1. Oorsprong van de Sociale Leer van de Kerk
Christus, die onze Redder is, “wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen” (1 Tim 2,4). De Kerk zet Christus’ verkondiging van het evangelie in de wereld voort, het goede nieuws van de verlossing. “De Kerk, die deelt in de vreugde en de hoop van de mensen, in hun angsten en verdriet, is solidair met elke man en vrouwop elke plaats en in elke tijd, om hun het goede nieuws van het koninkrijk van God te brengen, dat met Jezus Christus is gekomen en onder hen aanwezig blijft.” [1]
Het goede nieuws van de verlossing vraagt om de aanwezigheid van de Kerk in de wereld. De Kerk biedt de sacramenten, de prediking van het Woord van God en een rijke leer die verwijst naar maatschappelijke realiteiten vanwege hun antropologische en ethische repercussies. “De manier waarop mensen samenleven in de maatschappij, bepaalt dikwijls de kwaliteit van leven en daarom ook de condities waarin elke man en vrouw zichzelf begrijpt en beslissingen neemt omtrent zichzelf en hun roeping. Om die reden staat de Kerk niet onverschillig tegenover wat wordt beslist, tot stand komt of ervaren in de maatschappij. Ze let op de morele kwaliteit — dus de authentieke menselijke en humaniserende aspecten — van het sociale leven.” [2]
De verkondiging van de verlossing die Christus brengt, leidt niet tot onthechting van de wereld en de maatschappij, alsof we om authentiek christen te zijn het algemeen welzijn opzij moeten zetten. “De liefde is niet iets abstracts. Ze is een echte en onbeperkte overgave in de dienst aan God en aan alle mensen. (…) De liefde vereist het in praktijk brengen van rechtvaardigheid, gemeenschapszin, verantwoordelijkheid voor gezin en maatschappij, onthechting, vreugde, kuisheid, vriendschap enzovoort.” (H. Jozefmaria, Gesprekken, 62).
Het evangelie is inderdaad een verkondiging van de omvorming van de wereld naar Gods plan. Daarom zijn politiek, economie, werk en cultuur geen onverschillige dimensies voor het christelijk geloof, omdat ze een belangrijke invloed hebben op het leven van de gelovigen van de Kerk. Zo kan een economische organisatie die geen tijd vrijmaakt voor de zorg voor kinderen of die niet voorziet in de nodige financiële middelen om een gezin te onderhouden, een ernstige belemmering vormen voor de ontwikkeling van de eigen roeping in het huwelijk. Als de herders van de Kerk over deze kwesties spreken, is dat niet omdat ze technische oplossingen willen voorstellen, maar omdat ze bezorgd zijn over de impact die ze hebben op het leven van de gelovigen.
Het is de moeite waard om te onthouden dat “de eigen zending, die Christus aan zijn Kerk heeft gegeven, niet van politieke, economische of sociale aard is; want het doel, dat Hij haar gesteld heeft, is van religieuze aard. Maar juist deze godsdienstige zending schenkt haar een taak, een licht en een kracht die hun diensten kunnen bewijzen bij de opbouw en de consolidatie van de menselijke gemeenschap volgens de goddelijke wet.” [3]
De sociale leer van de Kerk maakt deel uit van de sociale moraaltheologie, die voortkomt uit een christelijke opvatting van de mens en het politieke leven. De principes, beoordelingscriteria en richtlijnen van de sociale leer zijn erg breed en laten een groot pluralisme toe: er zijn geen eenduidige oplossingen voor economische of politieke dilemma’s. De leer van de Kerk stelt ook geen sociale oplossingen voor door persoonlijke ethische dilemma’s te overwegen.
De sociale moraal van de Kerk heeft altijd bestaan, omdat de Kerk altijd geïnteresseerd is geweest in de maatschappij waarin zij leeft: “Door middel van haar sociale leer vervult de Kerk haar taak van verkondiging die de Heer aan haar heeft toevertrouwd. Ze brengt de boodschap van Christus van vrijheid en verlossing, het Evangelie van het koninkrijk, aanwezig in de menselijke geschiedenis. In de verkondiging van het Evangelie “getuigt de Kerk, in Christus’ naam, tegenover de mens van zijn eigen waardigheid en van zijn geroepen-zijn tot een gemeenschap van personen; ze houdt hem de eisen voor van rechtvaardigheid en vrede, die overeenstemmen met de goddelijke wijsheid.””[4] In de eerste eeuwen kwam deze belangstelling enerzijds tot uiting in het aanmoedigen van goede werken, in het bijzonder werken van barmhartigheid, en anderzijds in het aan de kaak stellen van onrechtvaardigheden, in het bijzonder onrechtvaardigheden waarvan de oplossing niet in handen lag van degenen die eronder leden.
