“Een verenigde Kerk, teken van eenheid en gemeenschap, die een gist moge worden voor een verzoende wereld.” Met deze woorden verwoordde paus Leo XIV tijdens de Mis ter gelegenheid van het begin van zijn petrusambt een wens die in vele opzichten de koers van zijn pontificaat kenmerkt.
Acht maanden later hebben we gezien hoe hij de Heilige Deur sloot en het Jubileum van de Hoop beëindigde. In die tussenliggende periode werd duidelijk wat eenheid werkelijk is: geen abstract begrip, maar een wezenlijk kenmerk van de Kerk, de samenleving en de mens zelf; en daarmee datgene wat de deur van de hoop openhoudt.
Dit artikel geeft een samenvatting van een les van Mgr. Fernando Ocáriz, de prelaat van het Opus Dei, in gesprek met theologie- en filosofiestudenten uit verschillende landen die in Rome wonen. Aan de hand van vragen – die voortkomen uit hun eigen ervaringen – ontstaat er een concrete beschouwing over de eenheid als een ontvangen gave, een gezamenlijke taak en – om een uitdrukking van de heilige Jozefmaria te gebruiken – als een allesoverheersende passie.
Hieronder volgt eerst de introductie tot de les, gevolgd door een vraag- en antwoordronde.
Introductie door de Prelaat, Mgr. Fernando Ocáriz
De eenheid van het Werk is in feite een weerspiegeling van de eenheid van de Kerk. De heilige Jozefmaria heeft er vaak op gewezen dat het Werk een klein deel – een “deeltje” – van de Kerk is. Hieruit volgt dat de elementen die de eenheid van het Werk vormen, in wezen dezelfde zijn als die welke de eenheid van de Kerk vormgeven.
De eenheid is een van de fundamentele kenmerken van de Kerk, naast de katholiciteit, de heiligheid en de apostoliciteit. Ze is bovendien in het Evangelie een van de meest expliciet uitgedrukte kenmerken, wanneer de Heer zelf, sprekend over zijn leerlingen, bidt: “Opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij bent en Ik in U” (Joh 17,21). Dit gebed biedt ons een zeer betekenisvolle sleutel tot het begrijpen van de christelijke eenheid.
![The unity of the Work is, fundamentally, a participation in the unity of the Church. [...] The Work has a particular spirituality and, insofar as we all participate in that spirit, it gives us a profound unity.](http://images.opusdei.net/?url=https://s3-eu-west-1.amazonaws.com/images-opus-dei/editor/2026/1/EN%20120260123152014510443.jpg&w=600&output=jpg&il&bg=white)
Want de ultieme basis van de eenheid van de Kerk – en dus ook van de eenheid van de leerlingen van Jezus Christus – is een deelname aan de eenheid van God zelf. Wij zien deze – in de mate waarin wij het mysterie van de Drie-eenheid enigszins kunnen doorgronden – op bijzondere wijze in de Heilige Geest, want wat verenigt is de liefde, en de Heilige Geest is de liefde.
Daarom krijgen ook de meer menselijke aspecten van de eenheid van de Kerk – en van het Werk – hun werkelijke waarde wanneer ze doordrongen zijn van de liefde voor onze naaste. Het gaat er niet om ze louter als organisatorische elementen te zien, hoewel ze dat ook zijn, maar om te erkennen dat hun diepste waarde ligt in het feit dat ze een uitdrukking zijn van de liefde die ons verenigt.
Vanuit dit perspectief kan de eenheid van het Werk, als onderdeel van de Kerk, worden bekeken vanuit drie invalshoeken, volgens een onderscheid dat de toenmalige professor Joseph Ratzinger ooit heeft gemaakt toen hij over de Kerk sprak: wat van de Kerk te zien is, wat zij inhoudelijk is en wat zij in haar handelen is.
