Strijd, nabijheid, missie (18): "Weest niet bevreesd, kleine kudde": evangeliseren in een tijd van verandering (I)

Het is tijd om onze blik te verruimen: om de stap te zetten van nostalgie naar durf, van een defensief geloof naar een geloof dat vol vertrouwen een visie op de wereld en het leven voorstelt. Deel 18 van de reeks “Strijd, nabijheid en missie”.

Een groep verkenners, gehard door jaren verblijf in de woestijn, trekt door onbekend gebied. Ze doorkruisen weelderige heuvels en valleien; ze vinden druiventrossen die alleen met twee tegelijk te dragen zijn en vijgen die elke koopman op een oosterse markt zouden verbazen (vgl. Num. 13,17-24). Ze zijn enthousiast, bijna euforisch: eindelijk zien ze het langverwachte land — het groen, het leven, de overvloedige vruchten. Hun hart vult zich met verwondering; hun hoop krijgt vorm, wordt tastbaar. Met hun vingertoppen raken ze een wereld aan die alles lijkt te bieden waar ze jarenlang naar hebben verlangd. Maar naast die belofte steekt ook angst de kop op: dit land moet veroverd worden. Er hangt een sfeer van dreiging in de lucht.

Verkenners in een wereld van reuzen

In de verte doemen versterkte steden op. Dichterbij ontmoeten de verkenners bewoners die zo groot zijn als eiken — echte reuzen! Sommigen vergeten de kracht van God en zaaien onrust en pessimisme. Plots begint het volk het manna van de woestijn te missen… Hun enthousiasme verdampt als dauw in de ochtendzon. De sfeer wordt gespannen tussen hen die alles willen achterlaten en willen terugkeren naar Egypte, en hen bij wie nog steeds een twinkeling van vertrouwen te zien is, een vuur van veroveringsdrang — een handvol ‘dwazen’, eerlijk gezegd. Het land is prachtig, ja, maar de onderneming lijkt in alle opzichten bovenmenselijk. Ze beseffen dat ze de taak niet aankunnen; zekerheden die ze vanzelfsprekend achtten, beginnen te wankelen (vgl. Num. 13,27–14,4). Hun hart is verdeeld tussen vertrouwen en de verleiding om te vluchten, tussen verlangen naar avontuur en angst om vernietigd te worden. De keuze is duidelijk: ofwel contact maken, ofwel zich voor altijd in de woestijn verschansen.

Het volk blijft decennialang gevangen in die keuze. Wat hen in wezen verlamt, is hun gebrek aan vertrouwen in God. In hun oren klinkt nog steeds dat deel van het verslag van de verkenners: “Wij hebben er de reuzen gezien – de Enakieten behoren tot de reuzen –. Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten zij ons ook hebben aangezien.” (Num. 13,33). Verlamd door angst voor een nieuwe uitdaging, zullen bijna allen oud worden. Slechts twee ‘dwazen’ — Kaleb uit Juda en Jozua uit Efraïm — zullen de tijd trotseren. Ze zijn niet de grootsten of de moedigsten, maar ze weten dat de overwinning niet afhangt van menselijke kracht of de weerstand van hun wapens, maar van de levende God die in hun midden wandelt.

Veertig jaar later, na een lange periode van zuivering van die wankelende hoop, staat het volk opnieuw aan de poorten van het beloofde land. Kaleb en Jozua — de leider die op God had vertrouwd en die dit vernieuwde volk over de Jordaan zal leiden — zijn er nog steeds. Ze worden gedragen door de woorden die de Heer via Mozes sprak: “Kies dan het leven” (Deut. 30:19). God zegt tegen hen, en tegen ieder van ons: “Zie, Ik heb jullie geschapen om te leven, om werkelijk gelukkig te zijn... Kies je voor Mij? Kies je voor het Leven? Dat is precies wat de “kleintjes” hebben ontdekt en wat zij gekozen hebben. Zij begrijpen dat het diepe, oneindige verlangen naar leven dat in hen brandt, zijn oorsprong én bestemming in God vindt. En zij verlangen niets anders. Ze weten dat om waarlijk te triomferen in het leven, om het volle Leven te bereiken, het nodig is zich te laten overspoelen door Gods liefde—en die liefde vervolgens met open handen uit te delen.”.[1]