2. Beginselen van de Sociale Leer van de Kerk
In het algemeen leert de sociale moraal van de Kerk het primaat van de geestelijke en morele goederen boven materiële goederen. De Kerk houdt zich bezig met het algehele welzijn van de mensheid, wat ook materieel welzijn inhoudt, maar haar missie is geestelijk. Daarom houdt het leergezag zich niet bezig met de instrumenten, die meestal politiek of economisch zijn, om de samenleving te organiseren, maar met de bevordering van een sociale moraal die in overeenstemming is met het evangelie. Het is aan gewone christenen om in hun werk en positie in de samenleving manieren te zoeken om dit algemeen welzijn te bereiken. Maar het leergezag reikt de gelovigen principes van handelen aan en laat de technische keuze van de middelen meestal over aan de verantwoordelijkheid van degenen die de verschillende gebieden van maatschappelijk werk leiden. De geloofsverkondiging van het
Leergezag met betrekking tot sociale kwesties doorloopt verschillende stadia. Ten eerste beperkt de sociale leer van de Kerk zich niet tot het bieden van een begrip van sociale werkelijkheden: cultuur, politiek, economie, onderwijs, enz. Het leidt er ook toe dat ze gevormd worden in overeenstemming met de waarheid van God en van zijn schepping, waarvoor de mens zorg draagt en waarin hij een centrale rol vervult.
Ten tweede hebben deze theoretische leringen en hun praktische gevolgen geleid tot morele principes die van blijvende waarde zijn voor het fundament van de samenleving: “De principes van de sociale leer vormen in hun geheel de eerste uitdrukking van de waarheid omtrent de maatschappij, waardoor elk geweten wordt uitgedaagd en uitgenodigd om, in vrijheid en in volledige medeverantwoordelijkheid met alle mensen en ten opzichte van alle mensen zonder onderscheid, om te gaan met elk ander geweten.”[5] Deze principes zijn de waardigheid van de persoon, het algemeen welzijn, solidariteit en subsidiariteit.
a) Waardigheid van de persoon
Het principe dat verwijst naar de waardigheid van de persoon staat centraal in de sociale leer van de Kerk. Het betekent weten en respecteren dat de persoon openstaat voor God, omdat hij met zijn verstand en wil over een vrijheid beschikt die hem boven alle andere schepselen plaatst. Aan de andere kant mag de menselijke persoon niet worden gebruikt als middel om sociale doelen te bereiken, bijvoorbeeld door misbruik te maken van werknemers of burgers te misleiden. Bovendien benadrukt het dat elk persoon uniek en onherhaalbaar is, zodat het niet mogelijk is om bepaalde personen of hun fundamentele rechten te schenden om sociale doelen na te streven, hoe dringend deze ook lijken. Dit principe wordt verder ontwikkeld in de andere drie principes, die het in zekere zin specificeren.
b) Het algemeen welzijn
Het algemeen welzijn is “het geheel van voorwaarden van sociaal leven, die zowel de groepen als de individuen in staat stellen, hun eigen vervolmaking vollediger en gemakkelijker te verwezenlijken.”[6] Het algemeen welzijn bestaat niet uit een verzameling materiële goederen die onder de leden van de samenleving worden verdeeld, maar uit de voorwaarden die persoonlijke ontplooiing mogelijk maken en die niemand zich exclusief kan toe-eigenen — voorwaarden die door gezamenlijke inspanning tot stand komen en waarvan iedereen profiteert. Er kunnen verschillende beelden worden gebruikt om het algemeen belang beter te begrijpen, maar vaak wordt het gezien als een groot orkest. In een orkest draagt de perfectie van elke muzikant bij aan de kwaliteit van de muziek die door het hele orkest wordt geproduceerd, maar tegelijkertijd leidt de professionele aard van het orkest ertoe dat elke muzikant het beste van zichzelf moet geven. Het algemeen welzijn betreft het totaal van sociale voorwaarden, waardoor zowel groepen als individuen hun eigen volmaaktheid vollediger en sneller kunnen bereiken. De Catechismus van de Katholieke Kerk (1907-1909) leert dat het algemeen welzijn drie essentiële elementen omvat: respect voor de fundamentele rechten van de mens (leven, vrijheid, privé-eigendom, enz.), sociaal welzijn en ontwikkelingsmogelijkheden (toegang tot voedsel, kleding, gezondheid, werk, onderwijs en cultuur, enz.) en vrede, die het resultaat is van een rechtvaardige sociale orde. Paus Benedictus XVI definieert het als volgt. “Naast het individuele welzijn is er het welzijn dat verbonden is met de mensen in de samenleving: het algemeen welzijn. Dat is het welzijn van “wij allemaal”, opgebouwd uit individuen, gezinnen en kleinere groepen, die zich verenigen tot een sociale gemeenschap. Het is geen welzijn dat voor zichzelf wordt gezocht, maar voor de mensen die behoren tot de sociale gemeenschap en alleen daarin werkelijk en effectief hun welzijn kunnen vinden. Het algemeen welzijn wensen en zich daarvoor inzettenis een vereiste van gerechtigheid en liefde” (Caritas in Veritate, 7).