Ten eerste is de Kerk zichtbaar. Wat betekent dit? Dat zij een volk is, een gemeenschap van mensen, met een bijzonder kenmerk: zij is een volk dat uit vele volkeren bestaat. De eerste brief van Petrus verwoordt dit in een zeer veelzeggende formulering door over de Kerk te spreken als populus adquisitionis (1 Pe 2,9), een volk dat God zich heeft verworven.
Sinds Pinksteren vormt de universele Kerk één gemeenschap: zij is de zichtbare werkelijkheid van een zichtbaar volk, dat in het begin klein was, maar vanaf het begin geroepen was tot universaliteit. En wat dit volk, dat menselijk gezien bestaat uit zulke uiteenlopende volkeren, een zichtbare eenheid geeft, zijn hoofdzakelijk drie elementen: de gemeenschappelijke geloofsbelijdenis, het sacramentele leven en het feit dat er een gemeenschappelijk hoofd is, de Paus. Eén en hetzelfde geloof dat naar buiten toe wordt beleden, één en hetzelfde sacramentele leven – met zijn verschillende riten en liturgieën – en één en hetzelfde principe van universeel bestuur, zijn de zichtbare elementen die de eenheid van zulke uiteenlopende volkeren en culturen mogelijk maken.
Het andere aspect van de Kerk dat Ratzinger bespreekt, gaat over wat de Kerk essentieel is. Hier raken we de kern van het mysterie. De Kerk is het Lichaam van Christus. De heilige Jozefmaria heeft dit altijd met klem benadrukt, door te zeggen dat de Kerk Christus is die onder ons aanwezig is (hl. Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 106).
Dit is de diepste werkelijkheid van de Kerk, die zin en kracht geeft aan al het zichtbare. Het gaat er niet alleen om dat Christus aanwezig is door van binnenuit kracht te geven, maar ook dat de Kerk als geheel werkelijk één Lichaam is. Het Mystieke Lichaam is geen metafoor: het is een geestelijke werkelijkheid, een ware eenheid van alle ledematen met Jezus Christus. Dat is wat de Kerk in wezen is.
In dit verband heeft Joseph Ratzinger een heel bekende en beknopte definitie gegeven: de Kerk is het volk dat leeft van het Lichaam van Christus – hij doelt hiermee op de Eucharistie –; zij leeft van het Lichaam van Christus en wordt zelf het Lichaam van Christus door de viering van de Eucharistie. Zij leeft van het Lichaam van Christus in de Eucharistie en ze wordt het Lichaam van Christus in de Eucharistie.
Laten we nu kijken naar de derde dimensie van waaruit we de eenheid van de Kerk kunnen beschouwen. Terwijl de eerste dimensie erop wees dat de Kerk op zichtbare wijze een volk is dat uit personen bestaat, en de tweede dat zij in haar diepste wezen het Lichaam van Christus is, geeft de derde aan dat de Kerk, in haar handelen in de wereld, het universele sacrament van verlossing is (vgl. Lumen Gentium). Met andere woorden, de heiligende kracht van de Kerk komt tot uiting in de verkondiging van het Evangelie en in de sacramenten, met name door mensen naar de biecht en de Eucharistie te brengen en bijgevolg hun apostolische ijver op te wekken.
De eenheid van de Kerk – en daarbinnen de eenheid van het Werk – is uiteindelijk een gave van God. Ze is ten diepste bovennatuurlijk, ook al komt ze tot uiting in menselijke en organisatorische vormen. En het is een gave die aan iedereen wordt geschonken; juist daarom is het ook ieders verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen.
Vragen
- Eenheid als persoonlijk geschenk
- Instrument zijn van eenheid in een cultureel verscheiden wereld
- Wonden genezen en vertrouwen herstellen
- Innerlijke eenheid beleven in omstandigheden waar duidelijke aanknopingspunten ontbreken.
- Collegialiteit als rijkdom
- Vrijheid als expressie en zorg voor eenheid
Als de eenheid een geschenk is dat de hele Kerk toebehoort, wat zorgt er dan in de geest van het Opus Dei voor dat deze eenheid als een van zijn overheersende hartstochten wordt beleefd en verzorgd?
