H JozefmariaDagelijkse teksten

“Als mijn eigen ik helemaal 'leeg' is, vul het dan met U”

Vraag de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en ook je Moeder Maria, dat ze je helpen jezelf te kennen en al deze lage dingen van je te betreuren die - helaas - zoveel sporen in je achterlieten... Zeg Hem ook, zonder de ogen voor je eigen ellende te sluiten: geef mij, Jezus, een liefde als een louterend vuur, waarin mijn arme vlees, mijn arme hart, mijn arme ziel en mijn arme lichaam worden verteerd en gezuiverd van alle aardse ellende... En als mijn eigen ik dan helemaal 'leeg' is, vul het dan met U, zo...

...dat ik me nooit hecht aan iets van hier beneden, maar alleen door uw liefde gedragen word. (De Smidse, 41)

Dit is het ogenblik om uit te roepen: herinner U de beloften die Gij mij gedaan hebt om mij met hoop te vervullen; dat troost mij, want ik ben niets en het vervult mijn leven met kracht (vgl. Ps 119, 49­50). De Heer wil, dat wij op hem rekenen, in alles. Het is ons duidelijk dat wij zonder Hem niets vermogen (vgl. Joh 15, 5), maar dat met Hem geen zee ons te hoog gaat (vgl. Fil 4, 13). Ons besluit altijd voort te gaan in zijn tegenwoordigheid wordt bevestigd (vgl. Ps 119, 167).

Met de verlichting door God van ons schijnbaar inactieve verstand is het duidelijk, dat de Schepper die zorg heeft voor allen —ook voor zijn vijanden— de meeste zorg zal hebben voor zijn vrienden. Wij kunnen ervan overtuigd zijn, dat ons geen kwaad of tegenspoed kan overkomen, dat zich niet ten goede zal wenden. Blijdschap en vreugde worden in onze geest dusdanig versterkt, dat geen menselijk motief ons die kan ontrukken, omdat deze 'bezoekingen' steeds iets van Hem in ons achterlaten, iets goddelijks. Wij zullen God onze Heer loven, die grote ondoorgrondelijke dingen in ons verricht heeft (vgl. Job 5, 9), en begrijpen, dat wij geschapen zijn met het vermogen een onuitputtelijke schat te bezitten (vgl. Wijsh 7, 14).

Wij waren begonnen met mooie en betoverende mondgebeden die wij leerden, toen wij klein waren en die wij ons leven lang niet graag zouden vergeten. Het gebed dat met zo'n kinderlijke onschuld begon, ontwikkelt zich nu tot een brede, kalme en gestage stroom, omdat deze gelijke tred houdt met Hem die zei: Ik ben de Weg (Joh 14, 6). Als wij Christus zo liefhebben, als wij met goddelijke vermetelheid onze toevlucht zoeken in de opening die de lans achterliet in zijn Zijde, zal de belofte van de Meester in vervulling gaan: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen (Joh 14, 23). (Vrienden van God, 305-306)