Brief van de prelaat (1 oktober 2018)

Op de 90ste verjaardag van de stichting van het Opus Dei nodigt de prelaat ons uit om de gaven van God naar waarde te schatten en dank te zeggen.

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (1 oktober 2018)

Mijn geliefde dochters en zonen, moge Jezus jullie behoeden!

Morgen zijn er 90 jaar verstreken sinds die 2e oktober 1928: “Die dag heeft de Heer zijn Werk gesticht, het Opus Dei in het leven geroepen” (Apuntes íntimos, nr. 306), schreef de heilige Jozefmaria kort daarna. De vreugde waarmee we deze verjaardag vieren gaat samen met dankzegging jegens God die zijn Kerk voortdurend met gaven en charisma’s verrijkt: “Dank de Heer, want Hij is goed, zijn genade is eeuwig” (Ps 118,1). Er werd een immens panorama voor onze Vader geopend: meewerken aan de verzoening van de hele wereld met God door middel van het beroepswerk en de andere omstandigheden van het gewone leven.

Laten we overwegen dat God de eerste plaats toekomt: Hij is degene die zijn Werk heeft gesticht en die het vooruit brengt. Zoals in de hele Kerk, gaan de woorden van het evangelie ook hier in vervulling: “Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ´s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar” (Mc 4, 26-28). De heilige Jozefmaria heeft van zijn kant gedaan wat hij kon: intens gebed, een vastbesloten innerlijke strijd en een onvermoeibare inzet voor apostolische initiatieven. Maar hij was er vast van overtuigd dat heel de kracht die hem ertoe aanzette de zielen te dienen van God kwam: “Ik dank U, Heer, dat U geprobeerd hebt mij duidelijk te maken dat alles van U is: de bloemen en de vruchten, de boom en de bladeren, en dat heldere water dat naar het eeuwig leven brengt. Gratias tibi, Deus!” (En diálogo con el Señor, blz. 308). Dat de genade van God op de eerste plaats komt is in het christelijk leven, in het leven van iedereen afzonderlijk, net zo reëel.

Behalve dat we deze gave van God overwegen, kunnen we ook onze dankzegging hernieuwen omdat Hij, ondanks onze kleinheid, op ons heeft willen rekenen door ons tot zijn medewerkers te maken (vgl. 2 Kor 6,1). Soms kan het lijken dat onze rol in de plannen van God niet van belang is, maar Hij neemt onze vrijheid serieus en rekent echt op ons. Laten we denken aan die jongen die het weinige wat hij had – vijf broden en twee vissen – in de handen van Jezus wist te leggen: dankzij dat edelmoedige gebaar heeft Christus een hele menigte te eten gegeven (vgl. Joh 6,1-13). God rekent ook op onze dagelijkse beantwoording die bestaat in kleine dingen die door de kracht van zijn genade groot worden. En daarom doen wij ons uiterste best om Hem in ons werk te zoeken, de mensen om ons heen te dienen, door te proberen naar hen te kijken en van ze te houden zoals Hij doet, en op duizend verschillende manieren het licht en de warmte die Hij in ons hart heeft gelegd in de wereld te verspreiden. Dat alles is onze kleine medewerking, als die van een kind waarvan onze Vader God zich bedient om wonderen in de zielen te doen.

Binnenkort begint de synode over de jongeren, het geloof en het onderscheiden van de roeping. Laten we blijven bidden en licht en inspiratie vragen opdat de boodschap van Jezus veel jongens en meisjes blijft bereiken en opdat zij besluiten Hem edelmoedig te volgen op de verschillende wegen die er in de Kerk bestaan. Het feit dat deze gebeurtenis in de Kerk bijna samenvalt met de verjaardag van het Werk kan ons helpen onze eigen persoonlijke roeping met een hernieuwd enthousiasme, dat eigen is aan een jeugdig en verliefd hart te bezien. Onze stichter heeft die jeugdige ziel nooit verloren. Hij heeft veel tegenslagen en leed ondergaan, maar is door zijn liefde voor de Heer altijd jong gebleven. Hij heeft ons het geheim van zijn vitaliteit als volgt verklaard: “Als ik aan de voet van het altaar bid: naar God die mijn jeugd verblijdt (Ps 42, 4) voel ik me heel jong. En ik weet dat ik mezelf nooit als oud zal beschouwen. Als ik trouw blijf aan God zal de Liefde me voortdurend nieuw leven geven. Mijn jeugd zal vernieuwd worden als die van de adelaar (vgl. Ps 103, 5)” (Vrienden van God, nr. 31). Als we verenigd blijven met de Heer zullen wij altijd jong zijn. En Hij zal het Werk, dat altijd oud en altijd nieuw is, op alle plaatsen, in alle culturen en tijden blijven verwezenlijken.

Negentig jaar is veel voor een mensenleven, maar voor het Werk is het echt weinig. We staan nog aan het begin: laat dit ons dienen als een herinnering aan de gave die wij hebben ontvangen en aan de prachtige missie die Christus in onze handen heeft gelegd.

Blijf mij vergezellen met jullie gebed en laten we deze dagen vooral de Paus begeleiden om allemaal samen naar Jezus te gaan door Maria.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

Roma, 1 oktober 2018