De eenheid die binnen het Werk wordt beleefd, is in wezen dezelfde eenheid als die van de Kerk, net als in elke andere kerkelijke gemeenschap. Maar uiteraard zijn er binnen het Werk aspecten die eigen zijn aan de geest van het Werk en die zijn manier van zijn bepalen.
Het essentiële punt is de eenheid van geest. Het Werk heeft een bepaalde geest en in de mate waarin we daar allemaal deel aan hebben ontstaat er een diepe eenheid. Het gaat niet om gelijkvormigheid, maar om een gemeenschappelijke manier van denken en leven volgens die geest, met een grote vrijheid in alles wat voor discussie vatbaar is. De heilige Jozefmaria sprak over een kleine gemeenschappelijke noemer – de geest van het Opus Dei – met een heel grote teller. Die gemeenschappelijke noemer zorgt voor de eenheid.
Die geest “is zo oud als het Evangelie en zo nieuw als het Evangelie” (hl. Jozefmaria, Brieven (II), Brief 6, nr. 31). Men moet dus niet denken dat er in het Werk iets is dat totaal verschilt van wat de Kerk kenmerkt. Het gaat veeleer om een specifieke manier om de realiteit te beleven die tot de essentie zelf van het christendom behoort.
Wat zijn deze aspecten? Als we stilstaan bij enkele kernpunten van de geest van het Werk, kunnen we beginnen bij het middelpunt en de wortel van het geestelijk leven: de Eucharistie. Zij is het centrum van de hele Kerk, maar in het Werk wordt zij beleefd met een zeer duidelijk bewustzijn van haar betekenis en met een essentiële behoefte aan dagelijkse trouw: deelnemen aan de Heilige Mis, eucharistische zielen zijn, er zelfs voor zorgen – zoals de heilige Jozefmaria zegt – dat “al onze gedachten en verlangens/ons hoofd en hart” (hl. Jozefmaria, De Smidse, nr. 835 en vgl. nr. 268; Christus komt langs, over de Eucharistie) helemaal gericht/gefocust zijn op de Eucharistie.
Zoals de Eucharistie het centrum en de wortel is, zo vormt het besef van ons goddelijk kindschap het fundament van de geest van het Opus Dei. Dit is ongetwijfeld iets wat alle christenen gemeen hebben, maar binnen het Werk neemt het een bijzonder centrale plaats in als basis van het geestelijk leven: ons innerlijk leven, ons werk en ons dagelijks leven beleven vanuit dat besef dat wij kinderen van God zijn.
Dit gaat samen met de essentie van de geest van het Opus Dei: de heiliging van het werk. We zijn allemaal geroepen om onszelf te heiligen en om aan velen te laten zien hoe ze hun werk kunnen heiligen. Maar binnen het Werk is dit aspect heel specifiek en heel centraal: het is de spil waar het streven naar heiliging en apostolaat om draait.
Dus, naast alle gemeenschappelijke elementen van de eenheid van de Kerk, kent het Werk deze eigen kenmerken die ons één maken, naarmate we dezelfde geest beleven: de Eucharistie als centrum en wortel, het goddelijk kindschap als fundament en de heiliging van het werk als spil.
Vader, als de eenheid een gave van God is die we vragen voor de hele Kerk en voor het Werk, kunnen we die dan ook vragen als een persoonlijk geschenk, voor ieder van ons?
Ja, natuurlijk. De eenheid is een geschenk van God aan ieder persoonlijk, juist doordat Hij in ons het verlangen naar eenheid doet groeien en ons vervolgens, door Zijn genade, de kracht schenkt om door de liefde en genegenheid voor onze naaste bouwstenen van eenheid te zijn.