Maar één fundamenteel aspect ontgaat de Israëlieten die zich rond Jozua verzamelen nog steeds. Ze missen de sleutel om deze intocht in het beloofde land correct te interpreteren. Verstrikt in hun eigen geschiedenis van ballingschap en bevrijding kunnen ze de diepere betekenis ervan niet vatten. Ze begrijpen hun rol in de grote heilsgeschiedenis nog niet. Hun blik is gericht op verovering en confrontatie: ze dromen van een verpletterende overwinning, een triomf die in het hele boek Jozua bezongen wordt. Het gaat om strijd en overwinning, om het inzetten van hun eigen — relatief bescheiden — kracht en cultuur tegenover die van de volken die voor hen staan. Het draait om militaire en culturele verovering, met de beschikbare wapens.

In werkelijkheid zal het volk dat met Jozua het land binnentrekt zich slechts moeizaam een weg tussen die volken kunnen banen. Hoewel het trouw blijft aan zijn wortels, zal het ook leren relaties aan te knopen met de andere volken. En langzaam begint het te begrijpen dat zijn roeping onder de volkeren niet is om te heersen. De sleutel tot die interpretatie zal de Heer via de profeten geven: “Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken der aarde.” (Jes. 49,6). Ze waren geroepen om te verlichten! Daarom deed het er weinig toe hoe groot hun aantal was, hoe onderscheiden ze waren of welke culturele bagage ze hadden. Het zou geen probleem zijn om vreemde volken of reuzen tegemoet te treden. Het licht dat zij zouden brengen, was dat van de God die onder hen wilde wonen als “Vredevorst” (Jes. 9,5). Zij zouden de volkeren verlichten met de vrede die de wereld niet kan geven (vgl. Lc 10,5–6; Joh. 14,27): “de vrede van de Verrezen Christus, een vrede ontwapend en een ontwapenende vrede, bescheiden en volhardend.”[2]

Contact zoeken

Een “moderne apostel”[3] kan zich soms voelen als een van die kleine verkenners in een wereld van reuzen: verkenners die de ark van het verbond — die alle volkeren moet verlichten — naar het hart van de wereld willen brengen. “Kinderen van het licht, broeders van het licht: dat is wat we zijn. Dragers van de ene vlam die in staat is de aardse wereld van de zielen te verlichten, van het enige licht dat nooit enige duisternis, noch schemering noch schaduw kan kennen.[4]

Net als het volk dat Jozua vergezelde, verlangen wij naar het vertrouwen om de woestijn achter ons te laten en een land binnen te gaan dat we delen met heel verschillende mensen. Want alleen door die onderdompeling kunnen we een licht worden voor de volkeren. Om dat te bereiken moeten we echter eerst de grote stap zetten die het volk in de woestijn niet durfde te zetten: we moeten besluiten om contact te zoeken. Wij — het uitverkoren volk, maar ons tegelijk bewust van onze kleinheid en beperktheid — en de anderen: de ware reden om wie de Heer ons heeft uitverkoren. Mensen die soms reuzen lijken, die de indruk kunnen wekken zo anders te zijn, maar die in wezen net zo zijn als wij. Sommigen van hen kennen de levende en ware God nog niet, of hebben een misvormd beeld van Hem; anderen leiden ondanks uiterlijke welvaart een behoorlijk moeilijk bestaan. En zij hebben ons nodig.

Hoe dan ook, “het is niet waar dat de mensen van onze tijd — de mensen in het algemeen of zelfs massaal — ontoegankelijk of onverschillig zouden zijn voor alles wat het christelijk geloof leert over de bestemming en het wezen van de mens. Het is niet waar dat de mensen van onze tijd alleen aan dingen van de wereld denken en de hemel vergeten. Hoewel het niet ontbreekt aan ideologieën die zich in zichzelf opsluiten en aan mensen die deze steunen, kent ook onze tijd karakterloosheid en grote idealen, lafheid en heldhaftigheid, desillusies en grote aspiraties. Er zijn mensen die dromen van een nieuwe wereld die rechtvaardiger en menselijker is, terwijl anderen, die misschien teleurgesteld zijn door het vastlopen van hun eerdere idealen, hun toevlucht zoeken in een egoïstische rust of blijven vasthouden aan de dwaling.[5]

