhangen. We begrijpen ook beter dat de handelwijze van God zijn eigen manieren en tijden kent, die wij mogen noch kunnen controleren. Het contemplatieve gebed brengt ons ertoe niet geobsedeerd te raken door problemen onmiddellijk te willen oplossen, maar doet ons beter in staat zijn het licht te ontdekken in alles wat ons omringt, ook in de wonden en zwakheden van onze wereld. Doordat we proberen de dingen te bezien met de ogen van God worden we bevrijd van een gespannen verhouding tot de realiteit en tot de mensen, omdat wij trachten te leven in harmonie met zijn almachtige liefde, in plaats van deze met onze onhandige interventies te belemmeren. De heilige Thomas van Aquino zegt dat “de contemplatie volmaakt zal zijn in het hiernamaals, wanneer wij God van aangezicht tot aangezicht zullen zien (1 Kor 13,12), wat ons volmaakt gelukkig zal maken”.[10] De kracht van het gebed is dat wij reeds hier op aarde deel kunnen hebben aan die blik van God, ook al is het altijd “als in een spiegel” (1 Kor 13,12). In 1972 vroeg iemand bij een bijeenkomst in Portugal aan de heilige Jozefmaria hoe men op een christelijke manier met de dagelijkse problemen kan omgaan. De stichter van het Opus Dei wees er onder meer op dat het gebedsleven ons helpt de dingen anders te bezien dan zonder die innige vereniging met God: “Wij hebben een ander soort criterium; wij zien de dingen met de ogen van een ziel die denkt aan de eeuwigheid en aan de liefde van God, die ook eeuwig is”.[11] In andere omstandigheden had hij ook gezegd dat de manier om gelukkig te zijn in de hemel veel te maken heeft met de manier om gelukkig te zijn op aarde.[12] Een Byzantijnse theoloog uit de veertiende eeuw had iets soortgelijks geschreven: “Het is ons niet alleen vergund om ons op het Leven voor te bereiden; het is ons ook vergund om het nu al te leven en er naar te handelen”.[13]

Rust… Vrede… Intens leven

De Catechismus van de Katholieke Kerk verrast ons, aan het begin van de uiteenzetting over het gebed, met een vraag die functioneert als een permanent gewetensonderzoek: “Wanneer wij bidden, vanuit welke houding spreken wij dan? Vanuit de hoogte van onze trots en van onze eigen wil, of vanuit de ‘diepte’ (Ps 130,1) van een nederig en berouwvol hart?” En daarna gaat de tekst onmiddellijk verder met ons te herinneren aan de fundamentele voorwaarde voor het gebed: “De nederigheid is de grondslag voor het gebed”.[14] Inderdaad kan die blik op de eeuwigheid die het contemplatieve gebed in ons opwekt alleen maar groeien in de vruchtbare bodem van de nederigheid, in een klimaat van openheid voor Gods oplossingen in plaats van alleen te vertrouwen op onze eigen recepten. Soms kan een overdreven vertrouwen in onze intelligentie en in onze planning ertoe leiden dat wij in de praktijk bijna leven alsof God niet bestaat. Wij hebben altijd een nieuwe nederigheid tegenover de werkelijkheid nodig, tegenover de mensen, tegenover de geschiedenis. Deze nederigheid is een vruchtbare bodem voor Gods handelen. Paus Franciscus heeft in zijn catechese over het gebed gekeken naar de ervaring van koning David: “De wereld die voor zijn ogen verschijnt, is geen stil tafereel: zijn blik vat achter de loop van de geschiedenis een groter mysterie. Het gebed is juist daaruit geboren: uit de overtuiging dat het leven niet iets is dat langs ons heen gaat, maar dat het een ontzagwekkend mysterie is”.[15]

Dan, als wij delen in die blik die de contemplatie midden in de wereld ons biedt, zullen wij, voor zover mogelijk, onze verlangens naar eenheid bevredigen: met God, met de anderen, binnen in onszelf. Wij zullen verbaasd staan over onszelf omdat wij ons onvermoeibaar inzetten voor het welzijn van de anderen en van de Kerk, en onze talenten zien bloeien “als een boom, wortelend waar water stroomt, die vrucht draagt in het seizoen” (Ps 1,3). We zullen een beetje smaken van die harmonie waartoe wij zijn bestemd. We zullen die vrede genieten die we op geen enkele andere manier vinden. “Rennen, rennen!… Doen, doen!… Koortsachtige bedrijvigheid, de dwaasheid om steeds in beweging te zijn… (…) Zij werken namelijk met het zicht op het heden: zij leven van het ene moment in het andere. – Jij moet alles bezien in het licht der eeuwigheid, toekomst en verleden steeds voor ogen houdend…

Rust. – Vrede. – Leid een intens innerlijk leven.”[16]

[1] Heilige Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, nr. 4.

[2] Ibid., nr. 7.

[3] Plato, Timeo, 90a.

[4] Benedictus XVI, Audiëntie, 11-5-2011.

[5] Heilige Johannes Paulus II, apost. Brief Novo Millennio ineunte, nr. 33.

[6] Benedictus XVI, Audiëntie, 11-5-2011.

[7] Vgl. heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 306.

[8] Ibid., nr. 307.

[9] Dit is de thomistische opvatting van de contemplatie als “simplex intuitus veritatis ex caritate procedens”.

[10] Heilige Thomas van Aquino, Summa theologica, II-II, c.180, a.4.

[11] Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 4-11-1972.

[12] Vgl. heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 1005.

[13] Nicolás Cabasilas, Het leven in Christus.

[14] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2559.

[15] Paus Franciscus, Audiëntie, 24-6-2020.

[16] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 837.

Andrés Cárdenas Matute