De eenheid is dus een voorwaarde voor doeltreffendheid op alle niveaus. De heilige Jozefmaria heeft dit in een van zijn brieven uit 1931 bijzonder duidelijk uitgedrukt: “God houdt rekening met onze tekortkomingen, met onze zwakheid en met de zwakheid van onze medemensen. Maar Hij houdt ook rekening met de kracht van ons allen, als de naastenliefde ons verenigt” (hl. Jozefmaria, Brieven (I), Brief 2, nr. 56). De eenheid geeft kracht, als de liefde ons verenigt. En wat echt verenigt, is onze genegenheid.
Hier is het belangrijk om onderscheid te maken tussen genegenheid en puur gevoel. Echte genegenheid, echte liefde, komt vooral tot uiting in daden: in toewijding, in inzet, in de aandacht voor anderen. Vaak gaat die liefde gepaard met een voelbare genegenheid; soms ook niet. Maar als er echte liefde is, is er eenheid.
![The unity of the Church — and, within it, the unity of the Work — is, ultimately, a gift from God [...] given to all; for this very reason, it is also everyone's responsibility to care for it.](http://images.opusdei.net/?url=https://s3-eu-west-1.amazonaws.com/images-opus-dei/editor/2026/1/EN%20220260123152055383249.jpg&w=600&output=jpg&il&bg=white)
In feite heeft het persoonlijke veel te maken met eenheid. Het is ook een bron van apostolische ijver, omdat het ons ertoe aanzet de apostolische missie van anderen als onze eigen missie te beleven. Dat moedigt aan en stimuleert, zelfs wanneer onze eigen activiteiten beperkter zijn of minder speelruimte bieden. Wat de anderen doen is ook van ons, en dat besef geeft kracht en vruchtbaarheid.
Het Werk nadert zijn honderdjarig bestaan en zijn boodschap heeft mensen van verschillende generaties, culturen en uit alle hoeken van de wereld bereikt. Hoe kunnen wij vandaag de dag instrumenten van eenheid zijn en die verantwoordelijkheid op ons nemen te midden van de culturele veranderingen en omstandigheden van onze tijd?
Enerzijds kunnen we regelmatig nadenken over de eenheid en de Heer daar oprecht om vragen, opdat Hij ons concrete inzichten schenkt om te weten hoe we die eenheid kunnen beleven, ongeacht waar ieder van ons zich bevindt.
Daarnaast zijn er nog veel andere factoren die helpen, maar een heel belangrijke is het besef dat de eenheid van het Werk de typische eenheid van een gezin is. Je kunt niet over de eenheid van het Werk spreken of deze begrijpen zonder aan de eenheid van het gezin te denken. Het is iets wat heel eigen is aan en heel wezenlijk is voor onze geest.
Een eenheid die altijd tot uiting komt als een directe verbondenheid met onze heilige stichter. De heilige Jozefmaria blijft vanuit de hemel onze Vader, door zijn geschriften, door zijn geest, door wat hij ons als erfenis heeft nagelaten en door wat we van zijn leven weten. Een deel van onze persoonlijke verantwoordelijkheid om de eenheid te bewaren bestaat er ook in om, waar we ook zijn, de persoon van onze Vader levend te houden: door een beroep te doen op zijn voorspraak bij verschillende noden, door de herinnering aan hem levend te houden en door te proberen te handelen volgens zijn geest. Dat is wat de heilige paus Paulus VI aan de zalige Álvaro del Portillo zei: “Als u iets moet doen, bedenk dan hoe de stichter het zou doen”. Don Álvaro was daar erg dankbaar voor; het gaf hem veel vreugde, want hij had het al vanaf het allereerste begin zo gedaan. De verbondenheid met de heilige Jozefmaria vormt een uiterst belangrijk onderdeel van de eenheid van het Werk.
Bij dit alles hoort ook de verbondenheid met de Vader, wie dat op elk moment ook moge zijn: een verbondenheid die het hele Werk en de twee afdelingen werkelijk verenigt, altijd gebaseerd op het meest fundamentele, namelijk de eenheid van geest.