Hoe kunnen we hen tegemoet treden? Hoe kunnen we ervoor kiezen niet alleen contact te zoeken, maar ook in voortdurende dialoog te blijven met de vele mensen die we op ons levenspad ontmoeten? In veel delen van de wereld is het duidelijk dat wij christenen opnieuw een ‘kleine kudde’ (Lc. 12,32) zijn geworden, zoals onze eerste geloofsgenoten. Natuurlijk lezen we af en toe met vreugde bemoedigend nieuws: het groeiende aantal volwassendoopsels in sommige landen, de toename van priesterroepingen op andere continenten, of de vele jongeren die met de paus het jubileum vieren. Dat verheugt ons, maar neemt niet weg dat we op veel plaatsen een minderheid vormen, soms overstemd door een cultuur die het christelijk geloof vaak niet begrijpt. De generaties veranderen en het doorgeven van het geloof wordt lastiger. We begrijpen de verslagenheid van vele vaders en moeders die, ondanks hun inspanningen, er niet in geslaagd zijn hun kinderen het christelijke leven door te geven. Ze hebben vaak gedaan wat hun eigen ouders deden, maar deze keer werkte de overdracht niet. Er is iets misgegaan. Een van de onderliggende oorzaken is dat de context radicaal is veranderd en iets anders vraagt.

Benedictus XVI verwoordde het zo: “Terwijl het in het verleden mogelijk was een homogeen cultureel stramien te herkennen dat in brede kringen werd aanvaard in zijn verwijzen naar de geloofsinhoud en de daardoor geïnspireerde waarden, blijkt dat vandaag in grote delen van de maatschappij niet meer zo te zijn vanwege een diepe geloofscrisis die zich van vele personen heeft meester gemaakt.”[6] Al jaren geleden had de eerbiedwaardige Fulton Sheen dit met grote helderheid aangekondigd voor een verbaasd publiek: “We staan aan het einde van de christenheid. Niet van het christendom, niet van de Kerk, maar van de christenheid. Maar wat verstaan we onder christenheid? Christenheid is het economische, politieke en sociale leven dat geïnspireerd is door christelijke principes. Dit loopt ten einde; we hebben het zien sterven.” Hij voegde er echter aan toe: “Dit zijn grote en prachtige dagen om te leven (…). Dit is geen somber beeld; het is eenvoudig een momentopname van de Kerk te midden van een groeiende oppositie van de wereld. Leef daarom uw leven in het volle bewustzijn van deze beproeving en steun op het hart van Christus.”[7]

Een geloof dat duizend manieren zoekt om zich bekend te maken

En dan? Dan is het tijd om onze blik te verruimen: om van nostalgie over te stappen naar durf, van een defensief geloof naar een geloof dat met vertrouwen een visie op de wereld en het leven voorlegt. In deze veelbelovende wereld — die tegelijk bevolkt lijkt door reuzen op technologisch, financieel, cultureel en mediagebied — worden we uitgenodigd om op God te vertrouwen en een keuze te maken. We kunnen met weemoed de ‘goede oude tijd’ idealiseren: vanuit het heden lijkt het soms alsof vroeger alles eenvoudiger was. Maar dat was niet altijd zo, en zeker niet overal. Bovendien verlamt die nostalgische blik de apostel: hij kijkt bezorgd naar deze postchristelijke wereld en wacht af tot zij vanzelf verbetert. Vertrouwen in God daarentegen doet ons vooruit kijken, en met jeugdige verwondering een wereld tegemoet treden die in veel opzichten niet zozeer post- als wel prechristelijk is — een wereld die opnieuw de nieuwheid van Christus moet ontdekken.

