Brief van de prelaat (5 februari 2020)

Ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de vrouwelijke afdeling van het Opus Dei, dringt mgr. Ocáriz er bij ons op aan God vurig te danken voor dit geschenk aan het Werk en aan de Kerk

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (5 februari 2020)

Mijn geliefde dochters en zonen, moge Jezus jullie behoeden!

Elk jaar is 14 februari in het Werk een dag waarop wij de Heer nog meer dan gewoonlijk onze dankbaarheid tonen, omdat wij de stichtingsdata van 1930 en 1943 gedenken. Dit jaar vieren we het in het bijzonder, want het is de negentigste verjaardag van de dag waarop de heilige Jozefmaria zag dat God ook vrouwen riep voor de zending die hij op 2 oktober 1928 was begonnen.

Van de heiligheid van de vrouw hangt voor een groot deel de heiligheid van de mensen om haar heen af. Zo heeft de heilige Jozefmaria het altijd beschouwd, met de vaste overtuiging dat "vrouwen geroepen zijn om aan het gezin, aan de burgermaatschappij en aan de Kerk datgene te geven dat kenmerkend is voor hun vrouw-zijn en dat alleen zij kunnen geven" (Gesprekken, nr. 87).

Als we naar het evangelie kijken, zullen we ons herinneren dat Jezus Christus geboren is ‘uit een vrouw’ (Gal 4,4); diezelfde vrouw, de heilige maagd Maria, heeft met haar vurige verlangen om anderen te dienen, het openbaar optreden van haar Zoon vervroegd (zie ook Joh 2,4-5); toen Jezus in de steek werd gelaten waren het de ‘dochters van Jeruzalem’ (Lc 23,28) die zich onder de menigte begaven om Jezus te vergezellen; vrouwen stonden aan de voet van het kruis toen onze verlossing werd volbracht (vgl. Joh 19,25); en het was een vrouw die de eerste getuige was van de verrijzenis van de Heer (vgl. Joh 20,16), van die Blijde Boodschap die later onder alle volkeren verspreid zou worden.

Het is een bron van vreugde – ik denk aan de zending van mijn dochters in het Werk – te beschouwen hoe God zijn weldaden laat zien in zoveel vruchten van vrouwelijke heiligheid ten dienste van andere mensen.

Vanwege dit alles nodig ik jullie uit om vooral op deze dag de woorden van de heilige Jozefmaria te overwegen: "Ut in gratiarum semper actione maneamus, laten we leven in een voortdurende dankzegging aan onze God, met akten van dankzegging die een daad zijn van geloof, een daad van hoop, en een daad van liefde” (Brief 28- 3-1973, nr. 20).

Een dankbaar geloof voor de goddelijkheid van onze persoonlijke christelijke roeping en de daarbij horende apostolische zending die de Heer ons toevertrouwt; in het bijzonder als we kijken naar de omvang en intensiteit van het apostolaatswerk dat de vrouwen van het Opus Dei ontwikkelen, waarbij ze hun geestelijke en menselijke rijkdom inzetten voor de dialoog met de mensen van onze tijd. Een hoopvolle dankbaarheid, omdat we de toekomst ondanks de moeilijkheden met sereniteit en optimisme tegemoet kunnen zien, want we kunnen ondanks onze beperkingen en fouten altijd rekenen op Gods liefde voor ieder van ons. Tot slot, met een dankbare liefde, omdat wij gedurende de inspanningen van de afgelopen negentig jaar Gods barmhartigheid hebben mogen ervaren.

Ik stel ook voor dat jullie rond deze 14e februari een persoonlijk voornemen maken –misschien op bedevaart gaan –, wat zal helpen om die dankbaarheid jegens de Heer te tonen, met een beroep op de moederlijke bemiddeling van de allerheiligste Maagd Maria.

Met bijzondere genegenheid zegent jullie

jullie Vader


Rome, 5 februari 2020