Thema 23: Het sacrament van Boete en verzoening

Het sacrament van Boete en verzoening brengt genezing en verlossing van de zonden.

Het boetesacrament

“Het vieren van het Sacrament van de verzoening betekent dat men in een warme omhelzing wordt opgenomen: het is de omhelzing van de oneindige barmhartigheid van de Vader. Laten we ons die prachtige, prachtige gelijkenis herinneren van de zoon die zijn huis verliet met het geld van zijn erfenis. Hij verkwistte al het geld en toen, toen hij niets meer over had, besloot hij naar huis terug te keren, niet als zoon maar als knecht. Zijn hart was vervuld van zoveel schuld en schaamte. De verrassing kwam toen hij begon te spreken, om vergeving te vragen, en zijn vader hem niet liet spreken; hij omhelsde hem, hij kuste hem en hij begon feest te vieren. Ik zeg u: elke keer dat wij gaan biechten, omhelst God ons. God verheugt zich!” (Paus Franciscus, Algemene Audiëntie, 19 februari 2014).

Genade en nieuw leven in Christus, ontvangen door de sacramenten van de christelijke initiatie (dat wil zeggen: Doopsel, Vormsel en Eucharistie), maken de gelovigen heilig en onbevlekt voor God (vgl. Ef. 1,4). Het ontvangen van deze sacramenten herstelt echter niet volledig de innerlijke harmonie en orde van de ziel. De gevolgen van de erfzonde blijven namelijk bestaan. Hiertoe behoren de broosheid en zwakheid van onze menselijke natuur en de geneigdheid tot de zonde.

Wedergeboren door het Doopsel, verlicht door het Woord van God en gesterkt door de heilzame kracht van het Vormsel en de Eucharistie, beschikken wij zeer zeker over de middelen om in Gods liefde te blijven en de geestelijke strijd aan te gaan die nodig is om de bekoringen van de duivel te overwinnen (vgl. 2 Petr. 1,3-11). Desalniettemin blijft de christen een “reiziger”, een pelgrim op aarde, die op weg is naar zijn hemels vaderland. Ons verstand en onze wil zijn nog niet definitief gericht op de volheid van de Schoonheid, de Waarheid en de Liefde die God is. Bijgevolg wordt de christen, zolang hij een “reiziger” op aarde is, geroepen om in vrijheid op weg te gaan naar God, die de oorsprong en het einddoel van ons leven is. Op de weg van deze tocht moet de gelovige voortdurend kiezen tussen het aanvaarden en het verwerpen van Gods vaderlijke wil. God verlangt ons heil, maar eerbiedigt tegelijkertijd de vrijheid die Hij ons zelf gegeven heeft. Vandaar dat wij, als gevolg van een verkeerd gebruik van deze vrijheid, ons kunnen afkeren van Gods liefde en kunnen zondigen.

Met het specifieke doel de zonden te vergeven die na het Doopsel zijn begaan, heeft onze Heer, de geneesheer van onze ziel en van ons lichaam, een speciaal sacrament van genezing en verlossing van zonde ingesteld: het sacrament van Boete en verzoening (vgl. Catechismus, 1446).

Volgens de levende Traditie van de Kerk en de leer van het Leergezag heeft Jezus het sacrament van Boete en verzoening in de eerste plaats ingesteld toen Hij, verrezen uit de doden, de Geest over zijn apostelen blies. Aldus verleende Hij hun zijn eigen goddelijke macht om zonden te vergeven: “Hij blies over hen en zei tot hen: ‘Ontvang de Heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven; en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven’” (Joh. 20,22-23).

Deze macht om zonden te vergeven is doorgegeven aan de bisschoppen, de opvolgers van de apostelen als herders van de Kerk. Deze macht is ook gegeven aan de priesters, die medewerkers van de bisschoppen zijn, krachtens het sacrament van de Wijding. “Christus wilde dat heel zijn Kerk, in haar gebed, haar leven en haar handelen, teken en instrument zou zijn van de vergeving en de verzoening, die Hij voor ons met de prijs van zijn bloed verworven heeft. Hij heeft echter de uitoefening van de macht om te vergeven aan het apostolisch ambt toevertrouwd.” (Catechismus, 1442).