Hoewel het algemeen welzijn niet direct verwijst naar materiële zaken, leert de Kerk ook dat de goederen van de aarde door God geschapen zijn ten bate van iedereen. “Hier kom ik weer terug op het eerste beginsel van de hele sociaal-ethische orde, het beginsel van het gemeenschappelijk gebruik van de goederen.”[7] De universele bestemming van goederen wordt het meest effectief bereikt wanneer privé-eigendom wordt gerespecteerd, want wat van iedereen is, is van niemand en wordt uiteindelijk verwaarloosd. Als iemand geen eigen bezit kan bezitten verliest hij bovendien de interesse in zijn activiteit en geeft hij uiteindelijk zijn werk op, waardoor veel vormen van armoede ontstaan. Privé-eigendom is in elk geval geen absoluut beginsel, omdat het gebruikt moet worden met de verantwoordelijkheid die we allemaal hebben voor het welzijn van anderen (solidariteit) en omdat het algemeen welzijn in sommige uitzonderlijke gevallen kan vereisen dat het gebruik van het eigen bezit wordt toegestaan aan mensen in nood: een humanitaire crisis, een oorlog, enz. En in deze gevallen kunnen de armen en meest kwetsbaren niet wachten. Maar buiten zulke uitzonderlijke omstandigheden is respect voor privébezit de meest effectieve en humane manier om de universele bestemming van goederen te bereiken.
c) Subsidiariteit
In de definitie van het subsidiariteitsbeginsel benadrukt de Kerk dat “een maatschappelijke organisatie op een hoger bestuurlijk of institutioneel niveau zich niet moet mengen in het leven binnen een maatschappelijk organisatie op lager niveau en dit niet van haar autonomie mag beroven. Het moet dit veeleer steunen in geval van noodzaak en helpen om zijn actie te coördineren met die van de andere maatschappelijke verbanden met het oog op het algemeen welzijn.”[8]
Het subsidiariteitsbeginsel vereist dat de christelijke gelovigen hun rechten uitoefenen en hun plichten nakomen, zodat sociale instellingen hun beoogde rol kunnen vervullen. Dit krijgt onder andere gestalte in de noodzaak voor de gelovigen van de Kerk om deel te nemen aan het openbare leven. Want zonder een dergelijke deelname zou het erg moeilijk zijn om de menselijke en vaak christelijke redenen duidelijk te maken waarom sociale instellingen werden gecreëerd, tenminste in het Westen.
d) Solidariteit
Solidariteit is een term die verwijst naar een concept uit het Romeinse recht. Als een groep mensen die geen familie waren een onderneming wilden beginnen, konden ze een contract “in solidum” opstellen. Door deze rechtsfiguur was elk van de contracterende partijen verplicht om, in geval van nood, de totale schuld van de hele groep te betalen. De wet garandeerde dus dat wie het geld uitleende, het kon terugvorderen van een specifieke persoon of familie. Solidariteit verwijst naar deze manier van het begrijpen van de eigen verantwoordelijkheid voor de hele groep, nu gezien als de burgermaatschappij. Daarom wordt het gedefinieerd als “het vaste of volhardende besluit om zich in te zetten voor het algemeen welzijn, ofwel voor het welzijn van allen en van ieder, omdat wij werkelijk allen verantwoordelijk zijn voor allen.”[9] Dankzij het geloof heeft de christen een hogere motivatie om solidair te leven, omdat hij of zij weet dat we allemaal kinderen van dezelfde Vader zijn en probeert het voorbeeld van Christus’ medelijden voor alle mensen te volgen.
