«Dilexi te»: 20 sleutelpunten van Leo XIV over liefde voor de armen

De paus herinnert ons eraan dat naastenliefde "de bron is voor het oplossen van de structurele oorzaken van armoede". In de apostolische exhortatie "Dilexit te" biedt Leo XIV een reflectie in het verlengde van de encycliek "Dilexit nos". We presenteren enkele sleutelpunten uit deze brief ter persoonlijke reflectie.

1. Kleine gebaren van genegenheid. “Geen enkel gebaar van genegenheid, hoe klein ook, zal worden vergeten, vooral niet als het gericht is tot iemand die pijn lijdt, eenzaam is, in nood verkeert” (DT 4).

2. God horen in de armen. “Het gaat hier niet om liefdadigheid, maar om de Openbaring: het contact met wie geen macht en aanzien heeft, is een fundamentele manier om de Heer van de geschiedenis te ontmoeten.” (DT 5).

3. Gods hart. “Daarom worden wij, wanneer wij naar de roep van de armen luisteren, geroepen om ons te identificeren met het hart van God, die zorgzaam is voor de noden van zijn kinderen, en in het bijzonder voor de meest behoeftigen.” (DT 8).

4. De vele vormen van armoede. “Er zijn er vele vormen van armoede: de armoede van wie geen middelen van bestaan heeft, de armoede van wie sociaal gemarginaliseerd is en geen middelen heeft om zijn waardigheid en capaciteiten tot uiting te brengen, morele en spirituele armoede, culturele armoede, de armoede van wie zich in een situatie van persoonlijke of sociale zwakte of kwetsbaarheid bevindt, de armoede van wie geen rechten, geen ruimte en geen vrijheid heeft.” (DT 9).

5. De cultuur transformeren. “Naast concrete inspanningen voor de armen is ook een mentaliteitsverandering nodig die op cultureel niveau effect kan hebben. De illusie dat een welvarend leven geluk brengt, zet veel mensen er namelijk toe aan een visie op het bestaan te ontwikkelen die draait om het vergaren van rijkdom en sociaal succes, koste wat het kost, zelfs ten koste van anderen en door misbruik te maken van sociale idealen en onrechtvaardige politiek-economische systemen die de sterksten bevoordelen.” (DT 11).

6. Evangelisatie. “Het feit dat het beoefenen van naastenliefde wordt geminacht of belachelijk gemaakt, alsof het een obsessie van enkelen is en niet de kern van de kerkelijke missie, doet mij denken dat we het evangelie steeds opnieuw moeten lezen, om niet het risico te lopen het te vervangen door een wereldse mentaliteit” (DT 15).

7. Een voorkeursoptie voor de armen. “Deze “preferentie (voor de armen)” duidt nooit op exclusiviteit of discriminatie ten opzichte van andere groepen, wat in God onmogelijk zou zijn; ze wil het handelen van God benadrukken, die zich beweegt uit mededogen voor de armoede en zwakheid van de hele mensheid en die, omdat hij een Rijk van gerechtigheid, broederschap en solidariteit wil inluiden, bijzonder begaan is met degenen die gediscrimineerd en onderdrukt worden, en ook van ons, zijn Kerk, een vastberaden en radicale keuze vraagt ten gunste van de zwaksten.” (DT 16).

8. Goddelijke naastenliefde weerspiegelen. “Zelfs in gevallen waarin de relatie met God niet expliciet is, leert de Heer ons dat elke daad van liefde jegens de naaste in zekere zin een weerspiegeling is van de goddelijke liefde: “Voorwaar, ik zeg u: alles wat u voor een van deze minste broeders van mij hebt gedaan, hebt u voor mij gedaan” (Mt. 25,40).” (DT 26).

9. Vrijgevigheid komt de gever ten goede. “Aan degenen onder ons die niet geneigd zijn tot vrijgevige daden, zonder enig belang, wijst het Woord van God erop dat vrijgevigheid jegens de armen een waar goed is voor wie dat beoefent: door ons zo te gedragen, worden we namelijk op een bijzondere manier door God bemind” (DT 33).

10. Naar God toe gaan. “Al vanaf de eerste eeuwen erkenden de kerkvaders in de armen een bevoorrechte weg om tot God te komen, een bijzondere manier om Hem te ontmoeten. Naastenliefde jegens de behoeftigen werd niet beschouwd als een eenvoudige morele deugd, maar als een concrete uitdrukking van het geloof in het vleesgeworden Woord.” (DT 39).

11. Bij de zieken. “De christelijke aanwezigheid bij de zieken laat zien dat verlossing geen abstract idee is, maar concrete actie” (DT 52).

12. Menselijke arbeid. Johannes Paulus II, “In de encycliek Laborem Exercens stelt hij dat “menselijke arbeid een sleutel is, en waarschijnlijk de essentiële sleutel, tot de hele sociale kwestie””(DT 87).