De structuur van het boetesacrament

In de loop van de geschiedenis hebben de bedienaren van Christus’ sacramenten in de Kerk de macht om zonden te vergeven in verschillende vormen uitgeoefend, die veel variaties hebben gekend (vgl. Catechismus, 1447). Niettemin: “bij alle veranderingen die de kerkorde en de viering van dit Sacrament in de loop der eeuwen gekend hebben, onderscheidt men dezelfde fundamentele structuur. Zij bevat twee even wezenlijke elementen: enerzijds wat de mens doet die zich bekeert onder invloed van de Heilige Geest, namelijk het berouw, de belijdenis en de voldoening; anderzijds wat God doet door tussenkomst van de Kerk. De Kerk die door de bisschop en zijn priesters in naam van Jezus Christus de vergeving van de zonden schenkt en de wijze van voldoening vastlegt, bidt ook voor de zondaar en doet samen met hem boete. Zo wordt de zondaar genezen en weer opgenomen in de kerkelijke gemeenschap” (Catechismus, 1448).

Het eerste wezenlijke element van het boetesacrament bestaat dus uit de eigen handelingen van de boeteling, dat wil zeggen: berouw van het hart, de belijdenis van de zonden en het verrichten van de boetewerken die door de bedienaar van Christus en van de Kerk zijn opgelegd (vgl. Catechismus, 976). Het is duidelijk dat we hier spreken over de handelingen van de boeteling, niet als louter menselijke handelingen (de vergeving van de zonden wordt niet verkregen op eigen kracht), maar als handelingen verricht met geloof in Christus de Verlosser en onder de werking van de Heilige Geest (vgl. Catechismus, 1448).

Het tweede structurerende element van dit sacrament is de absolutie door de priester, waarvan het wezenlijke deel bestaat uit de woorden: “Ik ontsla u van uw zonden, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.” Dit zijn doeltreffende woorden, want zij geven aan wat er werkelijk door de sacramentele absolutie tot stand wordt gebracht: de vergeving en de verzoening van de zondaar door de levende God, Vader, Zoon en Heilige Geest. “In het sacrament van de boete ontvangt de Vader de berouwvolle zoon die bij Hem terugkeert; neemt Christus het verloren schaap op zijn schouders en brengt het terug naar de schaapskooi; en heiligt de Heilige Geest deze tempel van God opnieuw of gaat er vollediger in wonen”(Liturgie van het Boetesacrament).

Het is goed in gedachten te houden dat er een nauwe band bestaat tussen deze twee elementen (de handelingen van de boeteling en de absolutie van de priester): de eerste handeling is op de tweede gericht, en beide vormen samen een morele eenheid die noodzakelijkerwijs aanwezig moet zijn voor de geldige viering van het sacrament. Met andere woorden, het sacramentele teken van de boete kan op geen enkele wijze worden gereduceerd tot enkel de absolutie van de priester, omdat deze handeling slechts kan worden verricht als de boeteling vooraf met een berouwvol hart zijn zonden heeft beleden.

Een noodzakelijke voorwaarde voor een correcte en vruchtbare viering van het boetesacrament is het gewetensonderzoek, dat de biechteling voor dit sacrament van bekering dient te verrichten. Immers, niemand kan berouw hebben en zichzelf tegenover God van zijn zonden beschuldigen als hij, verlicht door de goddelijke hulp, niet eerst over zijn zonden nadenkt. Daarom “is het passend zich op het ontvangen van dit Sacrament voor te bereiden door een gewetensonderzoek in het licht van het woord van God. De meest passende teksten hiervoor vindt men in de Tien Geboden en in de catechese over het zedelijk handelen dat in de Evangelies en de Brieven van de apostelen vervat ligt: de Bergrede, de onderrichting van de apostelen” (Catechismus, 1454).

De belangrijkste van de akten van de boeteling is het berouw. Dit is “de zielensmart vanwege de zonde die men bedreven heeft en de afschuw ervan, vergezeld van het voornemen voortaan niet meer te zondigen” (Catechismus, 1451). Het “berouw van het hart” (vgl. Ps. 51,19) impliceert een heldere en vaste daad van verstand en wil, waardoor een persoon, bewogen door Gods hulp en door het geloof, zijn zonden verafschuwt in zoverre ze hem van God hebben verwijderd (de theologische dimensie), van Christus (de christologische dimensie), van de Kerk (de kerkelijke dimensie) en van zijn broeders en zusters (de menselijke familie?). Naast dit “negatieve” aspect, waarbij een persoon de zonde verwerpt of verafschuwt, heeft het berouw ook een positief aspect. Dit omvat het verlangen om terug te keren naar God, in de hoop zijn vergeving te verkrijgen en in zijn liefde te blijven (vgl. Jes. 55,7-8; Luc. 5,11-32).