Een belangrijke uiting van solidariteit is het volbrengen van je taken en het nakomen van je verplichtingen. Wat betreft solidariteit is de primaire taak van een ondernemer bijvoorbeeld het creëren van banen waar mensen eerlijk en verantwoord hun brood mee kunnen verdienen en hun gezin kunnen onderhouden. Daarnaast kunnen mensen die, net als ondernemers, meer talenten hebben om bij te dragen aan het algemeen welzijn, zich toeleggen op projecten van hulpverlening. Maar het is belangrijk om te onthouden dat solidariteit niet alleen “welvaartsondersteuning” is. Het moet veeleer streven naar authentieke menselijke ontwikkeling, die vooral plaatsvindt wanneer ieder mens zijn of haar talenten ten dienste van anderen mag stellen. Daarom leert de Kerk dat “het ondernemerschap inderdaad een edele roeping is, gericht op het produceren van welvaart en op het verbeteren van de wereld voor iedereen.”[10]
Solidariteit is niet hetzelfde als rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid roept op tot het respecteren en geven aan anderen van wat “van hen” is, terwijl solidariteit leidt tot het geven aan anderen van wat van ons is, gedreven door het belang dat we hebben bij het welzijn van anderen, dat net zo belangrijk is als dat van onszelf. “De liefde overstijgt de gerechtigheid, want liefhebben is geven, de ander geven van datgene wat “van mij” is; maar het ontbreekt de liefde nooit aan gerechtigheid, die mij ertoe brengt de ander te geven wat “van hem” is, wat hem op grond van zijn bestaan en zijn werken toekomt” (Caritas in Veritate, 6).
3. Manieren om invloed uit te oefenen in de samenleving
De eerste manier om, vanuit de beginselen van de sociale leer van de Kerk, invloed uit te oefenen op de maatschappij, is door deze leer te verspreiden.
Voor een thematische studie is het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk van bijzonder belang. “Aan de leken die hun werk doen te midden van structuren en de veranderingen, die behoren bij het leven in de wereld, komt op specifieke wijze de onmiddellijke en rechtstreekse taak toe de tijdelijke realiteiten in het licht van de door het leergezag gegeven dogmatische principes te ordenen. Daarbij moeten ze echter wel bij de concrete beslissingen waarvoor ze in hun gezinssituatie en in het maatschappelijke, politieke en culturele leven geplaatst worden, met de nodige persoonlijke autonomie handelen” (H. Jozefmaria, Gesprekken, 11).
Een tweede aspect is het benadrukken van de manieren waarop deze leringen in de praktijk kunnen worden toegepast. Ondernemers spelen een sleutelrol in het concreet maken van de sociale leer van de Kerk binnen het dagelijks maatschappelijk leven. Het creëren van banen met een rechtvaardig en passend salaris is bijvoorbeeld een van de grootste sociale goederen die kunnen worden gegenereerd. In elk geval zijn goed uitgevoerd werk en het leveren van kwaliteitsgoederen en -diensten al een zeer effectieve manier om bij te dragen aan het algemeen welzijn van de maatschappij. “Werk, ieder werk, getuigt van de waardigheid van de mens en van zijn heerschappij over de schepping. Dat terrein biedt gelegenheid onze persoonlijkheid te ontwikkelen. Het werk schept een band met andere mensen, het is een inkomstenbron voor het gezin, het is een middel om bij te dragen aan de verbetering van de maatschappij waarin we leven en aan de vooruitgang van de hele mensheid” (H. Jozefmaria, Christus komt langs, 47).
Een derde manier om de maatschappij te beïnvloeden is op een meer uitgesproken professionele of academische manier. Vaak zal het nodig zijn om nieuwe problemen aan te pakken die zich in het verleden niet hebben voorgedaan. Gelovigen die deskundig zijn op diverse maatschappelijke domeinen — zoals economie, politiek, media en onderwijs — worden geroepen om oplossingen te zoeken die in overeenstemming zijn met de sociale leer van de Kerk. De documenten die deel uitmaken van het sociale leergezag zijn veelomvattend en bieden ruimte voor een groot pluralisme, niet alleen wat betreft opvattingen, maar ook wat betreft technische uitwerkingen om het pad van ontwikkeling in te slaan. Het respect dat we hebben voor verschillende meningen sluit niet uit dat we mensen uitnodigen om te overwegen “meer voor anderen te doen”, zonder hun eigen baan of verantwoordelijkheden als voorwendsel te gebruiken om zich aan deze uitdaging te onttrekken.
Basisbibliografie
Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk.
[1] Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 60.
[2] Ibid, 62.
[3] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 42.
[4] Compendium van de Sociale Leer, 63.
[5] Compendium van de Sociale Leer, 163.
[6] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 26.
[7] Johannes Paulus II, Laborem Excercens, 19;
[8] Johannes Paulus II, Centessimus Annus, 48; vgl. Pius XI, Quadragesimo Anno, 80.
[9] Johannes Paulus II, Sollicitudo Rei Socialis, 38.
[10] Paus Franciscus, Fratelli Tutti, 123.