Vader, soms kunnen misverstanden of wonden uit het verleden een belemmering vormen om de eenheid te beleven. Hoe kunnen we het vertrouwen herstellen als er pijn of wrok is geweest?
In zulke gevallen is het allereerst belangrijk om mensen te helpen nadenken over de houding van de Heer: God houdt oneindig veel van ieder mens, veel meer dan wij ooit zouden kunnen. Door deze diepe waarheid altijd weer te overwegen verandert de manier waarop we tegenover anderen staan en het helpt ons – vooral wanneer er nog resten van wrok of een reden tot ongenoegen uit het verleden of het heden zijn – te beseffen dat God oneindig veel van die persoon houdt.
De heilige Paulus drukt dit krachtig uit in de brief aan de Efeziërs, in een tekst die we goed kennen: “Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang: leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen [in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid elkaar liefdevol verdragend]” (Ef 4,1-2). Hier komen al heel concrete aspecten naar voren: de eenheid door de band van de vrede.
Vrede schenken. De heilige Jozefmaria heeft ons vaak aangespoord om zaaiers van vrede en vreugde te zijn. Al op jonge leeftijd schreef hij vol verwondering in zijn persoonlijke aantekeningen: “Ik geloof dat de Heer mijn ziel nog een eigenschap heeft geschonken: vrede, vrede hebben en vrede schenken”.
En wat is deze vrede? Jezus Christus zelf. Ipse est pax nostra, “Hij is onze vrede” (Ef 2,14). Daarom is elke inspanning om de eenheid te beschermen noodzakelijkerwijs een inspanning om ons met Jezus Christus te verenigen. Zoals de heilige Paulus zegt: “Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één Geest zoals gij ook geroepen zijt tot één en dezelfde hoop waarvoor Gods roeping borg staat” (Ef 4,3-4). Het is de Heilige Geest die ons – met de gave van de liefde – verenigt. Het geloof verenigt ongetwijfeld, maar nog radicaler is dat wat verenigt de liefde, en de Heilige Geest is de oneindige liefde van God.
We leven in een wereld die gekenmerkt wordt door verdeeldheid en individualisme, zowel in de samenleving, de politiek en zelfs in gemeenschappen zoals het gezin. Hoe kunnen we op een authentieke manier de eenheid beleven, zodat deze niet slechts iets uiterlijks is, maar uit ons innerlijk komt, nu er zo weinig inspirerende voorbeelden zijn?
De heilige Jozefmaria zei altijd dat we instrumenten van eenheid moeten zijn: mensen die de eenheid creëren, verdedigen en bewaken. Om dit in praktijk te brengen, is Jezus Christus altijd ons belangrijkste referentiepunt.
In welke zin kunnen de allesoverheersende passie en het verlangen om de eenheid te bewaken een centrale rol in ons leven spelen? Wanneer dit in onze gedachten en gevoelens doordringt en daardoor vanzelf onze manier van leven verandert. Dan wordt alles van de anderen ook het onze: hun innerlijk leven, hun werk, hun gezondheid, hun ziekte, altijd op de manier die bij elke situatie past. Het is van belang om voor hen te bidden, hun weg te vergemakkelijken en ons te verheugen over hun successen. Alles wat de anderen hebben, is ook van ons. Dat is eenheid.
De eenheid leidt er ook toe dat we meeleven met wie lijdt, en ze komt heel concreet tot uiting in onze houding ten opzichte van de tekortkomingen of beperkingen van onze medemensen.
Bovendien ontstaat er, wanneer het verlangen naar eenheid de overhand heeft, vanzelf een bijzondere aandacht voor het bevorderen van wat ons verbindt en voor het vermijden – en in sommige gevallen zelfs het afwijzen – van datgene wat, ook al is het maar in geringe mate, tot verdeeldheid kan leiden.
Vader, soms lijkt het alsof samenwerken en samen beslissingen nemen meer tijd kost dan wanneer we het alleen doen. Binnen het Werk is de collegialiteit een gebruikelijke manier van werken. Hoe kunnen we dit begrijpen en beleven als een verrijking in plaats van als een belemmering?