Het berouw kan “volmaakt” of “onvolmaakt” zijn. “Dit berouw wordt ‘volmaakt’ genoemd, wanneer het voortkomt uit liefde tot God die bovenal bemind wordt (‘contritie’ ofwel ‘berouw uit liefde’). Door zulk een berouw worden de dagelijkse zonden vergeven; ook schenkt het vergiffenis van doodzonden als het vergezeld wordt van het vaste voornemen zo spoedig mogelijk tot de sacramentele biecht te naderen.” (Catechismus, 1452). “Het berouw dat ’onvolmaakt’ genoemd wordt (ofwel ‘attritie’), is eveneens een gave van God, een impuls van de Heilige Geest. Het komt voort uit het besef hoe afschuwwekkend de zonde is of uit angst voor de eeuwige verwerping en andere straffen waarmee de zondaar bedreigd wordt (berouw uit vrees). Een dergelijke verontrusting van het geweten kan een innerlijke ontwikkeling op gang brengen die onder inwerking van de genade door de sacramentele absolutie vervolmaakt zal worden. Uit zichzelf bewerkt het onvolmaakte berouw echter niet de vergeving van zware zonden. Het bevordert de ontvankelijkheid voor deze vergeving die verkregen wordt in het boetesacrament” (Catechismus, 1453).

De belijdenis van de zonden is de boetvaardige handeling waarmee de zondaar aan de priester de fouten kenbaar maakt waarvoor hij zich verantwoordelijk acht, om Gods vergeving te verkrijgen en tot volledige gemeenschap met de Heilige Kerk te komen. Deze belijdenis ten overstaan van een priester is een wezenlijk onderdeel van het sacrament.

Door de eeuwen heen hebben theologen en geestelijken vaak gesteld dat de belijdenis van de zonden oprecht, duidelijk, concreet, berouwvol, nederig, discreet en eerbaar (dat wil zeggen: volgens de normen van voorzichtigheid, ingetogenheid en naastenliefde), mondeling, en integraal of volledig moet zijn.

Wat betreft de integrale biecht brengt de Catechismus van de Katholieke Kerk de leer van het Concilie van Trente in herinnering: “De boetelingen moeten in de biecht alle doodzonden opsommen waarvan zij zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek bewust zijn, zelfs wanneer deze zeer verborgen zijn en slechts ingaan tegen de laatste twee van de tien geboden (vgl. Ex. 20,17; Mt. 5,28); want soms brengeen deze zonden de ziel een zwaardere wonde toe en zijn ze gevaarlijker dan zonden die openlijk bedreven werden (Catechismus, 1456).

De sacramentele voldoening (penitentie) bestaat uit de vrijwillige aanvaarding en de daaropvolgende uitvoering van de boetewerken die door de biechtvader zijn opgelegd. Deze handelingen zijn een teken en uitdrukking van innerlijk berouw en van de oprechtheid de bekering van de zondaar. Deze voldoening is bedoeld om, met de hulp van de goddelijke genade, de wanorde te herstellen die door de zonden is veroorzaakt, zowel in de zondaar zelf als in zijn familie, sociale en kerkelijke gemeenschap. De absolutie neemt de zonden weg, maar heft niet alle wanorde op die door de belediging van God is veroorzaakt (vgl. Catechismus, 1459).

De bedienaar van het sacrament van Boete en verzoening is de priester (bisschop of priester), die geldig gewijd is en in het bezit is van de bevoegdheid waarmee hij de zonden kan vergeven van de gelovigen aan wie hij de absolutie verleent (vgl. Catechismus, 1461-1462).

