De uren die voorafgingen aan het lijden en de dood van Jezus hebben zich met bijzondere kracht gegrift in het geheugen en het hart van hen die bij Hem waren. Om deze reden zijn veel details over wat Jezus deed en zei tijdens het Laatste Avondmaal vastgelegd in het Nieuwe Testament. Volgens Joachim Jeremias is dit een van de best gedocumenteerde episoden uit Zijn leven. Bij die gelegenheid was Jezus alleen met de twaalf apostelen (Mat. 26,20; Mar. 14,17 en 20; Luc. 22,14). Noch Maria, Zijn moeder, noch een van de heilige vrouwen was daarbij aanwezig.
In het verslag van de heilige Johannes legt hij uit dat Jezus de voeten van Zijn leerlingen waste, een zeer betekenisvolle handeling, en ons daarmee een voorbeeld gaf van nederige dienstbaarheid (Joh. 13,1–20). Daarna volgt een van de meest dramatische momenten van deze gebeurtenis: Jezus kondigt aan dat een van de aanwezigen Hem zal verraden. Zij kijken elkaar verbijsterd aan door wat Jezus zojuist heeft gezegd. Vervolgens wijst Jezus op discrete wijze Judas aan (Mat. 26,20–25; Mar. 14,17–21; Luc. 22,14 en Joh. 13,21–22).
Wat het eigenlijke maal betreft, was het meest verrassende aspect de instelling van de Heilige Eucharistie. Van deze gebeurtenis beschikken wij over vier verslagen: die van de drie synoptici (Mat. 26,26–29; Mar. 14,22–25; Luc. 22,14–20) en dat van de heilige Paulus (1 Kor. 11,23–26), die alle zeer sterk op elkaar lijken. In elk geval beslaat het verslag slechts enkele verzen. Zij beschrijven de handelingen en woorden van Jezus die aanleiding gaven tot het Heilig Sacrament en die het centrale element vormen van de nieuwe ritus: “Daarop nam Hij het brood, sprak een dankgebed uit, brak het en gaf het hun met de woorden: ‘Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot een gedachtenis aan Mij.’” (Luc. 22,19)
Deze woorden drukken het enorme verschil uit tussen wat er gebeurde tijdens dit bijzondere maal dat Jezus met Zijn apostelen hield en een gewone maaltijd. Jezus deelde bij het Laatste Avondmaal niet eenvoudig brood uit aan hen die met Hem aan tafel zaten. Wat Hij gaf, was integendeel iets totaal anders onder de gedaante van brood: “Dit is mijn Lichaam.” En Hij verleende aan de daar aanwezige apostelen de noodzakelijke macht om te doen wat Hij zojuist had gedaan: “Doet dit tot een gedachtenis aan Mij.”
Aan het einde van de maaltijd vindt nog een andere gebeurtenis van bijzondere betekenis plaats: “Evenzo gaf Hij de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak: ‘Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten.’” (Luc. 22,20)
De apostelen begrepen dat zij eerder getuige waren geweest van het schenken van Zijn lichaam onder de gedaante van brood, terwijl hun nu Zijn bloed in een beker werd gegeven. Hierdoor heeft de Christelijke traditie ingezien dat de herinnering aan het afzonderlijk schenken van Zijn lichaam en Zijn bloed een werkdadig teken was van het offer dat enkele uren later op het kruis zijn voltooiing zou vinden.
Bovendien bleef Jezus gedurende de hele maaltijd met zoveel liefde spreken, dat Zijn laatste woorden doordrongen tot in het hart van Zijn apostelen. Het evangelie van de heilige Johannes verhaalt het uitgebreide en ontroerende gesprek aan het einde van de maaltijd. Juist op dit moment wordt het nieuwe gebod uitgesproken, waarvan de vervulling het kenmerk zal worden dat een Christen bepaalt: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.” (Joh. 13,34–35).