Binnen de organisatie van het Werk is de collegialiteit een zeer belangrijk aspect van de eenheid: zij moet op alle niveaus beleefd worden, zowel in het bestuur als in de apostolische activiteiten. Het is een blijk van grote voorzichtigheid, omdat het verhindert dat iemand in zijn eentje beslist zonder rekening te houden met de mening van anderen. De heilige Jozefmaria heeft dit – met het licht van God – vanaf het begin vastgelegd en wilde dat het in het hele Werk zo zou zijn.
Hij heeft dit eens heel duidelijk in een van zijn brieven benadrukt. „Ik heb jullie – het is een tekst die jullie al kennen – bij talloze gelegenheden gezegd, en ik zal het in de loop van mijn leven nog veel vaker herhalen, dat ik in het Werk, op alle niveaus, een collegiaal bestuur eis, zodat er geen tirannie ontstaat“(hl. Jozefmaria, Brief 24-12-1951, nr. 5).
Het risico bestaat dat men uit haast in eenzijdige werkwijzen vervalt: denken dat iets dringend is en dat het niet nodig is om op anderen te wachten en rekening te houden met hun mening. De heilige Jozefmaria zei altijd dat dringende zaken kunnen wachten, en zeer dringende zaken moeten wachten. Niet om tijd te verspillen, maar om ze te bestuderen zoals de bedoeling is. Deze werkwijze is een garantie voor doeltreffendheid en ook voor gemoedsrust.
In je eentje iets beslissen kan juist voor onrust zorgen, vooral als het om ingewikkelde zaken gaat. Als je daarentegen kunt rekenen op de bijdragen van anderen, krijg je een beter beeld. Dit geldt ook wanneer iemand wat betreft een bepaald onderwerp meer ervaring heeft of meer weet. De ervaring leert dat iemand met minder kennis een nieuw perspectief, een oplossing of een nuance kan aandragen die de ander over het hoofd had gezien.
Daarom is collegialiteit, ook al kost het meer tijd, de moeite waard. Het is een prijs die het waard is om te betalen, want wat je ermee bereikt, is van zeer grote waarde. Het is niet alleen een manier om iets te doen, maar vooral een mentaliteit: de overtuiging dat we allemaal de inzichten van anderen nodig hebben. En dit moet op alle niveaus worden nageleefd.
Er komt vaak een zorg bij me op: soms kunnen we ons onzeker voelen om te zeggen wat we denken, uit angst dat we geen overeenstemming bereiken of verdeeldheid zaaien. Hoe vinden we een evenwicht tussen de vrijheid om onze mening te uiten en het behoud van de eenheid, wetende dat we het niet altijd over alles eens zullen zijn?
Een ander aspect van deze sterke passie voor de eenheid leidt noodzakelijkerwijs tot waardering voor de diversiteit. Dat lijkt misschien tegenstrijdig, maar dat is het niet. Eenheid betekent niet dat we allemaal hetzelfde moeten denken, maar dat we anderen moeten accepteren zoals ze zijn en daarin raakvlakken moeten vinden. In die zin is begrijpen verbonden met wat eerder al is gezegd: alles wat van anderen is, is ook van ons. En dat helpt om een kritische houding te vermijden.
Om zo te leven, moet je je dat eerst bewust voorgenomen hebben: je moet begrijpen dat een belangrijk onderdeel van de eenheid het accepteren van de meningen van de anderen is. Maar dat gaat ook samen met dat je niet bang moet zijn om te zeggen wat je denkt. Altijd met omzichtigheid, natuurlijk. Het gaat er niet om zomaar alles te zeggen, op elk moment of op welke manier dan ook.