“Bij het vieren van het Boetesacrament vervult de priester het dienstwerk van de goede herder die op zoek gaat naar het verloren schaap, ook dat van de barmhartige Samaritaan die de wonden verbindt, dat van de vader die uitkijkt naar de verloren zoon en hem bij zijn terugkeer ontvangt, het dienstwerk van de rechtvaardige rechter die zonder aanzien des persoons oordeelt en wiens oordeel tegelijk rechtvaardig en barmhartig is. Kortom, de priester is het teken en het instrument van Gods barmhartige liefde voor de zondaar” (Catechismus, 1465).

Tijdens de viering van het sacrament van de verzoening moet de bedienaar daarom handelen als vader en goede herder, door de barmhartige liefde van de hemelse Vader te laten zien en over te brengen aan de boetelingen (vgl. Luc. 15,20-31) en door het voorbeeld van Christus, de Goede Herder, te volgen. Hij dient een leraar van de waarheid te zijn (waarbij hij niet zijn eigen ideeën meedeelt, maar de leer van Christus, de Leraar die de waarheid onderwijst en de weg naar God wijst: vgl. Mat. 22,16). De biechtvader is ook geroepen om een goedertieren en werkzame rechter van vergeving te zijn: hiervoor moet hij de zonden kennen die op het geweten van de boeteling wegen en een “geestelijk oordeel” vormen over de gesteldheid van die persoon (in wezen met betrekking tot het berouw van de boeteling en het voornemen om zijn ongeordende levenswandel te beteren), zodat de biechtvader de absolutie kan verlenen met kennis van zaken en zonder willekeur.

Als de biechtvader personen ontmoet die nader tot God willen komen maar nog geen absolutie kunnen ontvangen omdat zij de juiste gesteltenis missen, zal hij proberen hen met begrip en barmhartigheid te behandelen en hen pastoraal te begeleiden, zodat zij in de Christelijke gemeenschap kunnen worden opgenomen op de manieren die voor hen mogelijk zijn. Meer specifiek, in het geval van gescheiden en burgerlijk hertrouwde personen, of personen die samenwonen (concubinaat), zal hij hen helpen inzien dat zij, ondanks hun situatie, “blijven behoren tot de Kerk, die hen met speciale aandacht begeleidt en hen aanmoedigt hun christelijk leven zo volledig mogelijk te leiden door regelmatige deelname aan de Mis, zij het zonder de communie te ontvangen, door te luisteren naar het woord van God, door eucharistische aanbidding, gebed, deelname aan het leven van de gemeenschap, eerlijke dialoog met een priester of geestelijk leidsman, toewijding aan het leven van naastenliefde, werken van boete, en inzet voor de opvoeding van hun kinderen” (Paus Benedictus XVI, Sacramentum caritatis, 29).

Na de viering van het sacrament heeft de bedienaar de absolute verplichting om geheimhouding te bewaren over alles wat hij in de biecht gehoord heeft. “Gezien het delicate karakter en de verhevenheid van dit dienstwerk en de eerbied die men aan personen verschuldigd is, verklaart de Kerk dat elke priester die biecht hoort, onder zeer strenge straffen verplicht is tot absolute geheimhouding van de zonden die zijn boetelingen hem beleden hebben. Hij mag ook geen gebruik maken van wat hij door de biecht over het leven van de boetelingen te weten is gekomen. Deze geheimhouding, die geen uitzonderingen duldt, wordt het ‘biechtgeheim of sacramentele zegel’ genoemd, want wat de boeteling aan de priester kenbaar heeft gemaakt, blijft door het Sacrament ‘verzegeld’” (Catechismus, 1467).

De vruchten van het sacrament van de Boete

“De uitwerkingen van het boetesacrament zijn: verzoening met God en bijgevolg de vergeving van de zonden; verzoening met de Kerk; het terugkrijgen van de staat van genade indien deze verloren was; kwijtschelding van de eeuwige straf die door de doodzonden verdiend was, en de minstens gedeeltelijke kwijtschelding van de tijdelijke straffen die het gevolg zijn van de zonden; vrede en rust van het geweten en geestelijke troost; groei van de geestelijke krachten voor de christelijke strijd” (Compendium, 310). Bovendien maakt dit sacrament de boetelingen op een bijzondere wijze gelijkvormig aan Christus, overwinnaar van de zonde, door zijn verlossend lijden en zijn glorierijke verrijzenis (vgl. Lumen Gentium, 7).