“Wie rijst daar op als de dageraad, schoon als de maan, stralend als de zon en geducht als een leger in slagorde?” (Hooglied 6,10). In zijn uitleg van deze bijbelpassage beschrijft paus Gregorius de Grote de Kerk als de ware dageraad van de wereld: een dageraad die nog onderweg is tot aan het einde der tijden. De nieuwe dag ligt niet achter ons, maar vóór ons. “Wij die in dit leven de waarheid volgen, zijn als de dageraad of zonsopgang, omdat we deels al volgens het licht handelen, maar deels ook nog resten van duisternis in ons hebben (...). De heilige Kerk van de uitverkorenen zal volkomen dag zijn wanneer er geen enkele schaduw van de zonde meer op haar valt.”[8]

Deze visie — die niet louter een mooi standpunt is — geeft ons hoop en stelt ons in staat de uitdaging aan te gaan die de heilige Johannes Paulus II ons voorhield toen hij sprak over een nieuwe evangelisatie:[9] een hernieuwde apostolische inzet die steeds meer initiatief en persoonlijke creativiteit vraagt. Het is waar dat de Kerk vandaag niet langer kan rekenen op de gunstige wind van de omringende cultuur, de ‘geest van deze tijd’. Maar zij beschikt nog steeds over een krachtiger wind: de Geest van de waarheid, die ons ook in dit nieuwe apostolische tijdperk alles zal leren en ons aan alles zal herinneren (vgl. Joh. 14,26), zodat we overal de vernieuwende levenskracht van het Evangelie kunnen brengen.

Vandaag ervaren we opnieuw aan den lijve — in onze kwetsbaarheid, zowel numeriek als persoonlijk — wat de heilige Paulus bedoelde toen hij schreef: “Wij dragen deze schat in aarden potten” (2 Kor. 4,7). Misschien nodigt God ons juist in deze beproevende tijd uit tot een meer missionaire, creatieve en persoonlijke houding, zoals die van de apostelen en de eerste leerlingen: een geloof dat zich niet beperkt tot zelfverdediging, maar duizend manieren zoekt om zich kenbaar te maken. “Gedreven door de kracht van de hoop (…) de wereld met een vreugdevol perspectief herontdekken, omdat die mooi en zuiver uit Gods handen is voortgekomen. Wij zullen Hem haar even mooi teruggeven.”[10]

* * *

“Weest niet bevreesd, kleine kudde: het heeft Uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.” (Lc 12,32). Zo bemoedigde Jezus de kleine, soms verwarde en twijfelende groep leerlingen om Hem heen. En vandaag richt Hij diezelfde woorden tot ons. Wanneer het geloof levendig is, werkt het aanstekelijk — en juist die levendigheid maakt het duurzaam. De eerste christenen hadden geen macht, geen structuren, geen grote aantallen. Maar één voor één, met het vuur van Christus in hun hart[11], raakten zij de harten van velen. Ook wij, christenen van vandaag, worden geroepen om opnieuw de parabel waar te maken dat Jezus gaf en dat de Kerk van de eerste generaties zo treffend beschrijft: het zuurdeeg is klein, maar het laat het hele deeg rijzen (vgl. Mt. 13,33).


[1] “Strijd, nabijheid, missie (1): Kies het Leven”, opusdei.org

[2] Eerste boodschap van Paus Leo XIV, 8-05-2025.

[3] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 335

[4] Heilige Jozefmaria, Brief 6, nr. 3.

[5] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 132. Vgl. ook F. Ocáriz, Pastorale brief, 14-02-2017, nr. 1.

[6] Paus Benedictus XVI, Apostolische Brief Porta fidei, nr. 2

[7] Geciteerd in De la cristiandad a la misión apostólica, Universidad de Mary, Rialp, Madrid, 2025, p. 30.

[8] Heilige Gregorius Magnus, Tratados morales sobre Job 29,2-4 (PL 76, 478-480).

[9] De heilige Johannes Paulus II gebruikte deze uitdrukking voor het eerst in een preek in Polen op 9 juni 1979, en hernam ze op een meer programmatische manier in Haïti op 9 maart 1983; bij die gelegenheid sprak hij over “een nieuwe evangelisatie. Nieuw in haar ijver, in haar methoden, in haar uitdrukking”. Zie ook de apostolische exhortatie Christifideles laici (1988), nrs. 34-35, de encycliek Redemptoris Missio (1990) nrs. 33-34 en de apostolische brief Novo millennio ineunte (2001) nr. 40.

[10] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 219

[11] Vgl. heilige Jozefmaria. De Weg, nr. 1.

Lorenzo De Vittori