Maar in de daarvoor geschikte situaties – bijvoorbeeld tijdens een vergadering of in een gesprek – is het goed om je eigen mening te geven, ook als je denkt dat je in de minderheid bent. Het gaat er niet om je eigen ideeën op te dringen, maar om gewoon te zeggen wat je oprecht denkt. In plaats van de eenheid te verbreken, bouwt het bruggen ernaartoe
![Valuing diversity is a necessary aspect of our dominant passion for unity. [...] Unity does not consist in everyone thinking alike, but in loving others as they are and finding points of union there.](http://images.opusdei.net/?url=https://s3-eu-west-1.amazonaws.com/images-opus-dei/editor/2026/1/EN%20320260123152133717871.jpg&w=600&output=jpg&il&bg=white)
Ik herinner me dat ik jaren geleden, toen ik tot adviseur bij de Congregatie voor de Geloofsleer werd benoemd, een bezoek bracht aan de filosoof Cornelio Fabro – ik zag hem vrij regelmatig –, die ook vele jaren adviseur was geweest. Hij zei nadrukkelijk tegen mij: Ik geef je vanuit mijn ervaring één advies: zeg tijdens de vergaderingen altijd wat je denkt, ook al zie je dat alle anderen er anders over denken. Doe dat altijd. Welnu, ik geef jullie dezelfde raad.
Bovendien komt de zorg voor de eenheid op een heel directe en zichtbare manier tot uiting in de zorg voor de christelijke broederlijkheid. Dit houdt in dat we ons voortdurend moeten inspannen om mensen tot elkaar te brengen, het vormen van kliekjes binnen het Werk moeten vermijden, iedereen gelijk moeten behandelen en oprechte belangstelling voor het leven van de anderen moeten tonen. De heilige Jozefmaria was erg verheugd over deze houding van mensen die anderen tot elkaar brengen.
We moeten ons niet verbazen over de verschillen in karakter en voorkeuren, noch over de moeilijkheden in de onderlinge omgang die uit die verschillende karakters voortvloeien. De heilige Jozefmaria heeft in een van zijn brieven geschreven: “Jullie moeten ook voortdurend een broederlijkheid beoefenen die boven elke natuurlijke sympathie of antipathie uitstijgt, door van elkaar te houden als ware broeders, met de omgang en het begrip die eigen zijn aan degenen die een hechte familie vormen” (hl. Jozefmaria, Brieven (I), brief nr. 2). Het zijn mooie en tegelijkertijd veeleisende woorden, en het ligt in onze handen ze te beleven en door te geven.
Tot slot wil ik nog even stilstaan bij een tekst die we goed kennen, maar die altijd weer veel stof tot nadenken biedt. Hij komt uit een brief van de heilige Jozefmaria, geschreven in 1957: “In het tabernakel van de kapel van de Algemene Raad heb ik deze woorden laten aanbrengen: Consummati in unum. In Jezus Christus zijn wij allen één. Mogen wij, in de smidse van God opgenomen, altijd deze prachtige eenheid van verstand, wil en hart bewaren. En moge onze Moeder, dat schitterende en vruchtbare kanaal door wie alle genaden tot ons mensen komen, ons samen met de eenheid ook de duidelijkheid, de liefde en de kracht schenken” (hl. Jozefmaria, Brieven).
Dit is niet zomaar een vrome afsluiting van een toespraak. Het is inderdaad een vrome conclusie, maar ook een uiterst logische. Zij brengt ons op natuurlijke wijze ertoe te bidden voor de eenheid. In feite bidden we daar elke dag voor. En het is goed om dat te doen met een dankbare en optimistische ziel, want we bidden voor iets dat al bestaat: opdat het behouden blijft, opdat we er zorg voor weten te dragen en om God te danken voor de eenheid van het Werk, die een zeer grote gave is.
Misschien zijn we zo gewend aan de eenheid dat we het risico lopen haar niet voldoende op waarde te schatten. Daarom is het de moeite waard om de genade te vragen om haar meer te waarderen, er dankbaarder voor te zijn en er beter voor te zorgen: niet als een abstract idee, maar met concrete gebaren, beslissingen en werkelijk gedrag, waardoor de eenheid een ware hartstocht wordt.