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de gelovigen tijdens de viering van het sacrament van de Boete op een mysterieuze, doch reële en werkzame wijze een vooruitlopen ervaren op het laatste oordeel van Christus de Heer over alle mensen (vgl. Mat. 25,31-46; Rom. 14,10-12; 2 Kor. 5,10). “Door zich in dit sacrament toe te vertrouwen aan het barmhartig oordeel van God, loopt de zondaar in zekere zin vooruit op het oordeel waaraan hij aan het einde van dit aardse leven onderworpen zal worden” (Catechismus,1470).

Wij kunnen naar waarheid zeggen dat zij die de sacramentele absolutie ontvangen, reeds door de Heer geoordeeld en vrijgesproken zijn: hun zonden zijn voorgoed vergeven.

“Dit boetesacrament is voor hen die na het doopsel gevallen zijn noodzakelijk voor het heil, zoals het doopsel dat is voor hen die nog niet wedergeboren zijn”(Concilie van Trente, leer over het Sacrament van de Boete).

De innerlijke daad van berouw (berouw van het hart) brengt de christen ertoe Gods vergeving en de volle gemeenschap met Christus en met de Kerk te zoeken. En Christus heeft bepaald dat deze grote goederen verkregen dienen te worden via het sacrament van de verzoening, door de apostelen de macht te geven zonden te vergeven, en door zijn eigen vergeving te verbinden aan de vergeving die zij verlenen (vgl. Joh. 20,22-23). Aldus heeft Christus dit sacrament ingesteld als “de voornaamste weg om vergeving en kwijtschelding te verkrijgen van zware zonde die na het doopsel begaan is” (Hl. Johannes Paulus II, Reconciliatio et Paenitentia, 31).

De zondaar die verzoening met God verlangt, kan zich daarom niet slechts innerlijk bekeren en erkennen dat hij de vergeving van God nodig heeft. Hij moet ook de middelen, beschikbaar binnen de Katholieke Kerk, aanvaarden waarmee Gods genade en vergeving ons in deze tijd van de Kerk geschonken worden. Voor hen die na het Doopsel zwaar gezondigd hebben, zijn er geen twee verschillende wegen om de staat van genade te bereiken: die van het berouw van het hart of die van het sacrament van de Boete. Deze twee wegen maken deel uit van dezelfde werkelijkheid. Oprecht berouw sluit altijd het verlangen in om het boetesacrament te ontvangen. Berouw over de doodzonden dat gepaard gaat met de weigering om deze zonden in dit sacrament aan de priester te belijden, zou inconsequent zijn, want God zelf heeft gewild dat wij dit middel gebruiken om de staat van genade terug te krijgen.

Wat betreft dit verband tussen berouw en biecht heeft het gezag van de Kerk bepaald: “Wie zich bewust is van een zware zonde, mag de Mis niet vieren en niet het Lichaam des Heren ontvangen zonder voorafgaande sacramentele biecht, tenzij er een ernstige reden aanwezig is en de gelegenheid tot biechten ontbreekt; in welk geval hij zich bewust moet zijn van de verplichting een akte van volmaakt berouw te verwekken, die het voornemen insluit zo spoedig mogelijk te biechten” (Wetboek van Canoniek Recht, can. 916).

Volgens het gebod van de Kerk is ‘iedere gelovige, wanneer hij tot de jaren van het verstand gekomen is, verplicht minstens eenmaal per jaar zijn zware zonden oprecht te belijden’” (Catechismus, 1457; citaat uit Wetboek van Canoniek Recht, can. 989).

“Hoewel het niet strikt noodzakelijk is, beveelt de Kerk het toch ten zeerste aan, ook de dagelijkse zonden te belijden. De regelmatige belijdenis van onze dagelijkse zonden helpt ons ook werkelijk ons geweten te vormen, te strijden tegen onze slechte neigingen, ons te laten helen door Christus en voortgang te boeken in het geestelijk leven.” (Catechismus, 1458).

“De veelvuldige en zorgvuldige viering van dit sacrament is ook zeer nuttig als remedie tegen dagelijkse zonden. Dit is geen louter rituele herhaling of psychologische oefening, maar een ernstig streven om de genade van het doopsel te vervolmaken, zodat, terwijl wij het sterven van Jezus Christus in ons lichaam omdragen, zijn leven steeds duidelijker in ons zichtbaar mag worden” (Liturgie van de Boete).

Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 1499-1532.