13. De kracht van naastenliefde. “Naastenliefde is een kracht die de werkelijkheid verandert, een authentieke historische kracht van verandering. Dit is de bron waaruit elk engagement om “de structurele oorzaken van armoede op te lossen”” (DT 91).

14. Een efficiënt getuigenis. “De zorg voor de zuiverheid van het geloof mag niet los worden gezien van de zorg om door een integraal theologisch leven het antwoord te geven van een doeltreffend getuigenis van dienstbaarheid aan de naaste, en in het bijzonder aan de armen en onderdrukten.” (DT 98).

15. Ons laten evangeliseren door de armen. “In dit perspectief wordt duidelijk dat het noodzakelijk is dat “wij ons allemaal laten evangeliseren” door de armen, en dat wij allemaal “de mysterieuze wijsheid erkennen die God ons via hen wil meedelen”. Opgegroeid in extreme onzekerheid, lerend te overleven in de meest ongunstige omstandigheden, vertrouwend op God in de zekerheid dat niemand anders hen serieus neemt, elkaar helpend in de donkerste momenten, hebben de armen veel dingen geleerd die zij in het mysterie van hun hart bewaren. Degenen onder ons die geen soortgelijke ervaringen hebben gehad, die niet op het randje hebben geleefd, hebben zeker veel te leren van die bron van wijsheid die de ervaring van de armen is.” (DT 102).

16. Een weg naar vernieuwing binnen de Kerk. “Elke kerkelijke vernieuwing heeft namelijk altijd deze voorkeursbehandeling van de armen tot een van haar prioriteiten gemaakt, die zich zowel qua motieven als qua stijl onderscheidt van de activiteiten van elke andere humanitaire organisatie.” (DT 103).

17. Stille leraren van nederigheid. “Niet zelden maakt welvaart ons blind, tot het punt dat we denken dat ons geluk alleen kan worden gerealiseerd als we zonder anderen kunnen. In dit opzicht kunnen de armen voor ons als stille leraren zijn, die onze trots en arrogantie tot de juiste nederigheid terugbrengen.” (DT 108).

18. Solidariteit. “Het hart van de Kerk is van nature solidair met de armen, de uitgeslotenen en de gemarginaliseerden, met hen die als “afval” van de samenleving worden beschouwd. De armen staan centraal in de Kerk, want uit het “geloof in Christus die arm is geworden en altijd dicht bij de armen en uitgeslotenen staat, vloeit de zorg voort voor de integrale ontwikkeling van de meest verlatenen in de samenleving”. In het hart van elke gelovige leeft “de behoefte om te luisteren naar die roep (die) voortkomt uit het bevrijdende werk van de genade in ieder van ons, zodat het niet gaat om een missie die slechts aan enkelen is voorbehouden”.” (DT 111).

19. Gebrek aan spirituele aandacht. “We hebben het niet alleen over hulpverlening en de noodzakelijke inzet voor gerechtigheid. Gelovigen moeten zich bewust zijn van een andere vorm van inconsistentie ten opzichte van de armen. In werkelijkheid is “de ergste discriminatie waaronder de armen lijden het gebrek aan spirituele aandacht (...). De preferentiële optie voor de armen moet zich vooral vertalen in een bevoorrechte en prioritaire religieuze aandacht”.” (DT 114).

20. Aalmoes als ontmoeting. “Het is goed om nog een laatste woord te wijden aan de aalmoes, die vandaag de dag geen goede naam heeft, vaak zelfs niet onder gelovigen. Het wordt niet alleen zelden beoefend, maar soms zelfs veracht. Enerzijds herhaal ik dat de belangrijkste hulp voor een arm persoon is om hem aan een goede baan te helpen, zodat hij een leven kan verdienen dat beter aansluit bij zijn waardigheid, door zijn capaciteiten te ontwikkelen en zijn persoonlijke inspanningen aan te bieden. Het feit is dat "het gebrek aan werk veel meer is dan het wegvallen van een bron van inkomsten om van te leven. Werk is dat ook, maar het is veel, veel meer. Door te werken worden we meer mens, bloeit onze menselijkheid, worden jongeren alleen door te werken volwassen. De sociale leer van de Kerk heeft menselijk werk altijd gezien als deelname aan de schepping die elke dag voortduurt, ook dankzij de handen, het verstand en het hart van de arbeiders”. Aan de andere kant, als deze concrete mogelijkheid nog niet bestaat, mogen we niet het risico lopen iemand aan zijn lot over te laten, zonder hetgeen onmisbaar is om waardig te kunnen leven. En dus blijft aalmoes een noodzakelijk moment van contact, van ontmoeting en van inleven in de situatie van anderen.” (DT 115)

Je vindt de volledige tekst hier.